Bellen in de woestijn

Twee aanbieders van mobiele telefonie per satelliet zitten diep in de financiële problemen. Geld en een goede marketingstrategie zijn grotere problemen dan de techniek. En het blijft onrustig in de satelliet-arena. Terwijl de race voor mondiaal werkende zaktelefoons nog lang niet is uitgelopen, klinkt het startschot voor de wedloop naar mobiel, licht, supersnel en betaalbaar internetten.

Bij een rondgang door al dan niet overdekte publieke ruimtes in onze contreien krijg je de indruk dat mobiele telefonie onstuitbaar opkomt. Maar in mondiaal perspectief roept het westen – zoals wel vaker – een zwaar vertekend beeld op: negentig procent van het aardoppervlak is niet aangesloten. En om overal in de resterende tien procent te kunnen bellen heb je zeker een half dozijn zaktelefoons nodig doordat er verschillende transmissiesystemen in gebruik zijn. De bijna Europawijde dekking door één systeem (GSM) is uitzonderlijk: in de Verenigde Staten alleen al zijn het er [een stuk of] drie. Bijkomend probleem, vooral in arme landen, vormen de geïsoleerde netwerken: in en rond een bepaalde stad kun je bellen, maar betrouwbare verbindingen met de rest van de wereld ontbreken.

Ongeveer twaalf jaar geleden begon de ideevorming over een categorische oplossing voor deze problemen bij satellietbouwers (zoals Space Systems Loral en het Italiaanse Alenia Spazio), bouwers van mobiele telefoons (Qualcomm en Motorola), en de International Maritime Satellite Organisation (Inmarsat) in Londen, die sinds 1982 wereldwijd satelliettelefonie voor de scheepvaart verzorgt. Voor de eerste Inmarsat-telefoons had je inderdaad een schip nodig: ze wogen een paar honderd kilo, kostten meer dan een ton, en het tarief bedroeg een gulden of achttien per minuut. Doel van alle nieuwe plannen was te komen tot een zaktelefoon die per satelliet communiceerde op plaatsen waar een (compatibel) mobiel netwerk ontbrak. Om de apparatuur klein en licht te houden moesten de satellieten laag om de aarde draaien. Vanaf 700 of 1.400 kilometer `ziet' een satelliet een gebied van hooguit een paar duizend kilometer doorsnee, dus waren er veel satellieten en veel grondstations nodig om de hele aarde te dekken. En dus was er veel geld nodig, drie tot vier miljard dollar per systeem. Minstens zo lastig was het verkrijgen van toestemming voor gebruik van de telefoons in meer dan 200 landen: de plaatselijke PTT's zouden door de komst van dit soort passeersystemen zeker inkomsten gaan derven, en minder democratische regimes vreesden de telefoons niet te kunnen afluisteren. Techniek was nooit het grote probleem.

Het eerste systeem, Iridium van een consortium onder leiding van Motorola, werd een jaar geleden operationeel – en flopte. Een half jaar later waren er nog geen 15.000 gebruikers. De grondstations, de satellieten, de licenties, de financiering... alles werkte en klopte, behalve een goede marketingstrategie. De advertentiecampagne van medio 1998 – Welcome to your new office. It measures 510.228.030 square kilometers – resulteerde in drie miljoen reacties. Iridium had echter niet gekozen voor het grote publiek en smalle winstmarges, maar voor de internationale zakenman voor wie geld niet telt: de eerste telefoons kostten bijna tienduizend gulden en een gulden of tien per gespreksminuut.

Francis Latapie, Iridiums vice-president voor overheidszaken, zorgde ervoor dat Iridium-bellers nu in 160 landen hun gang kunnen gaan. Dat is een wonder, want regulering gold lang als het grootste probleem. ,,Er zullen nog boeken worden volgeschreven met analyses over wat er fout ging'', verzucht hij. ,,We kozen voor het verkeerde marktsegment. Je kunt niet verwachten dat top executives met dit soort telefoons gaan rondlopen.'' Op tafel ligt er een van Motorola (nu 999 dollar) en een van Kyocera (1.495 dollar), elk een gram of 400 zwaar en bijna twintig centimeter lang. Dat past nog net in een zak, maar telefoneren lukt alleen als de vijftien centimeter lange antenne is uitgeklapt. Een ander probleem is dat je een vrije lijn naar de satelliet moet hebben, zonder bomen of beton ertussen, en dat de satellieten bewegen: wie belt via een kunstmaan die ineens achter een huis zakt, terwijl de volgende nog niet aan het firmament is verschenen, zal alleen verbinding kunnen houden door een stukje te lopen – zonder te weten waarheen. Latapie: ,,Binnenkort worden de telefoons nog een stuk kleiner, de aanschafprijzen en tarieven zullen verder dalen, en dan zal blijken dat de markt wel degelijk bestaat. Punt is ook dat wat wij bieden vrij onbekend is. Hoe meer erover wordt gepraat, hoe groter de markt.''

