Op kousenvoeten de oorlog in

'Nederland is min of meer slaapwandelend de Kosovo-oorlog ingegaan', zegt een diplomaat. Het blijft verbazingwekkend dat kabinet en Tweede Kamer zo vurig hebben gehoopt dat president Milobetaevic akkoord zou gaan met een vredesregeling dat zij de navo min of meer 'en passant' het mandaat gaven voor de luchtacties. Dat mandaat was bedoeld om de Servische president duidelijk te maken dat het menens was. Het debat tussen kabinet en Kamer ging dan ook steeds over de situatie die zou ontstaan na het zwichten van Milobetaevic, over de veiligheid van waarnemers van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (ovse) die moesten toezien op de naleving van een vredesakkoord. En over samen stelling en commandostructuur van de Extraction Force, die in geval van nood voor hun evacuatie zou moeten zorgen. Vooral daarover was de Kamer bezorgd, daarmee hadden de liberale ministers Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) en De Grave (Defensie) problemen. De Clingendael-onderzoekers Leurdijk en Zandee beschrijven dit in hun studie Kosovo, Van crisis tot crisis.

Op 8 oktober 1998 gebeurt het. Terwijl navo-commandant Wesley Clarke de Activation Order nog aan het voorbereiden is, deelt het kabinet de Tweede Kamer per brief mee dat het zestien f-16's en twee tankvliegtuigen ter beschikking stelt voor eventuele navo-luchtacties boven Servië en Kosovo. Het gaat de regering daarbij vooral om 'prompte naleving' door Servië van de net aanvaarde resolutie 1199 van de Veilig heidsraad. De regering beschouwt militair geweld als allerlaatste middel en verbindt daar een lange reeks voorwaarden aan: instemming van alle navo-landen, ook over de legitimiteit van de acties, deelname van zoveel mogelijk landen en politieke controle in elke fase van een militair optreden.

Na een overleg met Van Aartsen en De Grave - dat vooral de humanitaire kant van de crisis raakte - gingen de vaste Kamer-commissies voor Buitenlandse Zaken en Defensie akkoord met de brief van het kabinet. Een plenair debat werd niet gevoerd. De commissies keurden zo ook een zinsnede uit die brief goed die nog grote betekenis zou krijgen. De Nederlandse bijdrage zou worden ingezet in navo-verband, waardoor 'een heldere commandostructuur' gegarandeerd zou zijn.

Vrij vertaald: het lijkt ons niet waarschijnlijk dat het tot luchtacties komt, maar mocht dit wél het geval zijn, dan gaat het om navo-acties, uitgevoerd door de navo en niet door de nationale regeringen. Die verzekering was misschien mede ingegeven door de herinnering aan het Nederlandse Srebrenica-échec van juli 1995, toen minister Voorhoeve (Defensie) zich in zijn Haagse bunker geregeld met het strijdverloop had bemoeid en de commandostructuur voor velen onhelder was.

Het uitgangspunt dat het commando van Allied Force geheel bij de navo lag, leverde het kabinet het verwijt op van 'passiviteit'. 'We hebben voortdurend de indruk willen wegnemen dat we een zelfstandige rol vervulden binnen de navo-operaties, we hebben gedaan of het ging om een operatie volgens artikel 5 van het navo-Verdrag (dat bijstand verplicht als een van de lidstaten wordt aangevallen)', zegt een ingewijde.

Deze strategie kan veel verklaren. Bijvoorbeeld dat premier Kok, anders dan de presidenten Clinton en Chirac, premier Blair en kanselier Schroder, geen 'nationale toespraak' hield toen de acties begonnen, maar Van Aartsen de mededeling in de Tweede Kamer liet doen. Kok zelf bleef die avond op de Top van de Europese Unie in Berlijn, waar Nederland een belangrijk succes op een heel ander terrein behaalde, een korting op zijn bijdrage aan de Europese Unie voor de komende jaren.

Het Haagse uitgangspunt verduidelijkt misschien ook waarom minister De Grave zich weliswaar dagelijks door zijn chef defensiestaf Kroon liet informeren over Allied Force, maar de voorlichting daarover overliet aan de navo. De Tweede-Kamer leden kregen zelfs op vertrouwelijke briefings maar schaarse informatie. Ook met de keuze van aanvalsdoelen of met de discussie over de inzet van grondtroepen bemoeide Den Haag zich niet actief. De preciese rol van Nederlandse f-16's in acties werd bepaald in het Italiaanse Vicenza door het luchtmachtcommando van 5 ataf, dat onder het zuidelijke navo-commando (afsouth) valt. De Nederlandse commodore Bakker informeerde Den Haag achteraf per fax over de missies.

Zelfs operationele successen van de Nederlandse f-16's, zoals het neerhalen van een Servische MiG-29, het uitschakelen van 18 Servische helikopters en Galeb-jachtbommenwerpers op de vliegbasis Podgorica in Montenegro, en de vernietiging van drie Servische MiG-29's op de basis Batjanica werden pas bevestigd nadat die in andere hoofdsteden waren gemeld.

In Washington, Londen, Parijs en Berlijn werd de publieke tribune wél actief bespeeld. Hoewel de Nederlanders bijna evenveel missies vlogen als de Britten en tweemaal zoveel als de Duitse Tornado's, is daardoor het verwijt van Haagse passiviteit toch blijven bestaan. navo-generaal Short zei het in oktober in zijn getuigenis voor de Amerikaanse Senaat zo: je kunt die Nederlanders echt om een boodschap sturen, ze hebben goed materieel en goede mensen en ze stellen geen lastige vragen.