Polder op Palen

Waar staat Nederland aan het eind van het millennium? Nog steeds in de polder, in het moeras van de consensus. Maar er is een

nieuwe zuilengalerij in aanbouw.

Het mag een mirakel heten dat Nederland nog bestaat, dat het niet in een complex van simultaan uitgevochten, onoplosbare burgertwisten is weggezonken. Dagelijks trekken ze tegen elkaar op: de asfalteerders en betongieters tegen de natuurbewaarders, de privatiseerders tegen de collectieven, de elitairen tegen de volksen, de jeugd tegen de bejaarden, de potverteerders tegen de spaarders, de boeren tegen de ministers, de patiënten tegen de dokters, de gedogers tegen de handhavers, en de onverslaanbare hooligans tegen iedereen. Je kunt bijna niet geloven dat op deze bescheiden lap grond een economie is gevestigd die tot de tien sterkste van de wereld hoort, een voorbeeld, een wereldbegrip.

Het valt de vreemdeling niet uit te leggen. Dit is de bakermat van de langste mannen van Europa (1 meter 84) die bovendien het langst van alle Europeanen zullen leven (75 jaar), en toch heersen hier stress, burnout, rsi en algemeen onbehagen, als cholera in de Middeleeuwen. Onbegrijpelijk hoe het komt dat het mooiste historisch monument van dit land, zijn hoofdstad, met zijn musea vol Rembrandts en Van Goghs, een wereldattractie is voor voyeurs, hoerenlopers en drugsgebruikers. Verbazingwekkend dat wij die beroemd zijn om de aanleg van onze polders, de drooglegging hebben gestaakt en weer boerengrond aan het water prijsgeven. Dit land, dat in de eerste helft van de eeuw nog tot de meest solide, conservatieve en godvruchtige naties van het Westen werd ge rekend, swingt over een paar dagen housend en vuurwerkend het volgende millennium binnen. De Nederlandse natie is een verzameling van paradoxen, gaat er niet aan ten onder maar bloeit in deze eeuw als nooit tevoren.

Hoe is dat mogelijk? Dat is het Nederlandse geheim. Bij ons worden de paradoxen niet opgelost. We hebben een methode ontwikkeld om ze op den duur vanzelf te laten verdwijnen. Het geheim van Nederland is het compromis waarmee niemand tevreden is terwijl de meerderheid er toch baat bij vindt. Nederland is het land waar de auto's in de file staan terwijl achter het stuur voor verhoging van de maximumsnelheid wordt gevochten. Het land van revoluties zonder ruïnes, van omwentelingen waarbij niemand het onderspit delft. Aan de wortel van de Nederlandse beschaving staat het tersluikse compromis. Het is als een ouderwets onecht kind, dat in het verborgene wordt gekoesterd en in het openbaar geen ouders heeft. De grondslag van het Nederlandse succes ligt in het onuitgesprokene. Wij 'houden vast aan onze beginselen', wat ons niet verhindert 'in te leveren'.

Nog maar een halve eeuw geleden was het volk opgeborgen in zuilen. Katholieke kinderen speelden niet met socialistische, terwijl liberale jongeren leerden dansen op een liberale dansles. Over deze oude verzuiling heeft

dr. Arend Lijphart zijn klassieke boek geschreven, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek (1968). Hoe komt het, vraagt hij zich af, dat dit volk, verdeeld over zo strikt gescheiden compartimenten, bestuurbaar blijft? Zijn antwoord berust op een briljante vergelijking. We moeten het Nederlandse bestuur zien als een permanente topconferentie tussen de elites van de zuilen. Regeren in Nederland begint met pacificeren, want altijd zijn er levensbeschouwelijke, politieke en nog veel meer tegenstellingen die in eerste aanleg een beslissing in de weg staan. 'De pacificatiepolitiek houdt in dat de elites regeren.' Ze worden door de achterbannen daarbij niet op de vingers gekeken. Aan de top worden de compromissen bereikt terwijl men aan de basis in ongeschonden overtuiging verder leeft. Zo blijft Nederland bestuurbaar.