Bewijs voor die stelling werd geleverd nadat het in Amerika gevestigde bedrijf op vrijdag 13 augustus surseance van betaling (`chapter 11' in de VS) kreeg en aan een hectische herstructurering begon. Na de wereldwijde aandacht voor de problemen van Iridium steeg de verkoop, soms tot boven de duizend telefoons per dag, en volgens Latapie is er een verband. Op dit moment heeft Iridium ongeveer 50.000 gebruikers.

Na jaren van groot optimisme in de wereld van de satellietcommunicatie zorgden de problemen rond Iridium voor een schok en veel repercussies. De tweede in de race naar mobiele satelliettelefonie, Globalstar, was al zo dicht bij de finish dat financiers de invoering niet tegenhielden. Sinds twee maanden is het systeem operationeel. Maar nummer drie, ICO, ging twee weken na Iridium ook in surseance. ICO splitste zich in 1995 af van Inmarsat, met onder meer Inmarsat zelf als belangrijke investeerder. Inmarsat werkt met satellieten die stilstaan ten opzichte van de aarde – wat alleen lukt bij een baanhoogte van precies 35.786,1 kilometer – en wilde bij zijn leest blijven.

ICO zou wel eens het grote slachtoffer kunnen worden van Iridiums marketingfout. Bij 's werelds grootste satellietbouwer, Hughes in Los Angeles, staan nu twee ICO-satellieten klaar voor lancering, zes andere zijn in aanbouw. Van de 12 grondstations zijn er 11 verrezen, maar nog niet ingericht. Van de benodigde 4,2 miljard dollar ontbreekt nog 1,2 miljard. Kortom: het plan is halverwege realisatie. In april 2001 moet ICO operationeel worden, maar hebben de investeerders genoeg vertrouwen om het zo ver te laten komen? Perschef Surinder Hundal: ,,Het is sinds de problemen met Iridium zoveel lastiger een miljard bij elkaar te krijgen dan een jaar geleden. Wat we nu bovenal nodig hebben is dat Globalstar een succes wordt, zodat de financiële wereld nieuw vertrouwen krijgt in satellietprojecten.'' Ze benadrukt dat ICO vrijwillig in surseance ging: ,,Het was puur om tijd te rekken die we nodig hebben voor de resterende financiering, en om te voorkomen dat onze investeerders ons tot sluiting zouden dwingen. Veel mensen begrijpen dat niet en zien een chapter 11 constructie als een negatief signaal. Het helpt ons juist, je moet er alleen niet te lang in blijven zitten.''

Misschien hoeft dat ook niet. De Amerikaanse rechter, die voorlopig het laatste woord heeft over de ICO-financiën, gaf op 3 december het groene licht aan de Amerikaanse mobiele-telefoniekoning Craig McCaw en de Indiase mediamagnaat Subhash Chandra om respectievelijk 62 en 38 procent van de resterende 1,2 miljard dollar te fourneren. Als dat lukt zou over een half jaar een einde kunnen komen aan de surseance van ICO.

Vraag is natuurlijk waarom iemand zoveel wil uitgeven aan een bedrijf in problemen met veel concurrentie. Voor McCaw heeft dat weer te maken met het Iridium debâcle. Samen met Microsoft-chef Bill Gates is hij sinds 1990 een van de financiers van Teledesic, een uiterst ambitieus en redelijk vergevorderd plan om met 288 laagbanige satellieten (kosten: 9 miljard dollar) de hele planeet vanaf 2004 in één klap van supersnelle Internet-verbindingen te voorzien. Ook voor Teledesic is het nu veel moeilijker investeerders te vinden. De notoir zwijgzame McCaw wil de ICO-vloot wellicht gebruiken als een opstap naar Teledesic. De satellieten zouden dan vooral voor mobiele Internet-verbindingen worden gebruikt, voorzover de (nu niet meer wijzigbare) technische specificaties dat toelaten. Verder liet McCaw (die zijn mobiele telefonie-imperium McCaw Cellular in 1994 voor elf miljard dollar aan AT&T verkocht) onlangs weten belangstelling te hebben voor Iridium, dat nu in acute geldnood zit en van hoofdinvesteerder Motorola tot 15 februari de tijd heeft gekregen om een oplossing te vinden. Anders dreigt sluiting.

McCaw ging een paar weken geleden ook langs bij Inmarsat-topman Michael Storey, vertelt laatstgenoemde: ,,Gewoon om te zien of we iets voor elkaar konden betekenen. Persoonlijk heb ik niet de indruk dat Teledesic ooit zal worden gerealiseerd.''

