Bewindsman, staak uw stedenstrijd

Hoed u voor politieke metaforen over oorlogvoerende voetbalclubs, ook al worden ze gebruikt door de beste sprekers uit de politiek. In de Tweede Kamer is opgemerkt dat het touwtrekken over de toekomst van het Instituut voor Beeldcultuur in een onvruchtbare Feyenoord-Ajax rivaliteit dreigt te ontaarden, maar de besturen van Feyenoord en Ajax hebben het nog nooit zo bont gemaakt als de partijen die nu over de vestiging van het toekomstige Instituut voor Beeldcultuur vechtend over straat rollen.

De recente `politieberichten' leveren daarvan de bizarre bewijzen. In willekeurige volgorde: De directeur van het Nederlands Filmmuseum krijgt van haar Bestuur de kous op de kop, omdat ze, zonder bestuurlijke rugdekking, een verbond heeft gesloten met de foto-instellingen die zich willen aaneensluiten op de Kop van Zuid in Rotterdam. De directeur loopt warm voor verhuizing van haar Amsterdamse museum naar Rotterdam, maar vindt zowel het bestuur als een deel van het personeel tegenover zich. Ze moet zich op haar positie beraden, zegt de voorzitter van het bestuur, als ze het bestuur voor de voeten blijft lopen. Staatssecretaris Van der Ploeg van Cultuur wordt door het bestuur van het Filmmuseum in één adem van valse voorlichting beticht. ,,Het is beneden alle peil dat de staatssecretaris onjuiste informatie geeft uit een vertrouwelijk gesprek''. Van der Ploeg heeft op grond van informele indrukken aangenomen dat het bestuur van het Filmmuseum verdeeld is over een eventuele verhuizing naar Rotterdam, maar gaat er gemakshalve aan voorbij dat het bestuur misschien wat traag, maar steeds met ondubbelzinnige unanimiteit heeft gesproken. Dezelfde bewindsman kan tegen de zoveelste radiomicrofoon die hij te pakken krijgt de verleiding niet weerstaan het bestuur van het Filmmuseum lik op stuk te geven. Het bestuur, oordeelt hij, kan beter zijn biezen pakken.

Intussen komt er ook een zekere onenigheid aan het licht in de Raad voor Cultuur, die naar buiten steeds eenstemmig pro-Rotterdam heeft geadviseerd, maar intern bij nader inzien toch een wat genuanceerder standpunt over `Rotterdam' lijkt te hebben. De vertrekkende voorzitter van de Raad J. Jessurun heeft op 1 december een ondersteunende brief aan de staatssecretaris van Cultuur geschreven, die niet meer dan een eenmansactie blijkt te zijn. ,,Met verbazing en ergernis heeft de Raad kennisgenomen van het persbericht waarin het bestuur van het Nederlands Filmmuseum op 30 november j.l. kenbaar maakte niet te kiezen voor integratie van het museum in een Centrum voor Foto, Film en Media Cultuur.'' Enkele leden van de Raad maken er bezwaar tegen dat zij niet in de opstelling van die brief gekend zijn. Zij voelen zich er niet door gebonden en vinden het merkwaardig dat de Raad (die dus niet als collectief heeft gesproken) zich op dit moment ongevraagd en zonder aanwijsbare noodzaak in het conflict heeft gemengd.

Het is bijna onmogelijk in de kluwen van de in de clinch verknoopte partijen de uitgangspunten van het beleid van staatssecretaris Van der Ploeg nog te onderscheiden, maar één ding staat ook voor de staatssecretaris vast: als het Filmmuseum niet naar Rotterdam wil, kan het niet worden gedwongen. De Kamer, geïrriteerd door de weinig verheffende ruzie waarop zijn beleid intussen is uitgelopen, probeerde hem vorige week in de verkeerde richting te dringen door een dwingend besluit van zijn kant uit te lokken. Van der Ploeg was verstandig genoeg om daar niet aan toe te geven. Er valt niets te dwingen, aldus de staatssecretaris, omdat het Filmmuseum autonoom is.

Als de staatssecretaris zich niet door de Rotterdamse partij en de daarmee verbonden lobby's van de wijs laat brengen en blijft opkomen voor de autonomie van het Filmmuseum, is het mogelijk dat de geest van redelijkheid nog over alle partijen terugkeert. Het is niet uitgesloten dat het Filmmuseum er uiteindelijk wel oren naar heeft enkele van zijn activiteiten naar Rotterdam te verplaatsen. Van der Ploeg moet dat echter niet willen bereiken door dwang van de subsidiekraan. Wat hij daarover in de Kamer heeft meegedeeld, blinkt niet uit door consistentie. Men kan niet op het ene moment zeggen dat `het veld' beslist (de instellingen die het beeldinstituut moeten gaan vormen) om op het volgende moment een negatieve beslissing van een der instellingen te negeren.

Stopzetten van de subsidie is volgens Van der Ploeg geen optie. Dat zou pas kunnen na een uitspraak van de Raad voor Cultuur. Alleen de extra subsidie, die het Filmmuseum als een worst voor de bek is gehouden om de animo voor verhuizing te prikkelen, kan worden ingetrokken. Het is van tweeën een: het autonome Filmmuseum maakt zelf uit of het meewerkt aan de plannen voor een nieuw nationaal beeldinstituut in Rotterdam of de staatssecretaris probeert via open overleg het Filmmuseum voor zijn voorkeur voor Rotterdam te winnen. Maar hij moet geen leading questions stellen die de Raad voor Cultuur kunnen uitlokken tot het uitbrengen van een advies om de subsidie aan het Filmmuseum in te trekken. De staatssecretaris moet zich trouwens niet achter de Raad voor Cultuur verschuilen. Hij is in het geheel niet verplicht de adviezen van die Raad op te volgen, zo min als hij gehouden is de Rotterdamse voorkeuren te volgen die op zijn departement een sterke woordvoerder hebben gevonden in de directeur-generaal voor de kunsten, de vroegere Rotterdamse wethouder J. Riezenkamp. Rotterdam moet op de nodige steun van de rijksoverheid kunnen rekenen wil het zijn uitverkiezing als culturele hoofdstad van Europa waar kunnen maken. Het spreekt vanzelf dat het Rijk daarvoor met extra middelen over de brug komt. Maar dat betekent niet dat het Amsterdamse Filmmuseum aan de ambities van Rotterdam ondergeschikt moet worden gemaakt, laat staan opgeofferd.

Wat van Van der Ploeg verwacht wordt, is bovenpartijdig beleid, dat een eind maakt aan een onvruchtbare stedenstrijd. Hij moet zich doen kennen als een bemiddelende overheid, niet als een partij temidden der strijdende partijen.