Toen kwam onze kleine culturele revolutie van de jaren zestig waarin alles tegelijk gebeurde. De zuilen brokkelden af, de Nederlandse versie van de Victoriaanse moraal verdween, de oude maatschappelijke rangorde leek opzij gezet, er werd gedemocratiseerd, geëmancipeerd, open gegooid en opgeblazen, en ten slotte hier en daar weer gerestaureerd. De jaren zestig hebben een spoor door de Nederlandse beschaving getrokken, niet van vernieling maar van een bij tijd en wijle tumultueuze hervorming. De beproefde democratische procedures en instituten hebben het overleefd. Maar er gebeurde iets anders. De nieuwe generaties ontdekten het nieuwe culturele Westen van de Britten en hoe langer hoe meer van de Amerikanen. Parijs en Londen verdwenen geleidelijk achter de horizon, New York kwam dichter bij. We waren niet langer 'de Chinezen van Europa'. Tussen 1960 en 1970 zijn we een modern volk geworden, op onze af en toe zeer eigen manier - zo eigen soms dat het nabije buitenland het niet meer kon bijhouden. En op sommige gebieden lukt dat nog steeds niet.

In het Nederlandse denken en doen zijn er dan een paar belangrijke jaartallen. In 1971 wordt het eerste rapport van de Club van Rome gepubliceerd. In 1973 komt de eerste oliecrisis en dan weet vrijwel het hele volk: 'Het wordt nooit meer zoals het geweest is'. De omslag is langzaam maar ingrijpend. Het eerste grote bewijs van de nieuwe macht van het milieu is de Getijdendam in de Oosterschelde, onderdeel van het Deltaplan. Afsluiting van de zeearm zou onherstelbare gevolgen voor flora en fauna hebben. Dat kan niet worden toegestaan, en dus wordt het kostbaarste Nederlandse compromis aller tijden gesloten. Voor acht miljard gulden blijft de kraamkamer van de Noordzee gespaard en het land toch gevrijwaard van de volgende stormramp. De dam wordt in 1986 door de koningin geopend.

In hetzelfde jaar wordt na veel uitstel definitief afgezien van de aanleg van de Markerwaard, sluitstuk van de Zuiderzeewerken. Tussen Lelystad en Enkhuizen ligt nu de dertig kilometer lange Houtribdijk, monument van een verjaard soort ondernemingslust. Wel Oosterscheldedam, geen Markerwaard, het zijn de eerste grote wapenfeiten in de nieuwe strijd om het Nederlandse milieu.

In dezelfde tijd begint het front van de Nederlandse moraal in beweging te komen, ook onder invloed van de jaren zestig. De eerste legale abortuskliniek, Bloemenhove, wordt met sluiting bedreigd. In Dennendal, tehuis voor geestelijk gehandicapten, wekt het vrijheid-blijheid-regime van Carel Muller zoveel weerstand bij politiek Nederland dat de politie ingrijpt. De drugs hebben hun intrede gedaan. Voor de Vara-radio leest Koos Zwart wekelijks de beursberichten, de prijs van Rode Libanon en nederwiet. Zijn moeder Irene Vorrink, minister van Volksgezondheid, legt met haar 'café-achtige ruimten' voor gebruikers de grondslag voor de coffeeshops van het latere gedoogbeleid.

Samengevat: de Nederlander wordt wereldser, hij krijgt meer aandacht voor het milieu zoals dat in zijn kleine, dichtbevolkte land wordt bedreigd, en tegelijkertijd liberaliseert hij de moraal. Deze nieuwe vrijheid wordt verwezenlijkt in een langzame verandering van de medische ethiek en in een groei van wat hier tolerantie wordt genoemd. In het bevriende buitenland daarentegen wordt het vaak als onbegrijpelijke achteloosheid beschouwd, en daar begrijpt de Nederlander, ondanks zijn nieuwe kosmopolitisme, dan weer niets van.

Dit alles gaat gepaard met tumult, in de politiek, de kunsten en op straat.

In de loop van de jaren tachtig komt de kentering: tegen de stromingen van de jaren zestig in verflauwt de politieke belangstelling van de burger. Hij laat zich niet door allerlei vernieuwingen repolitiseren. Langzamerhand verliest hij zijn betrokkenheid bij de politiek zoals die in de partijen is georganiseerd. Dat is het gevolg van zijn nieuwe zelfbewustzijn. De staat wordt niet ge demonteerd, constateert Ralf Dahrendorf in Der moderne soziale Konflikt, maar verlaten. Dat is al in 1989. De geëmancipeerde burger is meer en meer geneigd het zelf uit te zoeken, zonder zijn vertegenwoordigers in het parlement.

