...maar dan had ik niet meer geleefd

Op de avond van de 24ste maart van dit jaar doolden honderdduizenden Kosovaren rond op weg naar oorden die niet hun thuis waren. Sommigen waren al bijna een jaar onderweg, mensen uit Drenica, mensen uit Decani, mensen uit de buurt van Podujevo - allen in 1998 verjaagd door de Servische strijdkrachten tijdens wat genoemd werd een antiterroristische operatie.

Diezelfde avond doolden op hun manier ook de politieke leiders rond in hun politieke habitat. Tien jaar al teerden ze op het geduld van de Kosovaren, terwijl ze probeerden het regime van Milobetaevic op de knieën te krijgen met een pacifistisch beleid dat nog het meest leek op nietsdoen en afwachten. Ze waren gaan onderhandelen in Rambouillet en Parijs, ikzelf incluis, hopende dat de kwestie-Kosovo eindelijk in handen van de grotere mogendheden zou worden gegeven.

En in de bossen van Kosovo, hun eigen habitat, doolden ook de strijders van het uck, die hetzelfde voelden als de passieve politici, maar dan in sterkere mate: dat de kwestie-Kosovo in handen van de machtigen der aarde zou worden gegeven, was een grote opluchting voor een gewapende beweging die de moed had gehad een zeer ongelijke strijd aan te gaan met de moordmachine van Milobetaevic , maar die niet over de training, de wapens of het organisatievermogen beschikte om de beslissende slag binnen te halen en Kosovo te bevrijden.

Als de eerste bommen vielen, zou het verleden eindigen en een volstrekt nieuw tijdperk beginnen, een tijdperk van bevrijding. Maar stel dat de geschiedenis nu eens een andere loop zou nemen...

Dat was ons grote dilemma bij de onderhandelingen in Rambouillet. De landen van de navo hadden bij herhaling dreigementen tegen Milobetaevic geuit, en hij had gereageerd door hen verder uit te dagen. Telkens wanneer hij te horen kreeg dat de navo niet werkeloos zou toezien, deed Milobetaevic er nog een schepje bovenop. Terwijl in het voorjaar van 1998 een delegatie van Kosovaren met president Clinton sprak, en deze ons nogmaals verzekerde dat de vs geen herhaling van Bosnië zouden toestaan, was Milobetaevic op hetzelfde ogenblik bezig 20.000 Kosovaren uit Decani en omgeving te verjagen om zo een tien kilometer brede corridor tussen Kosovo en Albanië etnisch te zuiveren.

Maar als de belofte die in Rambouillet was gedaan, namelijk dat het slotdocument geldig zou zijn en er tegen Servië geweld zou worden gebruikt als het zich niet bereid toonde tot een regeling, vals zou blijken te zijn, wat dan? Of, erger nog, als een deel van de Kosovaarse delegatie niet bereid zou zijn het akkoord te ondertekenen - zoals inderdaad in Kosovo is gebeurd - waarmee men de kans om de navo in de kwestie te betrekken dreigde te verspelen?

Ik heb destijds de situatie waarin we ons bevonden vergeleken met die van de Koerden. Aan hun lot overgelaten zouden de Kosovaren in hun strijd tegen Milobetaevic een veel groter leger tegenover zich vinden dat vrijelijk en met even grof geweld als voorheen tegen de burgerbevolking zou kunnen optreden.

Maar zelfs dat had nog niet eens het eind van het liedje hoeven te zijn. De Servische strijdkrachten hadden ook nog hun grootste 'an-titerroristische operatie' kunnen uitvoeren, de beruchte 'Operatie Hoefijzer'. Meer dan een miljoen mensen had het leger uit hun huizen kunnen jagen - op zijn gemak, want het zou zes tot negen maanden de tijd hebben gehad. Rondzwervend in Kosovo zouden de Kosovaren geen andere keus hebben gehad dan te vertrekken.

Dan hadden we geen lange stoeten mensen meer gezien die het Westen deden denken aan Schindler's List, maar families die heimelijk door de bergen van Albanië, via de grensovergangen naar Macedonië, over de grens van Montenegro en verder zouden zijn getrokken. En dan via de inmiddels bestaande transportwegen vanuit de zeehavens van Albanië en Montenegro naar West-Europa. De exodus zou niet het bijbelse beeld van een lange colonne hebben geboden, maar meer weg hebben gehad van een soort cynisch ondergronds toeristisch arrangement, waarbij de straten van West-Europa werden overspoeld met mensen, op de vlucht voor een oorlog waarvoor hun onvrijwillige gastlanden geen afdoende verklaring zouden kunnen bieden.

Sommige Kosovaren zouden de oorlog hebben voortgezet. Met alle mogelijke steun, zich hergroeperend waar het maar mogelijk was, zouden de strijders grenzen noch steunverleners hebben gerespecteerd. De buurlanden Albanië en Macedonië hadden guerrillabases op hun grondgebied moeten gedogen, en regeringen die dat niet wensten zouden de toorn van de strijders van een ontheemde natie over zich hebben afgeroepen. In de steek gelaten door de navo, gewikkeld in een wanhoopsstrijd met gebrek aan middelen, een strijd die ze met iedere vertrekkende Kosovaar verder verloren, zouden de strijders hun toevlucht nemen tot extreme tactieken. Een volk dat zich in oorlog waande zou zich binnen het jaar in alle hoofdsteden ter wereld richten tegen alles wat ook maar zweemde naar Servische bezittingen. Sommige Kosovaren zouden stateloze zwervers worden, bereid zich te vestigen in elk land dat hen wilde opnemen, anderen zouden steeds verder zijn geradicaliseerd tot strijders voor wie het oorlogsrecht niet bestaat.

De navo-landen zouden oproepen tot onderhandelingen, en Milobetaevic zou uiteindelijk ook aan de onderhandelingstafel plaatsnemen, om een soort culturele identiteit te garanderen aan de minder dan twintig procent Kosovaren die in het land waren achter-

gebleven. Resolutie na resolutie van internationale organisaties zou het recht bevestigen van de Kosovaren om naar hun thuisland terug te keren. Er zouden ook vergeefse verzoeken liggen van het Internationale Tribunaal voor Oorlogsmisdaden in Den Haag dat hun teams toestemming zouden krijgen voor onderzoek op plekken waar oorlogsmisdrijven zijn gepleegd.

In de jaren daarna zouden Kosovaarse gemeenschappen in Vancouver, Dortmund, Maastricht of Luik droeve liederen zingen over het land waaruit zij werden verdreven. De tweede generatie immigranten zou worden gevraagd te vertellen over hun ervaringen in het jaar dat Europa haar ogen sloot voor de etnische zuivering die bij de buren plaatsvond. Er zouden conferenties worden gehouden over conflictbeheersing onder de titel: 'De Kosovo-crisis: hoe dit falen onze houding heeft beïnvloed'. Op seminars zou nog steeds geruzied worden over het aantal doden, waren het er nou 10.000 of minder dan de officiële cijfers?

En ik zou niet meer in leven zijn om dit stuk te schrijven. Iemand die mij gekend had, zou mijn verhaal hebben verteld. Het verhaal van een man die al zijn hoop had gevestigd op de navo, die zijn volk zou beschermen, en die verkeerd had gegokt. En daarvoor zwaar had moeten boeten.

Veton Surroi is hoofdredacteur van de Albanese krant Kohaditore in Pristina