Tempo Doeloe

Het is niet voor niks dat de zondagochtend-kinderserie De Daltons ouderwets aandoet. Waar vind je nu nog zo'n middenklassegezin in zo'n mooi oud huis met zo'n prachtige tuin. Moeder thuis, vader de hele dag naar zijn werk. 's Avonds eet hij in wit overhemd zijn bordje leeg, terwijl moeder vertelt over het gezin. De kinderen zijn altijd buiten. Je ziet ze fietsen door het bos en avonturen beleven. Zonder geleide van oppas of ouder en dat is echt van vroeger. Zulke vrijheid voor kinderen bestaat nauwelijks nog.

Maar leren de eigenwijze Achterwerk-kinderen van de progressieve omroep niet de verkeerde rolpatronen? Straks denken ze nog dat moeder thuis hoort te zitten. Al dat werk van Stichting Ideële Reclame en Postbus 51 voor niets.

Ik kan het dilemma van de programmamakers wel begrijpen. Ik wil niet zeggen dat de huidige generatie kinderen het slecht heeft, maar er is geen drama. Onder toezicht van een oppas zouden ze veilig thuis of op de crèche computerspelletjes spelen. Op de plek van dat bos zou allang een Vinexwijk staan, achter een brede, onneembare asfaltrivier. De ouders zijn weg om de hypotheekaflossing op dat fantastische huis te verdienen. En als ze thuis komen, brengen ze de kinderen op de achterbank naar ballet, hockey, tennis of muziekles. De vader zou niet zelf zijn fietsband plakken maar de kinderen in zijn lease-auto naar De Efteling rijden. En het kleinste kinderfrustratietje bepleisteren. Quality Time.

De jaren-vijftig-setting biedt kinderen een eigen wereld zonder inmenging van volwassenen. Gelukkig missen De Daltons de zoetigheid van nostalgie. Ik heb kleuters en kinderen zelden zo naturel zien spelen. Meestal krijgen ze iets opdreunerigs. Gisteren wilden ze een hamster en moeder had daar de gebruikelijke bezwaren tegen. Je moet zo'n dier verzorgen, schoonmaken.

,,Je ruimt niet eens je eigen kamer op'', zegt ze.

,,Maar ik ben ook geen hamster'', antwoordt het jongetje.

Hoogtepunt vond ik de strijd tussen rivaliserende clubs, die ik me zelf nog herinner. Kinderen zijn minder naïef dan ze zich voordoen. Het oudere broertje had een club opgericht en dus ging het jongere broertje met zijn buurjongetje, in welpenuniform, een tegenclub oprichten. Met een eigen wachtwoord. Het oudere broertje wist het welpje tot zijn club over te halen maar het werd gedwongen om bij wijze van ontgroening in een hoge boom te klimmen. Daar bleef het welpje zitten want het durfde er niet meer uit. Hard en realistisch. De brandweer moest er aan te pas komen. Het was in schaduwrijk zomerlicht gefilmd.

Ach, de geboortengolvers lazen Pietje Bell. Zo wordt iedere generatie opgevoed met de jeugd van de generatie daarvoor. Omdat het voor een scenarioschrijver makkelijker is de eigen jeugd op te roepen dan zich de huidige voor te stellen. Wie zich in de jeugd van tegenwoordig inleeft, doet dat als opvoeder, als moralist. Daar vallen volwassen prijzen mee te winnen.

Onsentimentele heimwee was ook te vinden in De Gordel van Smaragd van regisseur-scenarist Orlow Seunke. De speelfilm uit 1997 was als driedelige televisieserie geslaagd. Het ging over Indië, vlak voor, tijdens en na de Japanse bezetting. Het drama werd aangevuld met zwart-witte archieffilms van de Japanse bezetting, de politionele acties. Ik begon me die tijd echt voor te stellen, de onderdrukking in de plantage, de vogelvrijheid van mensen met een blank uiterlijk in de Japanse bezetting.

De hoofdfiguren en geliefden, Theo (Pierre Bokma) en Ems (Esmée de la Bretonière), waren geen helden of schurken maar sloegen zich er doorheen en dat maakte het zo tragisch. Keuzes waarop wroeging volgt. Theo verraadde tijdens martelingen zijn medesaboteurs van de Japanse bezetter. Die werden ter dood gebracht, maar hij niet, want zijn vriendin, de Indonesische Ems, verleidde een Japanse officier om hem te redden. Theo moest naar het kamp. Na de oorlog proberen ze hun bestaan op de plantage bij elkaar te rapen, tevergeefs. Tempo doeloe komt niet terug.