De 51ste staat

Het drama van Kosovo blijkt achteraf één grote verdienste te hebben. Als we de onvermijdelijke militaire overwinning van de NAVO buiten beschouwing laten, is het zwarte scenario daar zo ver mogelijk uitgevoerd. Het valt opnieuw te lezen, nauwkeuriger, met meer details, in de reconstructie van Coen van Zwol en anderen, in ons M van afgelopen zaterdag.

Dat de operatie, in tegenstelling tot wat het publiek werd verteld, niet volgens de verwachtingen en plannen verliep, viel al na de eerste week te vermoeden. Maar wat gebeurde er in het hoofdkwartier van de politieke en militaire leiding, toen men daar tot deze ontdekking kwam? Na een dag of tien was men al in fase zeven van de escalatie. De Noord-Atlantische Raad, het hoogste orgaan van het bondgenootschap, weet dan niet meer om welke redenen op welke doelen de bommen vallen. ,,Kleine lidstaten zijn wel nieuwsgierig. Premier Kok laat in april naar Brussel bellen of iemand dat niet kan uitzoeken. De Nederlandse missie weet het ook niet.'' Generaal Clark komt af en toe naar Brussel voor briefings. ,,Dat geeft de diplomaten toch het gevoel dat ze meedoen.'' Maar dat ze iets over de strategie in de melk te brokkelen hebben, nee. Wie spreekt dan het laatste woord? Een Franse diplomaat zegt: ,,De kern wordt gevormd door de Amerikanen. Daaromheen zit een schil van grote landen waarvan instemming wordt gevraagd. Daaromheen de kleintjes die niets weten.''

Dat een oorlog altijd anders verloopt dan de geniaalste strategen hebben berekend, is een wijsheid zo oud als de oorlog zelf. Op de eerste verrassingen volgt beraad onder toenemende spanning. Dat degenen die het grootste aandeel in de strijd nemen, het meest te vertellen hebben, is vanzelfsprekend. Oorlogvoering is geen bedrijf dat door procedures van inspraak wordt geregeld. Als het gevecht eenmaal is begonnen, vinden de generaals trouwens altijd dat ze door de politici voor de voeten worden gelopen. Een Truman die een MacArthur ontslaat, is een uitzondering. Toch blijft het vervelend als de minister-president van een land dat zijn F-16's met piloten aan het front heeft, met een kluitje in het riet wordt gestuurd, zowel voor deze premier als voor het betrokken land. Dit zijn de risico's in tijd van oorlog.

Op de conferentie in Helsinki is besloten tot oprichting van een Europese strijdmacht die snel in het geweer kan komen om bijtijds `brandhaarden te blussen'. Europa leunt te zwaar op de Verenigde Staten. Dat is een les van Kosovo: te weinig vliegtuigen, militaire elektronica, enzovoort, kortom enige tientallen jaren achter. De Amerikanen zijn de betrouwbaarste bondgenoten, maar in hun bereidheid tot hulp zijn nuances afhankelijk van de toestand in hun binnenlandse politiek. Het eigenbelang van het werelddeel op weg naar eenheid dwingt ertoe eindelijk een zelfstandige militaire macht ter bestrijding van regionale onlusten op te richten.

Hoe redelijk ziet deze onderneming eruit! Natuurlijk mag Europa, zeker in deze tijd van welvaart, niet altijd blijven leunen op een bondgenoot waarvan het door 5.000 kilometer oceaan gescheiden is. Waarom is het niet eerder gebeurd? De vorige keer dat het met dit goede voornemen misliep, heette het Europese Defensie Gemeenschap. Het strandde in 1954 in het Franse verlangen naar nationale zelfstandigheid, of nationalisme, in ieder geval toen Pierre Mendès-France, niet de fanatiekste onder de Franse nationalisten, premier was. Twee jaar later gingen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, bij gebrek aan Amerikaanse medewerking, zelfstandig ten onder in de Suez-kwestie. Het was maar goed dat de herleefde Entente Cordiale geen EDG voor haar kar had kunnen spannen.

