INDIRECT LICHT PLANEET OM TAU BOÖTIS MOGELIJK WAARGENOMEN

Britse astronomen lijken er voor het eerst in te zijn geslaagd het licht van een planeet bij een andere ster te hebben waargenomen, zo meldt Nature van 16 december. Het licht wordt niet door de planeet zelf geproduceerd, maar is sterlicht dat door de planeet in de richting van de aarde wordt gekaatst. De planeet draait om Tau Boötis, een ster op een afstand van ongeveer 50 lichtjaar die wat groter en heter is dan de zon. Drie jaar geleden werd uit een periodieke variatie in de snelheid van deze ster afgeleid dat hij in 3,3 dagen wordt omcirkeld door een planeet met een massa van minstens vier maal die van Jupiter. Aangezien de ster ook in 3,3 dagen om zijn as wentelt, vormen ster en planeet een star, rotatiegebonden systeem.

De reuzenplaneet staat zo dicht bij de ster (op nog geen twintigste van de afstand aarde-zon), dat zelfs de Hubble Space Telescope niet in staat is het planeetbeeldje los van het sterbeeldje te zien. Die korte afstand heeft echter wel tot gevolg dat de reuzenplaneet een relatief grote hoeveelheid licht van de ster reflecteert. Als de planeet ongeveer even groot is als Jupiter en hetzelfde reflectievermogen heeft, zou hij tijdens zijn meest gunstige stand 0,01 procent van het sterlicht naar de aarde kaatsen. En door zijn grote baansnelheid (152 km/s) zou in het gereflecteerde sterlicht een vrij grote dopplerverschuiving kunnen optreden.

Deze dopplerverschuiving zou zich moeten manifesteren in het spectrum van de ster. Dit zou twee patronen van absorptielijnen vertonen, waarvan het zwakste periodiek heen en weer schuift. Andrew Cameron en zijn collega's hebben met de 4,2 meter William Herschel Telescope op La Palma naar tekenen van dit zeer zwakke patroon gezocht. Hierbij moesten zij rekening houden met verscheidene onbekende en verstorende factoren, zoals de onbekende oriëntatie van het baanvlak van de planeet (en dus van de grootte van de dopplerverschuiving), de allesoverheersende invloed van het directe sterspectrum, de `versmering' van de spectraallijnen als gevolg van de rotatie van de ster en de kans dat het reflectievermogen van de planeet veel kleiner is en niet op alle golflengten gelijk.

Na uitvoerige analyses lijken de astronomen nu inderdaad de zeer zwakke tekenen van het door de planeet gereflecteerde sterlicht te hebben gevonden. Die tekenen zijn het duidelijkst wanneer wordt aangenomen dat het baanvlak van de planeet een hoek van 60 graden met de waarnemingsrichting maakt. Dat gegeven maakt het mogelijk de precieze massa van de planeet te bepalen: acht maal die van Jupiter. In een begeleidend commentaar in Nature houden Adam Burrows en Roger Angel echter nog een slag om de arm. Omdat het licht van de planeet zo zwak is, is er een kleine maar niet te verwaarlozen kans dat het gevonden effect uit de `ruis' is ontstaan. En tijdens waarnemingen die twee jaar eerder door anderen met de 10 meter Keck-telescoop op Hawaii werden verricht, zouden géén tekenen van het licht van de planeet zijn gevonden.