SOCIALE INTERACTIE ZEBRAVINKEN NIET ESSENTIEEL VOOR ZANG

Zebravinken (Taeniopygia guttata) kunnen hun lied van een bandopname leren, zonder zangles van hun vader. Dat concludeert gedragsbioloog Bart Houx die onlangs in Leiden promoveerde op de invloed van sociale interactie op het zangleren van zebravinken.

Van veel zangvogelsoorten is bekend dat individuele vogels als zingend voorbeeld optreden. Biologen noemen die zangleraren tutors. Zo richten gewone vinken zich op een zingende buurman, terwijl zebravinken zangles krijgen van hun vader. Tot dusver meenden biologen dat de sociale interactie tussen tutor en jonge vogel bepaalde hoe groot het aangeleerde repertoire was. Dat idee was gebaseerd op proeven waaruit bleek dat vogels hun lied beter leerden van een levende tutor dan van een bandopname. Met name zebravinken leerden niets van een band.

Straf en beloning speelt geen rol in het zangleerproces van zebravinken. Wel bleken zanglerende jongen meer contact met hun vader te hebben, hoewel ze door beide ouders even vaak gevoerd werden. Daarom veronderstelden biologen dat het zangleerproces gestimuleerd werd door gedrag van de jonge vogel dat aan het zingen van de tutor voorafging. Zo'n verband tussen twee gedragingen noemt men contingentie. De tutor zou volgens de contingentie-hypothese beginnen te zingen als reactie op gedrag van het kuiken. Dat zou de jonge vogel de kans geven de voorbeeldzang uit te lokken, waardoor de tutor zingt op het moment dat het jong daar het meest ontvankelijk voor is. In volières kon men echter geen jonge vogel op gedrag betrappen dat herhaaldelijk aan de zang van zijn tutor voorafging.

In 1991 liet de Leidse bioloog Carel ten Cate in een laboratorium jonge zebravinken een bandje met hun lied horen. Ze leerden er helemaal niets van. Blijkbaar was een bandopname geen goede leermeester; daar moest echt de tutor-vogel aan te pas komen. Dat veranderde toen de Fransman Patrice Adret in 1993 zebravinken hun voorbeeldlied liet horen nadat ze op een knopje hadden gepikt. Als het lied klonk, hoorde een controlevogel het ook. De pikkende zebravinken leerden meer dan de passief luisterende controlevogels. De contingentie-hypothese leek bevestigd.

Houx vertrouwde Adrets experiment niet helemaal. De controlevogels konden, zo ontdekte hij, niet alleen de bandopname maar ook hun pikkende soortgenoten horen zingen. Misschien dat ze het lied van elkaar leerden en niet (alleen) van de band, dacht Houx. Hij herhaalde de proef van Adret met geluiddichte hokken, zodat de vogels elkaar niet konden horen zingen. Weer pikten de zebravinken op de knoppen en schakelden zo de bandopname met lied aan. De controlevinken luisterden mee. Sommige vogels kregen het lied feilloos onder de knie, andere nauwelijks, maar Houx vond geen verschil tussen actief en passief luisterende vogels. Het leren van een bandopname blijkt dus mogelijk en niets wijst op een effect van contingentie op het zangleren.

In Houx' experiment vlogen de vogels naar de luidspreker en namen een luisterhouding aan. Dat het vroeger niet lukte zebravinken ook maar een toon van de band te laten leren kan volgens Houx veroorzaakt zijn door een slechte geluidskwaliteit.