Milieu en economie zullen vaker botsen

Economische groei kan volgens het kabinet zonder een verdere belasting van het milieu. Sander de Bruyn meent dat deze stelling in de toekomst onhoudbaar wordt.

Begin jaren '70 zorgde het rapport van de Club van Rome voor flink wat discussie over de relatie tussen economische groei en milieu. Binnen veertig jaar zou de economische groei tegen zijn grenzen zou aanlopen, in termen van beschikbaarheid van voedsel, de uitputting van grondstoffen en de milieuvervuiling. Die alarmerende conclusies waren niet verbazingwekkend: de consumptie van materialen en energie steeg tussen 1951 en 1969 wereldwijd met meer dan 5 procent per jaar. Een verdubbeling van de consumptie zou iedere 15 jaar plaatsvinden. Extrapolatie van de toen beschikbare gegevens leerde al snel dat er niet genoeg natuurlijke grondstoffen waren om deze groei te laten voortduren.

Die voorspellingen blijken er achteraf flink naast te hebben gezeten. De consumptiegroei van de meest schaarse grondstoffen is flink afgenomen tot een magere 1 procent per jaar. Een verdubbeling in de consumptie vindt dan ook slechts plaats na 70 jaar. Veel soorten milieuvervuiling in ontwikkelde landen zijn juist gedaald. De technologische ontwikkeling in het onttrekken en bewerken van grondstoffen en het beperken van milieuvervuiling is veel groter dan werd aangenomen.

De Club van Rome veronderstelde dat er een duidelijke tegenstelling bestaat tussen economische groei en milieubehoud: economische groei resulteert in een toenemende consumptie van producten, materialen en energie en daarmee ook in meer afval en vervuiling. Diverse economen benadrukken daarentegen dat economische groei juist goed is voor het milieu. Door economische groei worden mensen rijker en schaffen zij eerder milieuvriendelijke producten aan. Bovendien verschaft die groei de overheid en ondernemingen de financiële middelen om een goed milieubeleid te voeren.

Sinds begin jaren '70 zijn in Nederland en andere welvarende landen de emissies van zwaveldioxide en stofdeeltjes, medeverantwoordelijk voor zure regen en smog, met meer dan 75 procent gedaald. Ook het oppervlaktewater is veel schoner. En toch is het inkomen per hoofd van de bevolking bijna verdubbeld. Kennelijk kunnen economische groei en vermindering van de milieuvervuiling heel goed samengaan. Natuurlijk zijn er nog wel vormen van vervuiling waar zo'n ontkoppeling nog niet is gerealiseerd, maar ook daar kan een ontkoppeling worden bereikt.

Net als in de jaren '70 lijkt het er nu op dat een simpele extrapolatie van bestaande trends tot een verkeerde inschatting van de relatie tussen economische groei en het milieu leidt. De milieuvervuiling kan worden beschouwd als de resultante van zowel de economische groei als de milieuproductiviteit (de hoeveelheid milieuvervuiling die nodig is om een gulden inkomen te genereren kan als een eenvoudige maatstaf dienen). Als de milieuproductiviteit groter is dan de economische groei zal de milieuvervuiling dalen. Economen veronderstellen vaak dat de milieuproductiviteit toeneemt als gevolg van economische groei, door middel van een toenemend milieubewustzijn en een gemakkelijkere financiering van milieubeleid. Helaas bestaat hiervoor geen enkel statistisch bewijs. Uit vergelijkend onderzoek blijkt dat landen met een hogere economische groei het op milieugebied slechter doen dan landen met een lagere groei. Ook uit onderzoek naar het verloop van NOx-, CO2- en SO2-emissies in Nederland, Engeland, West-Duitsland en de VS kon niet worden bewezen dat de milieuproductiviteit op de langere termijn substantieel verbetert door een hogere economische groei.

De ontwikkeling van de milieuproductiviteit is in het verleden uitsluitend bepaald door technologische toepassingen die het voeren van een adequaat milieubeleid mogelijk hebben gemaakt. Zo heeft de vondst van aardgas in Nederland een positief milieueffect gehad, doordat kleinere verbrandingsinstallaties op gas overgingen. De zwaveluitstoot in grotere verbrandingsinstallaties kon worden verminderd doordat de overheid elektriciteitsbedrijven verplichtte tot het ontzwavelen van hun rookgassen. De NOx-emissies in het personenverkeer zijn aanzienlijk verlaagd doordat de auto's een driewegkatalysator moesten hebben. Voor CO2-emissies ontbreken dergelijke technologische vondsten, met als gevolg dat deze emissies, nadat de omschakeling van kolen naar gas was voltooid, ondanks substantiële investeringen in energiebesparing weer zijn gaan stijgen met de groei van het inkomen.

De afhankelijkheid van de technologische ontwikkeling heeft ook een keerzijde. Door stijgende marginale kosten wordt het steeds duurder de milieuproductiviteit op peil te houden door de toepassing van nieuwe technologie. Zo is de eerste 80 procent vervuiling relatief gemakkelijk uit rookgassen en afvalwater te verwijderen, maar de laatste 20 procent alleen tegen exorbitant hoge kosten. Als de milieuproductiviteit door de hoge marginale kosten niet meer verbeterd kan worden, zal de milieuvervuiling weer stijgen. Om deze dreigende `herkoppeling' een halt toe te roepen zal er niet alleen op technologie moeten worden ingezet.

De structuur van de Nederlandse economie heeft sinds begin jaren '80 tot een toename van de milieuvervuiling geleid. De voor het milieu gunstige daling van het aandeel van de industrie in het Nederlandse BNP wordt tenietgedaan doordat, naast de dienstensector, vooral de landbouw, de basismetaal, de chemie en de transportsector de grote stijgers zijn. Met deze milieuvervuilende activiteiten loopt Nederland in Europa behoorlijk uit de pas. Voor Nederland impliceert dit dat internationale doelstellingen op het gebied van milieuvervuiling alleen te halen zijn als de technologische inspanningen groter zijn dan die in andere landen waar de productiestructuur zich wel in een minder milieubelastende richting ontwikkelt. Dit jaagt de totale kosten van het milieubeleid alleen maar op.

Een heroverweging van de productiestructuur in Nederland is voor het kabinet echter niet bespreekbaar. De nota's `Milieu en Economie' en de `Uitvoeringsnota Klimaatbeleid' laten onverminderd een groot vertrouwen in de technologische ontwikkeling zien. Met de Nederlandse industrie is het benchmark-convenant afgesproken, waarbij de zware industrie zich verplicht heeft om aan de wereldtop te voldoen qua energie-efficiëntie. Daarbij is afgesproken dat de Nederlandse overheid het bedrijfsleven vrijwaart van aanvullende maatregelen. Het milieubeleid in Nederland zit dan ook aardig klem. Techniek alleen vormt geen garantie voor een duurzame ontkoppeling. En door de stijgende marginale kosten van technologische toepassingen zal het in toenemende mate ook een dure optie zijn om te komen tot behoud van het milieu.

Dr. Sander de Bruyn promoveerde vandaag aan de VU op het proefschrijft `Economic growth and the environment: an empirical analysis.'