Het was een ijzingwekkende tijd

Soldaat van het uck:

Basri Ismajli (39) heeft twee juwelierswinkels en een werkplaats in Pribetatina.

'Ik ben bij het uck gegaan, nadat mijn broer Bekim door de Serviërs was gemarteld en vermoord. Hij had zijn sympathie voor het uck nooit onder stoelen of banken gestoken. Een week nadat ze hem hadden opgepakt konden we hem ophalen bij het politiebureau. Dood. Op zijn lichaam zaten blauwe plekken en korsten bloed. "Jullie zijn gewaarschuwd", fluisterde een Servische paramilitair. Op zijn graf heb ik gezworen dat ik zijn dood zou wreken.

Ik sloot mij aan bij een guerrilla-eenheid in Pribetatina. We voerden sabotageacties uit, en belden de commandanten in Albanië en Macedonië door wat er in de hoofdstad gebeurde. Toen de bombardementen begonnen, hebben de Serviërs de lijn doorgeknipt. Vanaf dat moment gaven we documenten mee met koeriers. Eén keer ben ik zelf naar Tetovo gegaan. Ik werd gek van de spanning, maar ik wilde ook mijn vrouw en kinderen zien, die ondergedoken zaten bij Lipljan.

We reisden 's nachts, sliepen overdag. De grens passeren was niet moeilijk. Bevriende boeren wisten precies waar de mijnen lagen.

In Tetovo zijn we drie dagen gebleven. We kregen de opdracht om onze guerrilla-activiteiten op te voeren. Spijkers voor autobanden vonden ze maar kinderspel. Met twee pistolen en munitie gingen we weer terug naar Pribetatina. Onderweg zagen we grote groepen mensen op weg naar de grens. Het motiveerde ons om de acties op te voeren.

Het was een ijzingwekkende tijd. Ik ben geen held en was voortdurend bang. In Pribetatina hebben we geprobeerd om het hoofdbureau van politie op te blazen, maar de zelfgemaakte bom ging niet af. Met kleinere brandbommen hebben we wel kleinere politieposten bestookt; twee zijn helemaal in de as gelegd. Eén keer is een uck-kameraad daarbij verbrand, we wisten niet dat hij gevangen zat.

Ik woonde met nog drie mannen in de kelder van een uitgebrand huis. Een vriend zette iedere nacht een tasje met eten klaar. Af en toe wisselden we informatie uit met andere uck'ers. Het ging allemaal vrij amateuristisch, alleen onze leider en verbindingsman Riat was opgeleid in Albanië.

Toen de bombardementen losbarstten, waren we zo opgetogen dat we al de straat op wilden om de bevrijding te vieren. De kater kwam toen we nog meer deportaties zagen. Met drie kalasjnikovs konden we niet veel doen, maar 's nachts zijn we Servische patrouilles gaan beschieten. Uit wraak. Na de eerste actie lag ik te trillen in mijn bed. Ik wist zeker dat ik iemand had gedood. Een Serviër. Een barbaar. Maar ook een mens. Riat heeft mij toen stevig aangepakt. "Denk aan je broer", zei hij. "Toen ze hem martelden, dachten de Serviërs ook niet: een mens". Dat heeft wel geholpen. Ik kon weer slapen.

Toen het hoofdbureau van politie door de navo werd gebombardeerd, vierden we feest. Ik ben 's avonds wezen kijken, we verschuilden ons in een van de opslagruimten onder het voetbalstadion. We trilden op onze benen, want het krioelde van de Servische politiemannen en zwarte para's. Tegen de ochtend konden we wegglippen.

Ik leef nu weer een paar maanden samen met mijn gezin. We proberen de draad weer op te pikken, maar er gaat geen uur voorbij of ik denk aan die tijd. Aan de angst. De angst om je gezin, de angst om opgepakt te worden. En ach, mijn broer. Als ik aan zijn laatste uren denk, word ik gek. Wat hebben die Serviërs met hem gedaan?

Mijn vrouw is weer zwanger. Een kind dat hopelijk in een vrij Kosovo kan opgroeien. Ik hoop op een jongen, dan noemen we hem Bekim.'