Dan valt de Muur. Einde van een tijdperk, scherper gesneden dan iemand het had kunnen bedenken. Maar welk tijdperk? Dat van de Koude Oorlog, zeker. De ideologieën zijn afgezworen. Maar daarbij is het niet gebleven. Alle West-Europese landen staan voor hetzelfde tweeledige vraagstuk: de onbetaalbaarheid van de verzorgingsstaat bij een stagnerende economie. Thatcher en Reagan kiezen radicaal: de sociale voorzieningen worden meedogenloos gesnoeid terwijl deregulering en privatisering de economie weer vaart moeten geven. Zij zijn de praktische profeten van een complete politieke filosofie die het individu terugbrengt tot zijn eigen verantwoordelijkheid, prestaties, volharding en dergelijke deugden.

Maar in Nederland stuit het 'no nonsense'-beleid van Lubbers op verbitterde weerstand. De Nederlandse burger wil twee wensen tegelijk vervuld zien: de maximale erkenning van zijn indvidualiteit (hoe die ook in zijn praktijk mag uitvallen), en volledige aanspraak op alles wat de staat aan zorg te bieden heeft, als het zo uitkomt. Het burgerschap van de Nederlandse verzorgingsstaat doet denken aan het geloof in een almachtige, die geen eisen stelt, en zijn schapen een levenslange onkwetsbaarheid garandeert. Dit geloof wordt verstoord als in 1991 het kabinet Lubbers-Kok de wao saneert. Ook het einde van een tijdperk.

In 1992 kiezen de Amerikanen Bill Clinton tot president. Hoewel hij al achtervolgd wordt door seksschandalen, blijkt zijn leuze It's the economy, stupid! sterker dan de morele bezwaren tegen zijn levenswandel. Het is een voorteken dat in Nederland nog niet algemeen wordt begrepen. Hier worstelt het kabinet Lubbers-Kok zich naar de volgende verkiezingen, tevergeefs gissend naar de wil des volks. De ontknoping wordt de tragedie van het cda. Koning Ruud steekt zijn mes in de rug van kroonprins Elco waarna deze voor de televisiecamera's langzaam kamikaze pleegt. De kijkers kunnen hun ogen niet geloven: het cda ruimt zichzelf van het toneel. Het resultaat is het eerste paarse kabinet.

De nieuwe vrije markt is Nederland dan al dicht genaderd; de tweede welvaartsgolf is in aantocht. De eerste overspoelde tegen het einde van de jaren vijftig de stevig verankerde verzorgingsstaat van Vader Willem Drees. Deze nieuwe grondzee treft een andere natie, met noodlijdende partijen, leeglopende kerken en een omwenteling aan de top: de confessionelen gedemoraliseerd, van hun sleutelrol beroofd, in de oppositie. Uit de tweede welvaartsgolf en het eerste paarse kabinet wordt het 'poldermodel' geboren.

Het is vrij gemakkelijk na te gaan wanneer dit woord ontstaan is. In de twaalfde uitgave van Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal, de tusseneditie van 1995, staat het niet. In de dertiende uitgave, 1999, tweede deel, pagina 2609 wel: poldermodel. Alleen de naam van degene die het heeft bedacht, ontbreekt. Naamloze jonge referendaris op Economische Zaken? Ambitieuze consultant? Je ziet het toneel voor je. Daar zaten ze, alle partijen om de tafel, aan de muur een leerling van Karel Appel, in de hoeken van het zaaltje potpalmen. Uren was er gebrainstormd en gestoeid. Toen plooide zich een glimlach om de mond van de voorzitter. Hij begreep dat de dames en heren elkaar tot consensus hadden vermalen, gaf een klapje met zijn hamer en zei: 'Ik geloof dat we hier een typisch Nederlandse win-win-situatie hebben bereikt. En we noemen het: poldermodel.' Op de eerstvolgende persconferentie is het woord voor het eerst in het openbaar uitgesproken. De nieuwste Nederlandse revolutie had een naam gekregen, was daarmee geëmancipeerd. Wim Kok ging naar Washington en legde Bill Clinton uit wat het betekende. De Amerikaanse president lachte en begreep. Daarmee was de internationale erkenning bevochten.

