Rol

De eerste ruïne ziet eruit alsof God Zijn duim in het dak stak, tot de kelder toe. Na honderd meter de tweede. Langs de weg het wrak van een autobus. Na twee kilometer staan er alleen nog maar skeletten, verstrooid over de heuvels. Ik nader het slachthuis Srebrenica, waar de Nederlandse verdedigers in 1995 welgeteld 500 kogels afvuurden en één boerenhek bombardeerden, om daarna opgelucht hossend het land te verlaten. In 1990 was het nog een lieflijk kuurstadje, niet meer dan één brede straat, waar de jeugd 's avonds flaneerde en de obers van het Stadscafé zich kleedden in witte jasjes met een vlinderstrik. Nu rest weinig anders dan kale muren en stilte. In de beek liggen nog een paar brokken van de zelfgemaakte elektriciteitsmolentjes uit de hongerwinter, op een muurtje bij de ingang van de accufabriek staat, vaag, DUTCHBA.

Het dorp is vol gevluchte stadsmensen die proberen te overleven. Het koffiehuis heet 071: het netnummer van Sarajevo.

Het ziekenhuis zat net drie weken zonder elektriciteit, totdat de artsen en verpleegsters de rekening zelf maar betaalden. De manager van het hotel – hij redde een paar moslims het leven – smeekt om investeringen. ,,Niemand wil ons helpen, zolang die ultraradicalen hier de dienst uitmaken.''

In het café tref ik de eigenaar van de accufabriek. Zijn vader is pas begraven, alles is failliet, en zijn woorden komen traag en dronken: ,,Holland, ach, Holland, ja. Ze waren niet slecht, die Hollanders. Alleen zo jong. Meisjes. Moesten ons beschermen. Speelden geen enkele rol. Heb ze nog uitgezwaaid. Dank jullie wel. Zo jong...''