Kremlin vooruit

HET KREMLIN HEEFT de parlementverkiezingen in Rusland gewonnen. De oppositie heeft ze verloren. De partijen en coalities die in de, ook naar Russische maatstaven, ongekend vunzige campagne openlijk of heimelijk werden gesteund door president Boris Jeltsin en zijn entourage hebben een opmerkelijk succes geboekt. De pas dit najaar gelanceerde formatie Eenheid – formeel geleid door minister Sjoigoe maar feitelijk een frontorganisatie voor premier Poetin – heeft haar aanspraken op de macht waargemaakt. De propaganda van deze grasgroene partij was in buitengewoon goede handen bij de staatsomroep van de financiële oligarch Berezovski. Zij heeft de grote concurrent Vaderland-Heel Rusland van ex-premier Primakov en burgemeester Loezjkov (overigens overtuigend herkozen in de hoofdstad) op afstand gezet. Poetin heeft aldus de door hem ontketende oorlog om Tsjetsjenië, die alom wordt beschouwd als revanche voor Rusland en eerherstel voor zijn leger, in electorale zin weten te kapitaliseren.

Het is geen toeval dat de oppositionele sociaal-liberalen van de econoom Javlinski, die de militaire operatie in de Kaukasus voorzichtig durfde te kritiseren, pijnlijk door de kiezer zijn gestraft. Het is evenmin toevallig dat de onlangs opgerichte coalitie Unie van Rechtse Krachten van de gemankeerde jonge premier Kirijenko succes heeft geboekt. Kirijenko voerde weliswaar een Europese campagne, maar plaatste nimmer kanttekeningen bij de oorlog in Tsjetsjenië. Hij kreeg alle ruimte van de staatsomroepen. Hetzelfde kan gezegd worden over de rapalje-chauvinisten van Zjirinovski, als `geheim wapen' van het Kremlin ook niet weg te slaan van de tv-buis: ze hebben de kiesdrempel van vijf procent ruimschoots gehaald. Zelfs de communisten van de grijze secretaris Zjoeganov, anno 1999 geen hoofdvijand meer van de president, spelen met hun stabiele kwart van het electoraat het Kremlin in de kaart. Ze blijven de grootste fractie in het parlement maar ontberen nog steeds loyale bondgenoten, zodat het Kremlin met de Doema kan blijven spelen.

PREMIER POETIN, door Jeltsin beoogd als zijn opvolger in juni volgend jaar en als beschermer van de familiebelangen, beschikt nu over een comfortabele positie voor de beraamde democratische greep naar de macht. De kiezers, in grotere aantallen opgekomen dan vier jaar geleden, hebben hem bovendien een steun in de rug verschaft om de oorlog in Tsjetsjenië tot het bittere eind te voeren. De Russen hebben kennelijk vertrouwen in het `democratisch patriottisme' dat de centrale macht nu etaleert. Vier jaar geleden was dat anders. In 1995 moest de `partij van de macht' van toenmalig premier Tsjernomyrdin in het zand bijten.

De politieke strijd die vannacht al is losgebarsten over de vraag of de verkiezingen wel eerlijk zijn verlopen en of bijvoorbeeld de regering en haar informele medestanders zoals Berezovski het benodigde electoraat niet hebben gekocht, doet daar vooralsnog weinig aan af. Al staat inmiddels vast dat de verkiezingsuitslag nog op allerlei fronten zal worden aangevochten.

ER ZIJN ECHTER veel mitsen en maren. De stabiliteit is ten dele schijn. De Russische kiezer wil inderdaad rust en vertrouwt die toe aan de heersende macht, die zich baseert op een coalitie van ouderwetse ijzervreters en nieuwe rijken. Maar dan moet dit bondgenootschap de komende maanden wel `leveren'.

Ten eerste dient de oorlog in Tsjetsjenië tot een goed einde te worden gebracht, dat wil zeggen worden gewonnen met een minimaal aantal slachtoffers aan Russische zijde. Ten tweede moeten de werknemers die afhankelijk zijn van het staatsbudget en de gepensioneerden de stabiliteit in hun portemonnee gaan voelen, zoals Poetin aan de vooravond van de verkiezingen heeft beloofd. En ten derde mag de verhouding met de crediteuren van de Russische overheidsschuld in het Westen niet verder verkillen.

Dat zijn drie voorwaarden die niet eenvoudig zijn te honoreren. In Tsjetsjenië is een oorlog gaande die niet alleen in de afgelopen drie maanden al een miljard gulden en veel (verzwegen) slachtoffers heeft gekost, maar van de weeromstuit in het Westen meer aandacht krijgt dan de vorige, tussen 1994 en 1996.

Zelfs als de `antiterroristische campagne' succesvol wordt afgerond, is het leed nog niet geleden. De generale staf verwacht de komende jaren zeker twaalfduizend soldaten permanent in Tsjetsjenië te moeten stationeren, wat ten koste kan gaan van de eveneens dure atoomstrategische ambities van de militaire top. Om nog maar te zwijgen van de beloofde wederopbouw van de verwoeste Kaukasische republiek.

BELANGRIJKER NOG is de politieke cultuur in Rusland. De burgers hebben gisteren duidelijk op `persoonlijkheden' gestemd en niet op programma's. Op zichzelf is dat een trend die zich ook in de oude democratische wereld manifesteert. Maar in Rusland kan de stemming, juist door de overdaad aan beloften en de schaarste aan bestuurlijke en financiële middelen snel omslaan.

Het Westen heeft dus een probleem. Enerzijds heeft het belang bij stabiliteit, kortom, bij een coalitie tussen Poetin en de rechtse krachten. Anderzijds kan het niet zwijgen over de prijs daarvan in Tsjetsjenië nu het al zoveel politieke kritiek heeft geleverd. Naarmate het Westen zich meer uitspreekt, stimuleert het navenant het introverte verlangen in Rusland om zijn tanden weer te laten zien. Komend half jaar staan de presidentsverkiezingen immers op de rol. Het is welhaast een doodlopende straat voor de Europese Unie en aanpalende organen, de NAVO en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). De Russen willen leven zoals de Europeanen, maar willen niet meer naar hen luisteren. Ze vertrouwen nu op hun eigen `trots en waardigheid'.