Poldermodel, zegt ons Groot Woordenboek, is het 'overlegmodel zoals in Nederland gehanteerd in de jaren '90 van de 20e eeuw.' In het polder model laten de partijen het niet aankomen op confrontatie; ze streven naar consensus. Confrontatie draait uit op zegepraal en nederlaag. De worsteling is verspilling van energie en de wrok van de verliezer is een blijvend probleem. Hoeveel redelijker, menselijker en economischer is dus dit poldermodel. Geen wonder dat de wereld jaloers op ons is. Maar, vraagt men, overleg tussen welke partijen, consensus over wat?

Om dit uit te leggen, doen we een beroep op de geschiedenis. De oude zuilen zijn verdwenen, maar de krachten van de continuïteit zijn sterker dan die van de verandering. De Nederlanders hebben nieuwe zuilen opgericht, geen politieke of confessionele maar, laten we zeggen, moderne polderzuilen die dwars door de oude organisaties van politiek en confessie lopen. Het is ingewikkelder geworden. De lezer kan zich de nieuwe structuur het best voorstellen als zuilen in paren. In ieder paar zit een tegenstelling opgesloten. Binnen ieder paar wordt gevochten voor de consensus. Ter wille van de overzichtelijkheid zal ik een en ander nummeren.

1het oudste paar wordt gevormd door de zuilen van de economie en de natuur. De twee grote gebeurtenissen uit de voorgeschiedenis heb ik al vermeld: de bouw van de Getijdendam en het niet inpolderen van de Markerwaard. Het blijken uitzonderingen te zijn. Dat wordt duidelijk als de bestaande economie en infrastructuur in hun expansie met de conserverende natuurzuil in conflict komen. De periferie van de grote steden wordt veroverd door honderden ondernemingen. Met zichtbaar succes worden overheidsbedrijven geprivatiseerd. Landschap verandert in meubelboulevard en pretpark. Het Nederlandse volk blijkt een onverzadigbare behoefte aan bankstellen en pret te hebben. De winkels gaan op zondag open. Slangen van blik bewegen zich iedere dag des Heren naar de warenhuizen in het centrum met zijn schaarste aan parkeerruimte. Tot ver buiten de Randstad wordt het wegennet overweldigd door de intensiteit van alle verkeer. 'Meer asfalt' eiste De Telegraaf al tien jaar geleden in een hoofdartikel. Schiphol mainport! Tweede Maasvlakte! Gasboringen in de Waddenzee!

In militaire termen uitgedrukt zou de strijd tussen de zuil van de economie en de natuurzuil een loopgravenoorlog worden genoemd. Soms is het alsof de ene partij een overwinning heeft geboekt. De tunnel voor de hsl onder het 'Groene Hart' van Zuid-Holland, in beginsel vergelijkbaar met de Getijdendam, lijkt terreinwinst voor de natuurpartij, maar die verworvenheid wordt alweer verbitterd aangevochten door de expansionisten die 900 miljoen weggegooid geld vinden. Het omstreden IJburg zal gebouwd worden maar is al jaren voordat er iemand woont bestempeld tot een 'getto voor de rijken'. Overtredingen van geluidsnormen voor Schiphol, nachtvluchten op Rotterdam Airport worden tot nadere uitspraken van de rechter of nieuwe manieren van meten 'gedoogd'. Een brede maatschappelijke discussie over nut en noodzaak brengt geen oplossing maar verzandt in een non-conclusie. Vertakkingen van de Betuwelijn worden geannuleerd.

Alles is betrekkelijk, niets is zeker. Het poldermodel verbergt een hardnekkige strijd van expansie tegen conservering, van geld tegen groen. Een beroep op 'de politiek' is tevergeefs, omdat politiek en kabinet zelf in de twee zuilen zijn opgesplitst. Het zoeken naar consensus tussen de zuilen van economie en natuur veroorzaakt daardoor een geweldige stagnatie. Het heeft 23 jaar geduurd voordat men besloot de Markerwaard niet aan te leggen. De plannen voor de hsl dateren van 1984. Over de Betuwelijn lezen we voor het eerst in 1988. Over de boringen in de Waddenzee zei premier Kok onlangs: 'We hebben besloten om nog geen besluit te nemen.' Dan laait de strijd op over het niet-besluit.

