Aandacht voor rampen moet beter verdeeld

De laatste drie inzamelingsacties hebben de Samenwerkende Hulporganisaties zoveel geld opgeleverd dat het niet meer te evenaren valt. Het moet in de toekomst anders. `Meer balans, iedere ramp evenveel aandacht.'

Drie acties in dertien maanden leverden de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) een kwart miljard gulden op. Mitch, Kosovo en Turkije brachten bijna net zoveel op als alle acties in de tien jaar daarvoor.

Dat succes is nauwelijks te evenaren, meent de SHO. ,,Dit is niet langer vol te houden'', zegt SHO-voorzitter Jack van Ham. ,,Het gevaar bestaat dat er actiemoeheid ontstaat onder het publiek'', vreest Klaas Keuning van Stichting Vluchteling. ,,En inhoudelijke actie-inflatie'', aldus Jan Wijbrandi van Artsen zonder Grenzen.

Het samenwerkingsverband van tien Nederlandse hulporganisaties heeft daarom vorige week besloten de aanpak te veranderen.

De SHO haalt geld op om hulp te verlenen bij rampen elders in de wereld. Het samenwerkingsverband bestaat nu ruim tien jaar. De coalitie tussen de tien Nederlandse hulporganisaties is gevormd om versplintering tegen te gaan. En om een einde te maken aan de bizarre situatie dat bij elke ramp elke hulporganisatie binnen zijn eigen zuil zijn eigen fondsenwervende acties voerde - in de krant, op de radio, op televisie.

De eerste actie was een groot succes. Met Afrika Nu haalde de SHO (toen nog onder een andere naam) eind 1987 51 miljoen gulden op. In de tien jaar daarna werd dat resultaat één keer overtroffen – met de nationale actie voor Rwanda in 1994 toen de SHO meer dan 70 miljoen gulden ophaalde, zo blijkt uit cijfers van de Novib dat het archief van de SHO bijhoudt.

De opbrengst van de acties gaat aan de hand van een steeds wisselende verdeelsleutel naar de deelnemers aan de SHO: het Rode Kruis, de Novib, SOH/Kerken in Actie, Mensen in Nood, Unicef, Terre des Hommes, Artsen zonder Grenzen, Tearfund, Stichting Vluchteling en (er later bijgekomen) Memisa. Zij gebruiken hùn deel van de opbrengst voor hùn deel in de ramphulpverlening.

Na de start met Afrika Nu in 1987 was er gemiddeld één keer per jaar een SHO-actie. Met inkomsten van een paar honderd duizend gulden per actie (150.000 gulden voor Noodhulp Orkanen in 1989), enkele miljoenen (4 miljoen voor India Geschokt in 1993), enkele tientallen miljoenen (17,8 miljoen voor Soedan Sterft van de Honger in 1998), en – zoals gezegd – met een enkele uitschieter van boven de 50 miljoen gulden per actie.

Het afgelopen jaar heeft een omslag plaatsgevonden: drie grote uitschieters tussen november 1998 en augustus 1999. De actie voor hulp aan de door de orkaan Mitch getroffen gebieden in Latijns-Amerika leverde 82 miljoen gulden op. De actie voor de oorlogsgebieden in Kosovo genereerde het recordbedrag van 114 miljoen gulden. En de actie voor de door een aardbeving getroffen gebieden in Turkije bracht tot nog toe 65,5 miljoen gulden op, terwijl het einde van de fondsenwerving nog niet in zicht is.

De aangesloten hulporganisaties toonden zich vorige week lichtelijk bezorgd over deze trend. Hoe lang valt deze frequentie van fondsenwerving met zulke hoge opbrengsten nog vol te houden? ,,Vroeger was het al mooi als je met een actie vijf à tien miljoen gulden ophaalde'', constateert SHO-voorzitter Van Ham. ,,Inmiddels ligt de meetlat zó gigantisch hoog dat je zeker zestig miljoen gulden per actie moet werven, wil de actie niet als mislukt worden bestempeld.''

De betrokkenheid van het publiek is natuurlijk ,,hartverwarmend'', zegt Keuning van Stichting Vluchteling. Maar de succesvolle acties hebben hun keerzijde. De nationale SHO-acties voor de `populaire' rampen zouden volgens Keuning de fondsenwerving voor rampen die minder in de belangstelling staan in de wielen kunnen rijden.

In de periode dat de SHO acties op touw zette voor Mitch, Kosovo en Turkije, deden zich tegelijkertijd even grote rampen voor in andere delen van de wereld, vertelt Van Ham. In China, India en Vietnam bijvoorbeeld. ,,Daar was nauwelijks aandacht voor. Gezien de omvang rechtvaardigden deze rampen wel grote acties.''

Jan Bouke Wijbrandi van Artsen Zonder Grenzen waarschuwt voor `inhoudelijke actie-inflatie'. Door de grote landelijke acties wordt een ,,enorm momentum'' gecreëerd in de media voor ,,die ene ramp''. Andere rampen krijgen hierdoor nog minder `inhoudelijke aandacht' dan ze anders al zouden hebben gekregen, aldus Wijbrandi. ,,Wij vinden dat de aandacht ook naar andere punten in het nieuws moet. Het gaat niet alleen om de centen.''

Van Ham zou ,,meer balans'' in de fondsenwerving van de SHO willen brengen ,,waarbij iedere ramp evenveel aandacht zou moeten krijgen''. De SHO gaat hierover met `de media' en met `de politiek' praten en hoopt op de eerstkomende vergadering medio januari een aanzet te kunnen geven voor een `nieuwe actie-strategie'.

Binnen de SHO wordt ondertussen gesproken over de mogelijkheid om het samenwerkingsverband alleen bij `echt hele grote' rampen uit te laten rukken – met onder meer nationale televisieacties. Bij wijze van spreken wèl voor Kosovo maar nìet voor Turkije, aldus Keuning. De fondsenwerving voor de `niet echt hele grote' rampen zou dan overgelaten moeten worden aan een paar leden van de SHO die het meest bij die ramp zijn betrokken. Met andere woorden: overlaten aan gelegenheidscoalities.