Sprookjesgeloof

Discrimineren is in het onderwijs al jaar en dag een gangbare bezigheid. Zo liet de gemeente Amsterdam alleen vrouwen in aanmerking komen voor de functie van schooldirecteur. Sollicitatiebrieven van mannen werden ongelezen terzijde gelegd. Ik heb nooit onder stoelen of banken gestoken dergelijk beleid om veel redenen verwerpelijk te vinden. Ook heb ik nooit begrepen waarom Amsterdam, met in zijn kielzog Leiden en Den Haag, niet een zelfde beleid voerde in al die andere sectoren waar vrouwen eveneens ondervertegenwoordigd waren in de hogere echelons. Onderwijs is blijkbaar een terrein waar goedbedoelende hobbyisten hun gang mogen gaan.

Dat het onderwijs wordt beschouwd als een aparte wereld waar gangbare regels op het gebied van zorgvuldigheid niet hoeven te worden nageleefd, illustreren de reacties op vergelijkbaar beleid in een andere, blijkbaar wel als normaal ervaren sector. De deelraad van Amsterdam Zuidoost, beter bekend als `de Bijlmer', vraagt per advertentie een secretaris die uit `de etnische doelgroepen' moet komen. Daarmee wekt hij de verontwaardiging van velen, onder wie Parool-columnist Jan Pen, die zich publiekelijk wendt tot minister Peper: `Is het u bekend dat ze daar in de Bijlmermeer zijn vervallen tot het uitsluiten van gewone Amsterdammers van openbare functies? En gelooft u ook niet dat zoiets zich weleens kan keren tegen die arme bewoners van dat geplaagde stadsdeel, die part noch deel hebben aan deze vorm van rassenscheiding?' En om duidelijk te maken op wat voor onheil hij doelt, verwijst hij naar Gerard van Westerloo die hiertegen ageerde in de Volkskrant onder de titel `Slegs vir swartes'.

Wat mij verbaast is dat je niemand hoorde toen gewone schoolmeesters werden uitgesloten van directiefuncties. De positieve discriminatie die voor vrouwen was toegestaan, is ineens verwerpelijk nu etnische minderheden op dezelfde manier gebruikmaken van datzelfde instrument. Ik denk dus dat de negatieve reacties het gevolg zijn van het feit dat het hier een gewone sector betreft. Dat die reacties ongekend fel zijn, komt doordat ze het einde markeren van het geloof in een lang gekoesterd sprookje.

Dat sprookje draagt als titel `de multiculturele samenleving'. Het geloof daarin is niet langer vol te houden nu steeds duidelijker wordt dat de betreffende culturen op fundamentele punten met elkaar botsen. Vanuit dat sprookjesgeloof zijn we ooit gaan tolereren dat meisjes op school hoofddoekjes dragen. Terwijl die doekjes in de praktijk een effectief middel zijn om meisjes op hun plaats te wijzen, ervoor te zorgen dat ze geen gedrag vertonen dat voor jongens wel acceptabel wordt geacht. Omdat er ook meisjes zijn die sprzeggen zo'n ding vrijwillig te dragen, er zelfs trots op te zijn, doen we net of we niet in de gaten hebben dat ze gebruikt worden als instrument voor een principe dat strijdig is met fundamentele waarden van onze eigen cultuur: de gelijke behandeling van seksen.

Inmiddels lijken we de angst voorbij en slaan we door naar de andere kant. Dit verklaart de heftige reacties op de Bijmermeer-secretaris en het verklaart eveneens de houding van de rector van het Amsterdamse Calandlyceum. Die weigert een ruimte beschikbaar te stellen voor leerlingen die gedurende de ramadan tijdens de pauze op school willen bidden. We zijn, zo motiveert hij zijn standpunt, een openbare school. Ik had altijd begrepen dat op zo'n school ruimte is voor iedereen en dat je daar geleerd wordt begrip op te brengen voor mensen met een andere achtergrond. Bijvoorbeeld voor ramadanbidders.