LA Times biecht `doodzonde' op

De Amerikaanse krant Los Angeles Times is gisteren diep door het stof gegaan voor zijn lezers. In een bijlage van veertien pagina's excuseert de krant zich omdat hij uit winstbejag de grens tussen commercie en journalistiek bewust heeft laten vervagen.

De controverse is ontstaan naar aanleiding van een 168 pagina's dik kleurenmagazine bij de krant van zondag 10 oktober over het nieuwe Staples Center, een sportstadion annex vermaakscentrum. Achteraf bleken krant en stadion een handeltje te hebben gesloten. Onderdeel daarvan was dat de LA Times een deel van de 2 miljoen dollar aan advertentie-opbrengsten afdroeg aan het Staples Center. De LA Times was sponsor van het stadion en betaalde in contanten, gratis advertenties en, naar nu blijkt, `gezamenlijke winstprojecten' als het gewraakte magazine.

Dat leidde tot een opstand van de redactie en tot een lawine aan publicaties over het verlies van journalistieke onafhankelijkheid bij de LA Times. Gisteren zette de krant daarom een unieke stap. Na een onderzoek van zes weken mocht media-redacteur David Shaw een vernietigend artikel over de zaak publiceren. Uitgever en hoofdredacteur verontschuldigden zich terzelfdertijd tegenover hun lezers.

Eerder had de legendarische oud-hoofdredacteur Otis Chandler al een open brief laten voorlezen op de redactie, waarin hij het Staples-magazine ,,ongeloofelijk stupide'' noemde. ,,Je kan een een grote krant als de LA Times niet met succes leiden met topmanagers die geen enkele ervaring hebben met kranten''. Chandler wees daarmee met de beschuldigende vinger naar Mark Willis, hoofd van de Times Mirror Group en tot 1998 uitgever van de LA Times. Willis had in zijn tijd meermalen laten weten `De Muur' te willen slechten tussen advertentieafdeling en redactie van de LA Times. ,,Desnoods met een bazooka.''

Zijn opvolger Kathryn Downing rondde dat karwei dit jaar met succes af. Zij was manager bij een cornflakes-fabriek voor ze in 1995 overstapte naar de Times Mirror-groep. Downing zegt nu dat ze handelde uit ,,fundamenteel onbegrip'' van journalistieke ethiek. Haar idee was dat, zolang ze de redactie niets vertelde over het arrangement met het Staples Center, de journalisten die aan het magazine meewerkten hun integriteit zouden behouden. ,,Ik hoop niet dat ik word gehangen omdat ik nog in mijn leerproces zat'', laat ze weten.

Media-redacteur David Shaw stelt dat dit voor de lezers niets uitmaakt. Zij kregen een ,,glossy, advertentie-vet magazine met een onontkoombaar commercieel en promotieachtig gevoel'' op de mat, gepresenteerd als onderdeel van de krant. En op de redactie gelooft niemand dat degenen die het magazine tevoren zagen niet wisten dat ze een reclamefolder schreven. Zo was er in het midden van het magazine een stuk over de constructie van het sportstadion. Om die te zien, moest de lezer een Toyota-advertentie openvouwen.

Zo, schrijft Shaw, is op de LA Times een Watergate-achtige sfeer van diep wantrouwen ontstaan, die zich richt op hoofdredacteur Michael Parks. ,,Wat wist hij en wanneer wist hij het?'' – dat zijn de vragen van `Staplesgate'. Collega-hoofdredacteuren zeggen dat Parks een doodzonde beging tegen de journalistieke ethiek als hij het wel wist, en blijkgeeft van vergaande incompetentie als hij het niet wist. Het eerste lijkt het geval.

De misstap van de LA Times, en het openbare zelfonderzoek dat daar nu op volgt, heeft volgens veel media-waarnemers een gezond effect. De journalistieke onafhankelijkheid van kranten, onder druk door de angst bij advertentieafdelingen over de toenemende concurrentie door nieuwe informatiedragers als Internet, is met het schandaal herbevestigd. Maar, zo schrijft Shaw, veel journalisten zien het Staples-magazine als niet meer dan ,,de al te zichtbare en lelijke top van een ijsberg van enorme proporties - een mentaliteit van drijf-de-winst-op, drijf-de-aandelenkoers-op, die journalistieke kwaliteit, integriteit en reputatie bedreigt.''