Goudstikker-collectie hoort thuis in museum Tel Aviv

Door de schilderijen uit de Goudstikker-collectie in een monumentale tentoonstelling bijeen te brengen, kan recht worden gedaan aan de bijzondere persoon van Jacques Goudstikker. En omdat Nederland hiertoe niet in staat is gebleken, doet het er goed aan alsnog afstand te doen van de collectie, meent Melchior de Wolff.

Met de uitspraak van het Haagse gerechtshof van vorige week donderdag lijkt een einde te zijn gekomen aan een juridisch gevecht dat twee jaar heeft geduurd. De eis tot rechtsherstel die door de erven van de kunstverzamelaar Jacques Goudstikker tegen de staat was aangespannen, is verworpen. De dossiers, zo lijkt het, kunnen worden gesloten. Goudstikkers schilderijen, tijdens de oorlog in handen gevallen van de Duitsers en thans in het bezit van diverse belangrijke Nederlandse openbare collecties, zullen niet van de muur worden gehaald.

Kan de kwestie-Goudstikker ook in moreel opzicht worden beklonken? Er heerst vooralsnog een opmerkelijke stilte. Het openbaar kunstbezit lijkt gered. De enige persoon die tot nu toe op een uitspraak viel te betrappen, was professor H.W. van Os, de oud-directeur van het Rijksmuseum. In het televisieprogramma van Hanneke Groenteman, voorafgaand aan de rechtszitting, meende hij op te moeten merken het erfrecht altijd al een rare constructie te hebben gevonden (,,Waarom zouden kinderen zomaar iets mogen krijgen dat ze niet zelf hebben verdiend?''). Dat was ook meteen het enige wat hij te melden had: een boer met kiespijn, die vermoedelijk exemplarisch is voor de museumsector als geheel.

Uiteraard: men kan, nog steeds, de Goudstikker-collectie opvatten als een verzameling kunstwerken met een zeer pijnlijke geschiedenis. Niemand is direct verantwoordelijk geweest, de huidige toestand is het onbedoelde gevolg van een reeks even absurde als fatale processen. En zoals dat bij een tragedie gebruikelijk is: het enige wat na afloop resteert is dat de omstanders er een verzameling symbolen rijker op zijn geworden.

Dat is ook meteen de moeilijkheid, want voor de interpretatie van symbolen hoeven we niet aan te kloppen bij de rechterlijke macht. Er dient immers een beroep te worden gedaan op een ander type verbeeldingskracht.

Bij alle argumenten die tot op heden zijn genoemd, ook in de schaarse pleidooien om de Goudstikker-collectie aan de familie terug te geven, is steeds over het hoofd gezien dat niet alleen die collectie maar ook de figuur van Jacques Goudstikker op een markante manier een beeld oproept van een wereld die niet meer bestaat. Die wereld is vernietigd in de Holocaust, en het debat daarover wordt gevoerd in termen van misdadigheid en medeplichtigheid. Hoe gerechtvaardigd dat op zichzelf ook is, het feit dat in de Holocaust ook een cultuur is vernietigd, heeft in de schaduw van dat debat onbewust en onbedoeld het karakter gekregen van een soort bagatel: het is bijna alsof het nazistische vernietigingswerk na 1945 nog geruime tijd door andere instanties is voortgezet.

Die cultuur valt niet noodzakelijk samen met de joodse cultuur; zij vormt er een onderdeel van, maar is bij uitbreiding ook een onderdeel van de kosmopolitische, op humanistische denkbeelden geënte traditie van intellectueel gesofisticeerde burgers, die zich per definitie niet lieten vastbinden aan nationale of wereldbeschouwelijke beperkingen. Het is de cultuur van nieuwsgierigheid en van gelijkwaardige ijkpunten, en of de deelnemers nu van Russische, Duitse, Nederlandse, Hongaarse of welke afkomst dan ook waren – dat was in laatste aanleg niet relevant. Het grensoverschrijdende karakter van de joodse cultuur, daarin lag het wezenlijke bindmiddel – van de natuurkunde tot aan de muziek, van Einstein tot de Comedian Harmonists.

Het aanstekelijkst komt dat naar voren als men zich verdiept in de samenstelling van Goudstikkers collectie, in de internationale allure en in de volledigheid waarmee de eigenaar de kunstgeschiedenis moet hebben overzien. Met name Goudstikkers liefde voor de vroeg-Italiaanse schilderkunst, de periode waarin de Middeleeuwen al bezig zijn over te gaan in de Renaissance – en hij kocht die schilderijen in een tijd dat kunsthistorici zelf er nog nauwelijks aandacht aan hadden besteed –, met name die voorkeur lijkt de herkenning in te houden van de geciviliseerde onafhankelijkheid, van het civitas sibi princeps, dat een cultuuropvatting verenigde met een levensgevoel.

Het bijeenbrengen van de voormalige Goudstikker-collectie, in elk geval van de 235 schilderijen die thans zijn verstrooid over de Nederlandse collecties, zou alleen al een zinvol initiatief zijn omdat daarmee al die wezenskenmerken van het verleden terug worden geroepen die in geen enkele andere gedaante kunnen bestaan. Zoiets moet een monumentale tentoonstelling kunnen opleveren, een symbolische daad van rechtvaardigheid, zij het dat er één land in de wereld is waar een dergelijk evenement niet kan worden geregeld, zonder dat het resulteert in een schandaal. Dat land is Nederland.

Het feit dat zo'n expositie volledig ondenkbaar is, impliceert logischerwijs dat ook in individueel opzicht al die schilderijen feitelijk geen deel kunnen uitmaken van het openbare bezit. Er is met andere woorden een levensgroot moreel probleem: die schilderijen horen hier niet thuis – hoe hard de museumdirecties hun neuzen ook laten bloeden.

Er bestaat daarom maar één oplossing die voor alle partijen – de erven, de Nederlandse staat, de musea zelf – aanvaardbaar kan zijn, en die is dat er afstand wordt gedaan. Gratis, om niet, zonder ingewikkelde boekingen op interne rekeningen.

De meest redelijke locatie voor de Goudstikker-collectie is het Tel Aviv Museum of Art, het belangrijkste museum voor beeldende kunst in Israël (en overigens voor het hele Midden-Oosten). Het is een onorthodox gebaar, en het vereist ongetwijfeld een revolutionaire hoeveelheid juridische inventiviteit. Maar in een museumcultuur waarin al jaren wordt gekonkelefoesd over de `bespreekbaarheid' van het op de markt kieperen van serieuze stukken uit

de collectie – van Rothko tot Picasso – ligt hier althans een mogelijkheid voor eerherstel.

Melchior de Wolff is slavist.