2in vraagstukken van ethiek is Nederland dikwijls een liberaal land, al heel lang, ondogmatisch, in de traditie van de Verlichting. Dit betekent niet dat we geen geborneerden en achterlijken binnen de grenzen hebben, maar dit vinden we juist een bevestiging van onze tolerantie. Tegen het einde van de jaren vijftig, toen hier de cannabis zijn intrede deed, zijn de grenzen gaan verschuiven. De moraal veranderde, de Nederlandse mens ontwikkelde een nieuwe variant die zich nog vrijer voelde dan hij al was. Deze verandering deed zich voelen op alle terreinen van het bestaan waar de laatste beslissing ethisch bepaald is. Zo is een nieuwe zuil ontstaan die ik de zuil van de ultra-Verlichting zal noemen.

Wie tot deze zuil hoort zal bijvoorbeeld de opvatting verdedigen dat het geen zin heeft softdrugs te verbieden omdat het eventuele kwaad van het gebruik aanmerkelijk geringer is dan het kwaad dat wordt veroorzaakt door de criminalisering van de gebruiker. Deze zienswijze heeft niet zoveel kracht van overtuiging gehad dat de softdrugs zijn gelegaliseerd maar voldoende om ze te gedogen. De invloed van de ultra-Verlichting op de Nederlandse beschaving heeft zich verder bewezen door de opheffing van het bordeelverbod, een wereldprimeur. Legaliseren, is de redenering, valt te verkiezen boven het gedogen dat te veel ruimte voor misstanden laat. Het zal dus voor jonge starters voortaan mogelijk zijn, meldde het televisiejournaal, een subsidie voor de oprichting van een bordeel aan te vragen.

Hetzelfde gebeurde met de abortus. De redelijkheid won het van het verzet. Abortus werd gelegaliseerd, hoewel niet zonder verbitterde strijd. Vervolgens werd, op vergelijkbare wijze, het vraagstuk van de euthanasie opgelost. Intussen ligt er een wetsvoorstel dat, bij kracht van wet, euthanasie voor kinderen vanaf twaalf jaar mogelijk moet maken - vanzelfsprekend onder de meest strikte waarborgen van zorgvuldigheid. Hier blijkt de zuil van de ultra-Verlichting zijn grens te hebben bereikt. Dit voorstel gaat geruisloos ten onder.

Van het begin af heeft de zuil van de ultra-Verlichting zijn contrazuil gehad. Verzet werd geïnspireerd door nobele conservatieve overtuigingen, godsdienstige opvattingen waarmee niet te marchanderen valt of simpele overwegingen van doelmatigheid. Daarin komt verandering. Het verzet tegen de ultra-Verlichting en wat daar verder uit misverstand of kwaadwilligheid onder verstaan wordt, krijgt meer het karakter van een backlash. In Rijswijk is een man die van pedofilie wordt verdacht met zijn gezin uit de buurt verjaagd. Christelijke politici voor wie de integriteit van het menselijk lichaam heilig zou moeten zijn, pleiten hartstochtelijk voor 'chemische castratie'. Een kind van veertien dat zich aan overigens niet geringe zedendelicten heeft schuldig gemaakt, wordt tot een half jaar gevangenisstraf veroordeeld door een rechter die bij het voorlezen van het vonnis zelf een ogenblik door zijn gevoelens wordt overmand. In Elst krijgen de bewoners van een asielzoekerscentrum voor de zekerheid de avondklok opgelegd, 'omdat dit voor alle partijen het beste is'. Ontstaat er een zuil van de backlash? Er is geen organisatie, er zijn alleen symptomen, en er is een toenemende 'druk op de politiek' waarmee de politiek geen raad weet. Ook deze twee zuilen lopen dwars door de partijen heen.