De ontmoeting zegt ook iets over Inmarsats verschuiving van telefonie naar Internet. Sinds 1982 zijn de telefoons uiteraard dramatisch veel lichter (vanaf twee kilo) en goedkoper (vanaf 6.000 gulden) geworden. Het gesprekstarief schommelt nu tussen drie en vijf gulden per minuut. Groot verschil met de Iridium-, Globalstar- en ICO-telefoons is dat de gebruiker een antenne moet richten op een van de Inmarsat-satellieten en dus niet echt mobiel is, en dat de enorme afstand tot de satelliet om een relatief krachtige stroombron vraagt. Een positief verschil: Inmarsat-verbindingen worden nooit verbroken doordat er ineens een satelliet achter een berg of flatgebouw verdwijnt. (Bellen vanuit een huis lukt met geen enkele satelliettelefoon, tenzij je bij een raam zit.) Deze zomer stuurde Iridium een partij telefoons naar Kosovo voor gratis gebruik door de vluchtelingen, maar de pr-actie werkte deels averechts: na jaren van mooie woorden over Iridium kon de pers ineens vaststellen dat de oude vertrouwde Inmarsat-telefoons aanzienlijk beter werkten dan de laagbanige concurrent. Overigens is de gesprekskwaliteit van Globalstar weer beter dan van Iridium.

Op dit moment zijn er 175.000 Inmarsat-terminals (in veel maten en soorten) in gebruik, en van de kleinste telefoon (Mini-M) worden er 500 per week verkocht. Zonder Inmarsat zouden tientallen noodhulporganisaties, honderden journalisten en duizenden bedrijven niet goed of zelfs helemaal niet kunnen functioneren. Nu Inmarsats feitelijke monopolie voor mondiaal bellen door Iridium en Globalstar is doorbroken, zou de onderneming zich in toenemende mate kunnen richten op mobiele Internet-verbindingen, en vandaar dus het bezoek van McCaw aan Storey. Nu al worden de Inmarsat-telefoons gemiddeld twintig procent van de beltijd gebruikt om in te loggen bij Internet-serviceproviders. De topsnelheid van Mini-M ligt rond 2400 bit per seconde, maar sinds oktober is er de M-4, een apparaatje van vier kilo en ruwweg 10.000 dollar waarmee je een laptop midden in de Sahara kunt voorzien van een 64 kilobit/sec verbinding. Voorlopig betaalt de M-4 gebruiker nog per minuut (veertien gulden!), maar in de loop van 2000 gaat dat per ontvangen of verzonden kilobyte. Duur zal het voorlopig blijven. Storey: ,,M-4 dient vooral om de markt op te warmen voor snellere en goedkopere Internet-verbindingen. Het hele verschil tussen spraak, fax en data vervaagt. Het is nu allemaal digitaal en digitaal betekent verzending met het Internet Protocol IP. Alternatieve protocols als X-25 zullen compleet door IP worden verdrongen. We leven nu in de Internettijd.''

Met de volgende generatie satellieten wil Inmarsat 432 kilobit per seconde gaan bieden, als is nog even onduidelijk waar het geld vandaan moet komen. En het benodigde stuk radiospectrum. Beide zijn schaars, al gaan de Inmarsat-zaken op dit moment zo goed dat een flink percentage eigen financiering mogelijk is. Storey beaamt het bestaan van een kip-ei relatie tussen geld en radiospectrum: investeerders willen eerst weten of een satellietplan genoeg spectrum heeft kunnen verwerven; en spectrum wordt pas toegewezen (in eerste instantie door de International Telecommunication Union, en vervolgens door de ITU-lidstaten afzonderlijk) als een plan levensvatbaar is. Een eerder plan voor mobiel Internet, Horizons, werd vorig jaar verworpen door de 85 Inmarsat-lidstaten, en dan vooral door grootaandeelhouder (17 procent) Amerika, mede omdat de spectrumkwestie niet was opgelost.

Nu ligt dat anders. Als eerste internationale organisatie in de geschiedenis verbouwde Inmarsat zichzelf tot een gewoon bedrijf, en een openbare aandelenemissie van rond de 400 miljoen dollar staat voor medio 2001 op het programma. ,,Niet eerder'', zegt Storey, ,,want investeerders willen een begrijpelijke en exact gedefinieerde groeistrategie zien – en we hebben tijd nodig om de bedrijfscultuur om te gooien.'' Dat lijkt goed te lukken: op 29 november besloot Inmarsats raad van commissarissen (onder wie Dick Hoefsloot van KPN) om een nieuwe generatie Inmarsat-satellieten (twee in de ruimte en een reserve aan de grond) à 1,4 miljard dollar te bestellen voor wereldwijd mobiel internetten. Het illustreert tevens de blijvende onrust in de satelliet-arena: terwijl de race voor mondiaal werkende zaktelefoons nog lang niet is uitgelopen, klinkt het startschot voor de wedloop naar mobiel, licht, supersnel en betaalbaar internetten vanuit Binnen Borneo en de Kalahari Woestijn.