Virtuele discussie lost niets op

De discussie tussen criminologen of het geweld in Nederland verontrustende vormen toeneemt, wordt steeds verwarrender en virtueler. Cijfers, afkomstig van politieregistraties, slachtofferenquêtes, medische registraties en `maatschappelijke sensoren' (mensen die met geweld te maken hebben) worden op verschillende manieren geïnterpreteerd en leiden aldus tot verschillende conclusies.

De kwalitatieve aspecten van geweld komen naast al deze kwantitatieve gegevens in het gedrang. Want wat betekent het eigenlijk voor de slachtoffers? En wie zijn eigenlijk die geweldplegers? En welke relaties zijn er met alcohol, drugs, etniciteit en andere kenmerken?

Deze kwalitatieve aspecten van geweld komen in de psychiatrische en psychologische rapportage voor de rechtbank uitgebreid aan bod met de delictanalyse, toegespitst op de persoon van de verdachte.

Hoewel ook de cijfers over de toename van de gewelddadige jeugdcriminaliteit verschillend worden geïnterpreteerd, kan gesteld worden dat het aantal door de politie gehoorde verdachten inzake geweld tussen 1991 en 1997 meer dan verdubbelde (3,5 per 1000 in 1991 tot ruim 7,5 per 1000 jongeren in 1997). Het aantal voorgeleidingen bij de rechter-commissaris in Amsterdam is in 1999 weer 15 procent hoger dan in 1998, wat direct gerelateerd is aan de toename van de gewelddadige jeugddelinquentie. Dit is na te gaan omdat de kinderrechters in Amsterdam in 35 procent van de voorgeleidingen gedragsdeskundige rapportages aanvragen bij de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD) Amsterdam. Logischerwijs stijgt de hoeveelheid aanvragen daarom snel en via de FPD worden in 1999 meer dan 300 jeugdigen gerapporteerd. Bij deze FPD-rapportages is een toename te zien van gewelddadige delicten met een significante stijging van 82 procent in 1998 naar 88,5 procent in 1999. De resterende 11,5 procent betreft diefstal met bedreiging, brandstichting, opiumdelicten en vernieling. Voor vermogensdelicten alleen wordt, in tegenstelling tot vroeger, hoegenaamd geen rapportage meer aangevraagd door de Amsterdamse kinderrechter of het moet een jongere betreffen met ernstige psychosociale problemen.

Van oudsher draagt Amsterdam voor zeker 20 procent bij aan de Nederlandse jeugdcriminaliteit. Dat betekent ook dat bijna een kwart van alle Nederlandse gedragsdeskundige rapportages van jeugdige delinquenten via de FPD in Amsterdam gedaan wordt. Een analyse van 403 rapportages die in één jaar tijd vanaf 1 januari 1998 voor de kinderrechter werden uitgebracht, werpt enig kwalitatief licht op geweld en jeugddelinquentie. Bij veel van deze jongeren is van alles ernstig mis en mislukt op het gebied van ontwikkelingsachterstanden, psychiatrische stoornissen en slechte thuissituaties. Onder meer door een pakkans van 1 op 7 kan gesteld worden dat het jeugdstrafrecht niet adequaat werkt.

In Amsterdam was in 1998 bijna 70 procent van de jongeren tussen 12 en 17 jaar van allochtone afkomst. Van de gerapporteerde jeugdigen via de FPD bleek 86,5 procent allochtoon, waarbij Surinaamse, Antilliaanse en Marokkaanse jeugdigen oververtegenwoordigd zijn in relatie tot het bestanddeel dat zij uitmaken van de hele Amsterdamse bevolking. In 1 jaar kregen 61 van de 403 Amsterdamse gerapporteerde jeugdigen het PIJ-advies: plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, waarbij zij gedurende maximaal 6 jaar gedwongen opgenomen kunnen worden in een justitiële jeugdinrichting. Deze groep vormt de zwaarste categorie jongeren, ook wat betreft geweld: in 21,5 procent ging het om agressie tegen personen en levensdelicten, 11,5 procent betrof (ernstige) zedendelicten en 65 procent betrof vermogensdelicten met agressie. Deze groep bestond voor de helft uit Surinaamse jongeren. De helft van de 51 allochtone jongeren uit deze groep is in het buitenland geboren en op latere leeftijd – vaak aan het eind van de lagere school – naar Nederland gekomen. Ze zijn dus, evenals hun ouders, eerste generatie immigrant met de benodigde taal- en aanpassingsproblemen.

Voor meer dan de helft van de groep met een PIJ-advies was al civielrechtelijke hulpverlening ingeroepen via een ondertoezichtstelling (OTS) met een gezinsvoogd. De gemiddelde intelligentie van de groep wees in de richting van bijna zwakbegaafd en bij 85 procent was de scholing vergaand mislukt, wat vaak betekent dat men helemaal niet meer naar school ging of dat zelfs onderwijs voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK) was mislukt. De opvoedingscapaciteiten van het merendeel van de ouders werd door de rapporteurs als uitgesproken slecht beoordeeld.

Voorts werden bij deze jongeren veel psychiatrische en psychische stoornissen geconstateerd. Bijna allen hebben een ernstige antisociale gedragsstoornis vanaf de kinderleeftijd, 28 procent heeft een ADHD (hyperactiviteit, impulsiviteit en concentratieproblemen), 25 procent gebruikt middelen of is ervan afhankelijk en verschillende jeugdigen hebben autistiforme, psychotische, angst- of schizofrene stoornissen.

Als ook naar de kwalitatieve aspecten van geweld wordt gekeken, komen aspecten naar voren die in de discussie onderbelicht blijven. Deze cijfers en de bijbehorende analyses geven meer inzicht in geweld, wat een voorwaarde is voor gedifferentieerde `interventiestrategieën'.

Vooraleerst kan de praktijk flink verbeterd worden door de samenwerking te bevorderen tussen de verschillende partners die te maken krijgen met delinquente jeugdigen, door de pakkans te vergroten, door betere en dwingender bemoeienis van Raad voor de Kinderbescherming, gezinsvoogdij en jeugdreclassering, door betere vormen van jeugddetentie met voorbereiding op scholing en werk, door betere forensische diagnostiek en voorbereiding op zorg in de benodigde jeugdforensische psychiatrische klinieken en natuurlijk door primair preventieve strategieën als opvoedingsondersteuning en begeleiding vanuit school.

Een wel heel belangrijk `Hollands' argument om tot een goede visie, strategie en adequaat handelen te komen ten aanzien van deze problematische jongeren is het feit dat als we zo doorgaan, steeds meer jongeren voor 200.000 gulden per jaar behandeld of opgeborgen moeten worden in justitiële jeugdinrichtingen.

Nils Duits is kinder- en jeugdpsychiater en coördinator jeugd bij de Forensisch Psychiatrische Dienst Amsterdam.