Het politieke debat moet inhoud krijgen

Veel deelnemers aan discussies over staatkundige vernieuwing komen niet verder dan het doen van voorstellen om de staatkundige structuur aan te passen. Het is echter van belang de inhoud van het politieke debat weer centraal te stellen omdat pas in tweede instantie structuren interessant zijn, menen Ab Klink en Marnix van Rij.

De politiek discussieert al decennia over staatkundige vernieuwing en over structuuraanpassingen. Heel zinvol, maar toch is nu het hoog tijd de inhoud centraler te stellen want om die inhoud draait in essentie de parlementaire democratie. Pas in tweede instantie zijn de structuren interessant.

Ervaringen leren dat ook: de opkomst bij referenda lijkt recht evenredig aan het aantal dat uitgeschreven wordt. In die deelstaten van Duitsland die bij de laatste verkiezingen overgingen op het rechtstreeks kiezen van de burgemeester daalde de opkomst fors: van 25 tot 30 procent. Dat ligt natuurlijk niet aan die verandering, maar het toont wel de betrekkelijkheid daarvan aan. Burgers zoeken in de politiek het debat over de toekomstige inrichting van hun land en gemeenschap. Dat debat is zoek.

Dat heeft alles te maken met mijden van politieke conflictstof. Als het bindmiddel binnen een coalitie precair is, wordt de voorkeur gegeven aan een strak coalitiemonisme en een pragmatische aanpak – een mooi woord voor de waan van de dag. De NS en de vakbonden kunnen over die waan meepraten. Gevolgen voor het parlement blijven niet uit.

Keer op keer laat de Tweede Kamer zich een loer draaien door in te stemmen met haastige procedures die door het kabinet worden gedicteerd. Van een serieuze medewetgevende arbeid is geen sprake. De Kamerleden krijgen de tijd niet of nemen de tijd niet. Ambtenaren krijgen zo een monopoliepositie bij het wetgevingsproces. Het kabinet luistert amper meer naar adviezen van de Raad van State. Het politieke kortetermijndenken overheerst. De burger komt er pas aan te pas wanneer de wet eenmaal is ingevoerd. Vervolgens kan diezelfde burger alleen nog verhaal halen bij de rechter. Die geeft diezelfde burger vaak gelijk (Varkenswet, wachtlijsten zorg en straks bij de belastingwetgeving). De burger verliest daardoor in toenemende mate het vertrouwen in de politiek. Langzaam zakt de legitimatie van het parlementair-democratische stelsel op deze manier door de enkels. De machthebbers reageren vervolgens arrogant door de rechter te verwijten dat die aan politiek doet. Dan is de cirkel rond. En die cirkel moet doorbroken worden.

Daarnaast zijn opvattingen over een minimale staat gaan overheersen. Ook die discussie blokkeert belangrijke debatten die gevoerd zouden moeten worden: over de biotechnologie bijvoorbeeld of over het selecteren op eigenschappen van ongeboren kinderen. De impact daarvan is revolutionair, en raakt iedereen. Op de achtergrond speelt zij al mee bij de discussie over vruchtafdrijving na 24 weken en over de preïmplantatiediagnostiek. Maar Den Haag zwijgt.

Daarnaast doet het keurslijf van het regeerakkoord zijn werk. Neem de manier waarop de kosten van de vergrijzing opgevangen dienen te worden. Maximale arbeidsdeelname van mannen en vrouwen, onder wie bijstandsmoeders, zegt het kabinet. Werk was en is leitmotiv van het kabinet. Een fundamenteel debat over de inhoud van emancipatie en over de vraag welk arbeidsmarktbeleid bijdraagt aan de kwaliteit van de samenleving, wordt echter niet gevoerd. Het is de automatische piloot, gecanoniseerd in het regeerakkoord, die regeert. Inhoudelijke vragen en politieke breukvlakken worden aldus aan het oog onttrokken.

Maar zij zijn er wel degelijk. Zo koerst dit kabinet met zijn `werk, werk en werk' af op een samenleving waarin de koersindexen, de mallemolen van 24-uursbedrijvigheid en de virtuele entertainment beeldbepalend worden. De effecten zijn echter verre van virtueel. De publieke sector kwijnt weg. Leraren, agenten, verpleegkundigen en rechters zijn steeds moeilijker te vinden. Dat gaat ten koste van de veiligheid op straat, van leerlingen, van onderwijsvernieuwing, van mensen in ziekenhuizen en wachtenden op thuishulp. Ondertussen gaat het kabinet verder met het verlichten van lasten en het opjagen van de economie.

Gezinnen staan onder grote druk, zeker als er kinderen zijn. Financieel betekent dat de nodige aderlatingen. De werkdruk, gecombineerd met urenlange files en met vertragingen op het spoor, zorgen voor een bijkans permanent tijdgebrek. Ouders realiseren zich de noodzaak van een stabiel opvoedingsklimaat, maar ondertussen is het niet eenvoudig dat te realiseren. Emancipatie en een evenwichtiger verdeling van zorg en arbeid? Voor het kabinet zijn zij langzamerhand synoniem voor werken en nog eens werken. Dat leidt tot verschraling.

Bij een pleidooi om de inhoud in het politieke debat weer centraal te stellen, past een belangrijke taak voor de volksvertegenwoordiging en de politieke partijen. Zij zijn de onmiskenbare fora voor het inhoudelijke debat. Vervolgens is het zinvol naar de structuren te kijken. De overheid kan te rade gaan bij de WRR, het SCP, het CPB, en het WODC, zij beschikt over riante budgetten voor onderzoek, over ambtelijke staven en over ruime middelen voor `interactief besturen'. Het past bij de professionaliteit van een modern bestuur. Maar het inhoudelijke debat voor de langere termijn mag niet van ambtenaren worden verwacht. Het is hun taak en competentie niet. Dat is de reden waarom meer geïnvesteerd moet worden in de ondersteuning van fracties, in wetenschappelijke bureaus voor partijen, in het vormings- en jongerenwerk rond partijen.

Ook andere onderwerpen verdienen aandacht: zijn de instrumenten van de volksvertegenwoordiging nog wel toereikend? Moeten minderheidsenquêtes worden uitgevoerd, is meer dualisme op gemeentelijk vlak op zijn plaats? Moet een terugzendrecht komen voor de Eerste Kamer?

Maar essentieel is dat bij de structuurdiscussies een wisseling van perspectief plaatsvindt. Na het reinventing government van de afgelopen decennia is het tijd voor een brede, serieuze gedachtewisseling over reinventing democracy, over de versterking van de volksvertegenwoordiging en politieke partijen. Alleen via de inhoud kan publiek ongenoegen immers worden omgebogen in betrokkenheid: het waarmerk van een democratie.

Ab Klink is directeur van het wetenschappelijk instituut voor het CDA en Marnix van Rij is voorzitter van het CDA.