We waren doodsbang voor de NAVO

Servische soldaat:

Viktor (23) uit Krusevac werd op de eerste nacht van de bombardementen opgeroepen voor militaire dienst.

'De oproep kwam bij mijn ouders. Ik wilde niet, dacht dat de oorlog in een paar dagen voorbij zou zijn. Maar op tv zeiden ze, dat je tien jaar gevangenisstraf kon krijgen als je niet opkwam. Voor politieke gevangenen zijn onze gevangenissen een hel. Vijf dagen later heb ik me alsnog gemeld.

Na een paar dagen kregen we te horen dat we naar Kosovo moesten. Iedereen was doodsbang. Er werd flink gedronken en gehuild. Normaal duurt de tocht naar Kosovo een paar uur. Nu deden we er twintig uur over, in gammele vrachtwagens die de hele tijd kapot gingen.

Ik belandde bij een artillerie-eenheid. Een stuk of honderd man. Ik was de jongste, de rest was midden dertig. We hadden kleine 100 mm. kanonnen uit 1952. Ze werkten niet en dienden slechts als doelwit. We lagen in een dorpje tussen Pec en Kosovska Mitrovica. We sliepen op de grond in afgebrande huizen. Ik had mijn eigen slaapzak en bergschoenen bij me. Van het leger had ik alleen een pet en een jack. Er waren niet genoeg uniformen, helmen of kogelvrije vesten. Wij zagen eruit als paramilitairen.

Wij zijn maar één keer ingezet bij echte gevechten. We moesten een Albanees dorpje bestoken tot de inwoners zouden vluchten. Het uck vluchtte het bos in, de rest - vrouwen, kinderen en bejaarden - zat op een heuvel. Die moesten we naar de grens sturen. We hadden strikte orders om ze over de weg te laten lopen. Het was een vreselijk gezicht, al die oude vrouwen en kleine kinderen. We hebben ze wat eten en drinken gegeven, maar we hadden zelf ook niet veel. Alleen water in blik, bronwater kon je niet drinken. Daar was olie in gegooid om te voorkomen dat het uck het zou gebruiken. Iedereen had met de vluchtelingen te doen. We haten Alba-nezen omdat ze al meer dan tien jaar terreur uitoefenen. Maar wij zijn geen beroepsmoordenaars.

Daarna kwamen we in een dorp waar de huizen nog overeind stonden. We moesten onze geschutsstukken ingraven voor een grondoorlog. Wij hebben het overleefd, omdat we ons niet aan de orders hielden. Er stond niemand bij de kanonnen. Ik was in het bos toen het bombarderen begon. Iedereen rende door elkaar, in ondergoed, zonder geweren. Toen de vliegtuigen wegvlogen, lag de helft van ons materieel aan barrels.

Onze kanonnen stonden op een open veld. De vijand wist precies waar we zaten. Naar onze commandant luisterden we niet.

Van gedeserteerde vrienden hoorde ik later dat de navo foto's van ze had gemaakt terwijl ze aan het voetballen waren. Die strooiden ze uit boven hun posities. Toen ze vluchtten, nam de navo de militaire politie onder vuur die ze tegen wilde houden.

Na de aanval ben ik in het bos gaan slapen. We groeven kuilen in de grond. Zodra de vliegtuigen verschenen doken we onze holen in. We waren doodsbang.

We moesten ook namaakdoelen maken. Boomstammen die op kanonnen leken.

Daar schoot de navo op. Servië werd 's nachts gebombardeerd, Kosovo overdag. We luisterden stiekem naar Radio Free Europe en de Voice of America. Je kon met je eigen ogen zien dat zij de waarheid spraken.

Twintig dagen voor het einde van de oorlog kregen we al demobilisatiepapieren, zonder datum. Het einde van de oorlog was dichtbij, dat wist je. Het was stom om tegen de hele wereld te vechten. We wisten dat onze president Kosovo zou opgeven, net als Kroatië en Bosnië. Hij is niet bepaald een krijgsheer en vecht met tactieken uit de Tweede Wereld-oorlog. Als ik weer opgeroepen word, ga ik niet. Ik heb ontzettend veel geluk gehad.'