Praktisch architect

De woensdag overleden architect Ernest Groosman was een van degenen die met grenzeloos optimisme na de Tweede Wereldoorlog de toon aangaven voor de wederopbouw-architectuur. Hij was hierbij de eerste die er volledig van was doordrongen dat de woningnood alleen met de geïndustrialiseerde bouwmethoden kon worden bestreden. Zijn woningbouw droeg in belangrijke mate bij aan de architectuur uit de periode 1955-1965.

Groosman begon zijn loopbaan bij Van Ravesteyn en daarna bij Van Tijen & Maaskant begon Groosman. Hij tekende aan Diergaarde Blijdorp, aan het Groothandelsgebouw en aan het eerste woongebouw op het Zuidplein, alle drie inmiddels beroemde Rotterdamse gebouwen. Hij studeerde aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam en werd direct daarna opgenomen in de architectenvereniging `de Opbouw'.

In 1948 richtte hij zijn eigen architectenbureau op, dat zou uitgroeien tot een van de grootste van Nederland. Ik had het voorrecht daar als student te werken en van hem te leren. In 1955 realiseerde hij zijn beste werk, de Parkflat, een voor die tijd luxe woongebouw schuin tegenover de Kunsthal met uitzicht over het Maaspark. Met deze doos op poten uit baksteen, glas en beton, leverde hij een prototype voor woningbouw.

Het woningbouwvraagstuk werd door Groosman en zijn generatie anders benaderd dan nu: minder ijdel en meer bereid om het ontwerpvraagstuk in het verlengde van door uitvoeringstechnieken bepaalde oplossingen te benaderen. Hun stedenbouw was ruim en open, zodat moderne technieken dankbaar als middel konden worden ingezet. Tienduizenden woningen werden door zijn bureau ontworpen. Ze staan in Zuidwijk, Pendrecht, Alexanderpolder, Schiebroek, Schiedam, Vlaardingen, Rozenburg, Delft en overal elders waar prefab-bouwmethoden als Dura-Coignet, MUWI, en Portes des Lilas werden toegepast. Toen na de `energiecrisis' de weerzin tegen techniek en industrie de overhand kreeg, werd misprijzend gesproken over `kraanbaan stedenbouw'.

Voor Groosman was elk goed ontwerp in beginsel voor herhaling vatbaar en dat deed hij dan ook met professionele overtuiging en persoonlijke charme. Als een product blijkt te voldoen, waarom het dan niet herhalen, was zijn credo. Hij zag massawoningbouw als een maatschappelijke opgave waarbij niet steeds opnieuw het wiel kon worden uitgevonden. De architect Bakema sprak in dit verband over `de kwaliteit van de kwantiteit'. Dit werd later door Aldo van Eyck omgekeerd tot `de kwantiteit van de kwaliteit', waarmee hij de Nederlandse architectuur van een loodzwaar moralisme voorzag. Groosman onttrok zich aan deze discussies, hij gaf de voorkeur aan praktische oplossingen. Dat hij zich daarbij bediende van het moderne idioom was misschien wel omdat rechthoekige vormen nu eenmaal gemakkelijker zijn te bouwen en te gebruiken dan scheve.

Toen Groosman in 1994 de Oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende kunsten Vormgeving en Bouwkunst ontving, sloot het rapport met de passage: ,,De jury neemt deze gelegenheid dan ook graag te baat om voor een zorgvuldig behoud van dit bijzondere erfgoed te pleiten.'' In verband met de op handen zijnde vernieuwing van naoorlogse wijken, waar de meeste van zijn gebouwen staan, is dit een advies dat hij ongetwijfeld pragmatisch zou hebben opgevat.