Column

Koopzucht

Utrecht is een prachtige grachtenstad

Een prachtige grachtenstad

moet je op zijn Utrechts uitspreken.

Ooit had ik er een meisje

met haar wandelde ik op een

zondagochtend

door een stille stad naar het station.

Een scharrelduif,

een hongermeeuw

en een fietser

op weg naar een sportpark.

Meer kwamen we niet tegen.

Het was zondag.

De kerk orgelde nog.

Maar Utrecht wordt nooit meer stil.

En Amsterdam ook niet.

Net als Rotterdam.

En Eindhoven.

Nooit meer stil.

Altijd zijn de winkels open.

Altijd.

Ook op zondag.

Juist op zondag.

Drukker dan druk.

Mensen.

Overal mensen.

Mensen met dingen.

Hebbedingen.

Zinloze hebbedingen.

Curiosacadeautjes.

Geurkaarsenwinkels.

Namaakantiek.

Aanbiedingen.

Alle parkeergarages vol.

In Amsterdam een stadsfile

van enkele kilometers.

Allemaal middenklasjapanners

Gevuld met provinciegezinnen

Gezinnen met een volle creditcard

en zin.

Veel zin zelfs.

Zin in winkelen.

Gezellig winkelen.

Dingen kopen.

Hebbedingen.

Hebben = zijn!

Voortwoekerende koopkanker.

En de geur van hamburgers,

Vietnamese loempia's,

frites en net gebakken noten.

Stroopwafels niet vergeten.

Van die kartonnen verse stroopwafels.

Speelgoedverzadigde kinderkamers.

Door de datum lopende levensmiddelen.

Omdat we het voor de vervaldag niet

opkrijgen.

Te veel.

Veel te veel.

Een pasgeboren kind met zestig knuffels.

Een puber met tig cd-rommetjes.

Dwaze dagen in de Bijenkorf.

Wanneer?

Altijd.

De ongelezen boekentoptien op een tafeltje thuis

Amper gedraaide cd-tjes.

Ikeabakken met zakken vol waxinelichtjes.

Mijn moeder kocht er zes.

In een blauw Verkadepakje.

Wij kopen een plastic zak met tweehonderd waxientjes.

Tweehonderd waxientjes.

Niet weer zalm.

Ik heb deze week al drie keer zalm gehad.

Broodje?

Broodje oorlog is met vlees en saus en

tomaat en komkommer en

ketchup en uiringen en mayo en sla.

Dat laatste is voor het gezond.

We hebben een nieuwe bank.

Was de oude op?

Nee, maar de kleur verveelde ons.

Zeven fietsen in de schuur.

Drie televisies. Twee video's.

Drieëntwintig kanalen.

Zullen we een film huren?

Welke?

Je kan kiezen!

Uit hoeveel?

Zevenhonderd.

Waarheen met vakantie?

Als het maar ver is.

Aruba, Mauritius!

Waar Urk ligt?

U vraagt aan mij waar Urk ligt?

Geen idee!

Doet dat er toe dan.

Schiphol zit verstopt.

Wachttijden van negen uur.

Is niet erg.

Je kunt er prima winkelen.

En ook nog taxfree shoppen.

Onze kleine heeft alle pretparken al gezien.

Allemaal.

Tot Legoland aan toe.

Ook zoiets.

Bakken vol Lego.

Bakken vol Playmobil.

Gooi maar weg.

Doet ie niks meer mee.

Niks waterpistool.

Een watermitrailleur,

die veertig meter spuit.

Doet zelfs een beetje pijn.

Een Furby of twee Furby's?

Soms piept de Tamagotchi,

Maar ik weet niet waar hij ligt.

Ik hoor hem wel, maar ik zie hem niet.

Net als ik denk dat hij weet waar hij ligt

Dan houdt ie zijn bek.

Twee GSM's.

Als ik de ene kwijt ben bel ik met de andere

de ene

Makkelijk.

Ik smeek om een kooploze zondag.

Ik smeek.

Ik wil nog een keer aan mijn kinderen

laten zien dat Utrecht

een prachtige grachtenstad is.

Vooral op zondagochtend.

Met een scharrelduif en

een hongermeeuw

en een eenzame fietser.

Kan niet meer.

En Amsterdam was op zondag nog mooier.

Maar ja,

de middenstand bloeit.

En daar gaat het om.

Otto Snoek (1966) omschrijft zichzelf als 'autonoom

documentair fotograaf'. Hij woont in Rotterdam, en kan een groot deel van zijn werkterrein te voet doorkruisen.

'De verveling is gaande. En welvarende mensen vervelen zich, want geld verschaft tijd, en tijd herhaalt zich.'

Snoek heeft in zijn fototas ook een boodschappentasje, 'voor als ik onderweg iets leuks tegenkom'.