Vuile luizenbol!

WAAROM SCHELDT een kind terug als het wordt uitgescholden? Laat toch zitten joh, zeggen zijn ouders. Laat je niet gek maken. Maar de volwassenen begrijpen vaak niet in welke wereld kinderen wonen. Want als een kind uitgescholden wordt, neemt het scheldwoord bezit van zijn lichaam. Hij of zij is even een `oversekste gek' of een `vlooienbos'. En die `besmetting' kan eigenlijk alleen ongedaan worden gemaakt met een tegenactie, zoals: `Pah! je bent zelf een kleine preutse dwerg!' Of het aloude: `Wat je zegt ben je zelf!' Wie zo'n actie nalaat, verliest snel aan status en raakt besmet. ``Door het alsmaar uitschelden en plagen van klasgenoten, iedere dag weer, worden ook de gedragscodes eindeloos herhaald'', aldus de Amsterdamse antropologe Suzanne Kuik. Ze schrijft in de meest recente aflevering van het half Engels-, half Nederlandstalige tijdschrift Etnofoor, dat uitgaat van het Antropologisch-Sociologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam. ``Met het pesten maken de kinderen duidelijk dat een gebrek aan sociale vaardigheden onacceptabel is.'' Pas als een scheldpartij in een spel verandert, verliezen de woorden hun magische kracht.

Kinderen leven in de magische wereld van de orale cultuur waarin woorden zelfstandige kracht hebben en lichamelijk worden gevoeld, concludeert Kuik, die bijna een half jaar optrok met een groepje tienjarige schoolkinderen. Het is slechts een van de vele verrassende observaties die gedaan worden in het antropologietijdschrift Etnofoor, dat nu geheel aan `kindercultuur' is gewijd. In de antropologie blijkt de kinderwereld tot nu toe verwaarloosd: er bestaat geen enkel belangrijk werk waarin kinderen de hoofdrol spelen en pas de laatste tien jaar wordt er schoorvoetend onderzoek gedaan naar de cultuur van dat vreemde volkje dat we kinderen noemen.

Alles in de antropologie draait om `volwassenencultuur'. Kinderen worden slechts beschouwd als passieve middelen om die cultuur over te dragen op de volgende generatie volwassenen en als een vanzelfsprekend onderdeel van de familiestructuur. En zelfs de wijze waarop kinderen de cultuur leren, wordt niet bestudeerd. In zijn inleidende artikel in Etnofoor verklaart de Amerikaanse antropoloog Lawrence Hirschfeld deze onverschilligheid uit de weerzin van antropologen tegen leerprocessen. De mensen leren hun typerende culturele kennis en gewoonten eenvoudigweg omdat ze er aan blootgesteld worden, aldus de meest verbreide, stilzwijgend aanvaarde leerpsychologie onder antropologen. Een onzinnig simplistische theorie natuurlijk, verzucht Hirsfeld: ``Wat zou lesgeven simpel worden, als dat eens waar zou zijn!''

Hirschfeld deelt het vooroordeel tegen psychologie en kinderen niet. Sterker nog: volgens hem wordt de vorm van volwassen culturen zelfs bepaald door intrinsieke begrenzingen van het kinderlijke leerproces. Nature (i.c. het lerende kinderbrein) bepaalt daarbij culture, zou je kunnen zeggen. Een voorbeeld dat Hirschfeld enigszins provisorisch uitwerkt is de in Amerika kennelijk wijd verspreide gedachte dat ``één enkele zwarte voorouder iemand al tot een `zwart persoon' maakt''. Volgens Hirschfeld ontstaat deze racistische gedachte bij kinderen in de vroege pubertijd wanneer voor hen identiteitsbepaling plotseling van cruciaal belang is. De verwante volwassen opvattingen worden bepaald door deze kindercultuur, en niet andersom, aldus Hirschfeld. ``Raciale ideologieën blijven niet alleen bestaan omdat ze in verband staan met machtsverdelingen, maar vooral omdat ze voor kinderen gemakkelijk te leren zijn.'' Kinderen vinden rassen gemakkelijker te hanteren als mentale categorie dan bijvoorbeeld sociale klasse.

Ook los van deze moeilijk hard te maken invloed op de volwassenenwereld, is de kinderwereld als cultuur op zichzelf de moeite van het invoelend bestuderen waard. Hirschfeld verwijst onder meer naar het opzienbarende boek van Judith Harris, The Nurture Assumption (1998), waarin zij de stelling verdedigt dat kinderen uitsluitend door andere kinderen worden opgevoed. Kinderspelletjes en -liedjes lijken geheel van kind op kind te worden doorgegeven. Hirschfeld zelf wijst ook nog op het mysterieuze fenomeen van de cooties: de besmetting met `luizen' waar kinderen het zo vaak over hebben. Volgens Hirschfeld heeft die besmetting (behalve het woord) bar weinig te maken met de ongewenste insecten uit de wereld van de hygiëne. Ziek word je niet van `luizen', alles draait om het feit dat je `luizen' krijgt, wat daarna gebeurt speelt eigenlijk geen rol. Volwassenen hebben nooit `luizen', je kunt ze alleen van een ander kind krijgen. En die besmetting van een kind kan ook van het ene moment op het andere verdwijnen, afhankelijk van de context.

Dit luizen-thema wordt verderop in het tijdschrift ook opgepakt door Suzanne Kuik, in haar hierboven al genoemde onderzoek naar ruzies en scheldpartijen bij tienjarigen. Zij haalt nog andere opmerkelijke kenmerken van de kindermentaliteit (c.q. cultuur) boven water. Het tijdsbesef bijvoorbeeld. Kinderen maken nooit afspraken voor overmorgen, viel haar op. En gisteren is al zo lang geleden dat ze er amper nog over nadenken. Kuik: ``Op een vraag als `Wat deed je in het weekend?' is een typerend antwoord: `Eh, paardrijden! Weet je, Mirjam is zo stom! Zij zegt dat ze beter kan paardrijden dan ik, terwijl ik het al veel langer doe!' En als kinderen eens iets vertellen wat maanden eerder gebeurde, vertellen ze het alsof het een paar seconden eerder gebeurde.'' Met hun geheugen is overigens niets mis: de kinderen konden Kuik haarfijn uitleggen hoe de tafelindeling in de klas in een half jaar was veranderd.

De artikelen in de special van Etnofoor maken duidelijk dat de geduldige en invoelende aanpak van de antropoloog bij uitstek geschikt is voor een culturele verkenning van onze meest nabije wilden. In het nummer komt verder onder meer aan de orde hoe Deense kinderen tegen ziekte aankijken (ziekte blijkt geen lichamelijk maar vooral een sociaal verschijnsel) en hoe een groep straatjongens in Mexico met gezag, leugens en verhalen omgaat.

Etnofoor, antropologisch tijdschrift. Jaargang 12, nr 1 [1999]: Kids & culture. Verschijnt tweemaal per jaar. Losse nummers ƒ25,-, abonnement ƒ35,-. Te bestellen via overmaking op giro 4753.313 tnv Irene Stengs, inz Etnofoor Amsterdam.