De tijden zijn veranderd. Wat de leden van de Europese Gemeenschap bindt, zeker op het gebied van de gemeenschappelijke veiligheid, is veel belangrijker dan wat hen scheidt. Maar Bosnië en Kosovo leren dat de verschillen blijven. Als in 1995 de `grote mogendheden' het eerder eens waren geweest, hadden we misschien geen Srebrenica gehad. Als het aan Blair had gelegen, was Kosovo misschien in een grondoorlog geëindigd. Het gaat er nu niet om wat beter was geweest, maar hoe de politieke leiding van de `grote mogendheden' zich zal gedragen als er in 2003 een situatie in Europa ontstaat die tot zelfstandige Europese militaire actie leidt.

Wat voor situatie dat zou kunnen zijn, gaat nu onze verbeeldingskracht te boven. Laten we ons daarom de slechtst denkbare voorstellen: Kosovo. Zijn de Fransen, Duitsers en Britten, in de coulissen de Italianen, het dan eens? Heeft Parijs zijn bijzonder nationaal belang geruild tegen een Europees, hebben de Duitsers hun weerzin tegen het meevechten van eigen soldaten opgegeven, zijn de Britten nog even krijgshaftig? Zullen `de kleintjes' dan wèl worden ingelicht, om te beginnen?

Een nieuw Kosovo zou, zoals het er nu uitziet, al een zware wissel op de eensgezindheid van de groten trekken. Maar wie weet, is dat in oorlogstijd anders. Het kan zijn dat de gemeenschappelijke militaire inspanning in vredestijd de politieke eensgezindheid in oorlogstijd doet groeien. Uit deze veronderstelling vloeit de volgende vraag voort. Hoe komt deze inspanning tot stand? Koopt Europa het modernste gereedschap van de Amerikanen, met de geheimen? Of zal er een arbeidsverdeling komen tussen de Europese landen (zoals al is voorgesteld), waarbij iedere nationale industrie een specialisme voor haar rekening neemt? Hebben `de kleintjes' daarin een aandeel toebedeeld gekregen? Grof gezegd: het zal nog een gebakkelei geven voor de Europese industrie de opdrachten heeft verdeeld.

De Europese strijdmacht in oprichting heeft in Amerika gemengde gevoelens gewekt. Aan de ene kant ziet het er naar uit dat de Europeanen eindelijk ernst willen maken met het helpen dragen van de lasten. Maar draait het niet uit op een Europese oververzelfstandiging die het einde van de NAVO inluidt? Wat is, op langere termijn, de NAVO waard als Rusland zich in revanchistische richting ontwikkelt?

En dan een belangrijker vraag voor nu: wat moet Nederland doen? De ene school zegt: laten we ons verre van dit plan houden. De andere: meedoen omdat we er alleen dan een zekere invloed op kunnen uitoefenen. Deze school, van de ministers De Grave en Van Aarsen, heeft het gewonnen. Dan is de volgende vraag: hoe doet Nederland mee: door van harte mee te werken of door volgens Nederlands belang te sturen en te remmen waar dat mogelijk is, dat wil zeggen, met behoud van de maximale invloed die `een kleintje' in tijd van nood is toebedeeld, het verlies te beperken?

Een jaar of drieëneenhalf geleden opperde Thijs Wöltgens, ex-fractievoorzitter van de PvdA en burgemeester van Kerkrade, dat Nederland zich zou moeten aansluiten bij Noordrijn-Westfalen, als deel van de Bondsrepubliek, omdat het dan meer invloed zou hebben op wat er in Brussel wordt besloten. Zijn denkbeeld was bedoeld als punt van discussie. Hij vond dat de krachten van het `neoliberalisme' in Brussel te veel macht kregen. Zou een militaire variant ook niet als zo'n punt van discussie kunnen dienen? Laat Nederland zich als 51ste staat aansluiten bij de Verenigde Staten van Amerika. Het is niet zoveel verder weg van de Oostkust, dan Hawaii van de Westkust. We hebben er veel voorouders wonen en we proberen toch al zoveel mogelijk Amerikaans-Engels te spreken. Een zetel in de Senaat geeft in tijden van nood meer invloed dan een telefoontje naar Brussel. Er valt over te discussiëren.