3nog anders, en zeker verwarrender is het gesteld met de zuilen van de openbare orde. Een paar jaar geleden werden op 'stapavonden' twee jongemannen door leeftijdgenoten dus danig mishandeld dat ze het niet overleefden. Ze waren niet de eersten en ze zouden de laatsten niet zijn. Maar hun dood veroorzaakte een schok. Er was kennelijk een kristallisatiepunt bereikt, een tot hier en niet verder. Toen is de uitdrukking zinloos geweld ontstaan. De daders werden gepakt en berecht, maar lang voor de processen hadden het verzet tegen dit soort geweld, de droefheid en de verontwaardiging zich geritualiseerd in optochten, het leggen van kransen, minuten stilte en het aanbrengen van gedenkstenen. Vorig jaar sprak minister Van Boxtel (Grote-stedenbeleid) in een vraaggesprek met deze krant van 'een proces van geestelijke verloedering'. Hij wilde een discussie op gang brengen om 'de verslonzing van de samenleving aan te pakken'. In de zomer van dit jaar onthulde de minister een bord bij de ingang van de Voetboogsteeg in Amster dam, ter markering van de 'geweldloze zone'. Niet lang daarna werd in Amersfoort het Monument tegen Geweld, een glazen plaat met een gedicht, kapotgegooid. Deze plaat was aan gebracht nadat een koperen plaat was bekrast. Ritualisering van het verzet tegen, of bestrijding van geweld hoort misschien tot de geest van de tijd. Helpt het tegen geweld? Nee.

De discussie over de openbare orde leidt niet tot een duidelijke oplossing van het probleem.

De statistiek zegt dat sommige misdrijven, bankroven en andere overvallen, juist afnemen. Geweld bedreven door 'jeugdigen' neemt misschien toe. Criminologen betogen dat het gevoel van onveiligheid niet met het werkelijke risico van beroving of aftuiging moet worden verward. Het gevoel van onveiligheid groeit na een ernstige misdaad die aanleiding geeft tot ritualisering en de daarmee verbonden publiciteit. Dan wordt ook de 'roep om meer blauw op straat', strenger straffen, zero tolerance weer dringender. Een duidelijke zuilenstructuur is er niet; eerder een permanent heen en weer golvend debat zonder een duurzame uitslag die de overheid de verplichting van een consistent beleid oplegt. Ieder jaar wordt opnieuw ontdekt dat de Amsterdamse Wallen een 'broeinest' van kleine en grote criminaliteit zijn. Met enig geraas van publiciteit begint de overheid aan de herovering. Geruisloos weten de boeven dan kennelijk het verloren terrein terug te winnen.

Het Nederlands genie bestaat hierin dat het er, ondanks deze tegenslag en stagnatie, voorbeeldig in slaagt de economische groei te handhaven. In tien jaar tijd is de Nederlander van rustig burger in zijn verzorgingsstaat praktisch veranderd in het ideaaltype dat Joseph Schumpeter, en velen na hem, voor de vrije markt hebben ontworpen: de homo economicus, de concurrentiemens, degene die, in de woorden van Thomas Friedman, iedere dag zo snel mogelijk zijn honderd meter rent en zich ertoe heeft veroordeeld om de volgende dag opnieuw te winnen. Daarbij heeft hij zich vast voorgenomen met volle teugen te genieten van onze boom, van alles wat de vrije markt te bieden heeft. Vandaar dat de totale Nederlandse hypotheekschuld tot het record van 544 miljard gulden is gestegen en het consumptief krediet tot 30 miljard.

Tegenover traagheid en stagnatie staat het hectische dagelijks leven van de paranoïde poldermens. De taal van zijn media, zijn krant en zijn specialistische tijdschriften, de reclame waaraan hij zich blootstelt, het trilt allemaal van opwinding. Het is geen wonder dat er zo velen opgebrand raken. Ze moeten elkaar voor blijven en al doende zijn ze verplicht hun dagelijks gevecht tegen de impasse van het nieuwe zuilensysteem te voeren. Aan het einde van de eeuw heeft het vaderland een koortsachtige aanblik. 'Mijn indruk', zei Wim Kok in het Jaarboek voor het democratisch socialisme, 'is, dat we in ons deel van de wereld - de vs inbegrepen - op een soort vulkaan leven.'

Daar schrok het volk even van, en dat was weer een schrik voor de premier. Hij herstelde zich. Hij had bedoeld: 'een slapende vulkaan'. Is dit niet het herstel van een consensus? Met zo'n uitspraak kunnen we verder, in ons model van maximale snelheid en stagnatie. M