Het noorden kwijt

Bepalen taalkundige kenmerken ons denken? De Nijmeegse onderzoeker Stephen Levinson denkt dat deze omstreden these wel degelijk een kern van waarheid bevat. Want sommige Aboriginals maken geen verschil tussen links en rechts.

IS DE TAAL DIE we spreken van invloed op hoe we kijken naar de wereld om ons heen? In de eerste helft van deze eeuw dacht men van wel. In die tijd begonnen taalkundigen en antropologen allerlei niet-westerse talen en culturen te bestuderen en ze kwamen dingen tegen die ze vreemd vonden. De voorbeelden zijn inmiddels klassiek: eskimo's die heel veel verschillende woorden zouden hebben voor heel veel verschillende soorten sneeuw en daardoor ook anders naar sneeuw zouden kijken dan wij. Hopi's die in hun taal geen onderscheid zouden maken tussen verleden, heden en toekomst en dus geen besef van tijd zouden hebben. En volkeren die, omdat zij in hun taal het woord blauw niet kennen, niet hetzelfde verschil tussen blauw en groen zouden zien als wij.

Van al deze voorbeelden is later aangetoond dat het broodje-aap-verhalen waren. Ze waren in het beste geval gebaseerd op rammelend onderzoek, en in het slechtste geval op verzinsels. Ook de indertijd erg populaire Sapir-Whorf-hypothese, die zegt dat de structuur van ons denken bepaald wordt door de structuur van de taal die we spreken, wordt nu als achterhaald beschouwd. Alleen in de filosofie kom je dit idee af en toe nog tegen.

Taalkundigen en psychologen gaan er tegenwoordig van uit dat taal en denken (cognitie) onafhankelijke systemen zijn die elkaar niet beïnvloeden. Het duidelijkst is deze gedachte geformuleerd door de psycholoog Steven Pinker die in zijn boek The Language Instinct (1994) zegt dat de `taal' van het denken niets te maken heeft met de taal waarin wij spreken.

Er zijn taalkundigen die vinden dat de balans nu te ver is doorgeslagen naar de andere kant. Een van hen is Stephen Levinson van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Hij onderzocht hoe ruimtelijke relaties in taal worden weergegeven en ontdekte dat talen hier heel verschillend mee omgaan. ``Het kan niet anders of dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop de sprekers van een taal kijken naar de ruimte om zich heen'', denkt Levinson.

Hij deed zijn ontdekking toevallig, in 1992, toen hij veldwerk deed in Australië, bij aboriginals die de taal Guugu Yimithirr spreken. ``De manier waarop zij praten over ruimtelijke relaties verschilt fundamenteel van de manier waarop wij dat doen. Ze hebben geen woorden voor links, rechts, voor of achter. Hun systeem is helemaal gebaseerd op de windstreken: noord, zuid, oost, west.''

Om te illustreren hoe dat gaat, haalt Levinson een plastic auto en een plastic koe te voorschijn. Hij plaatst ze op zijn bureau en vraagt de interviewer de situatie te beschrijven. ``De koe staat'', vanuit de interviewer gezien, ``links van de auto.'' Levinson: ``De aboriginal doet het anders. Die zegt: De koe staat ten-noorden-van de auto.''

Nu staat Levinson op. Hij verhuist de plastic voorwerpen naar een tafel die achter me staat en vraagt me de situatie die ik net gezien heb te reconstrueren. Ik draai me een halve slag om, loop naar de tafel en plaats de koe opnieuw links van de auto. ``Inderdaad'', zegt Levinson, ``Maar wat doet de aboriginal? Hij plaats de koe rechts van de auto, zodat hij opnieuw ten noorden van de auto staat.''

Als je in dit experiment de eerste opdracht – Beschrijf wat je ziet – overslaat en alleen de tweede opdracht laat uitvoeren – Reconstrueer de situatie die je net gezien hebt – dan kijk je niet meer naar hoe iemand spreekt, maar enkel naar hoe hij zich de ruimtelijke relaties herinnert. Met een dergelijk experiment kon Levinson vrij gemakkelijk aantonen dat een spreker van het Guugu Yimithirr niet alleen in termen van noord, zuid, oost en west spreekt, maar ook in die termen denkt. ``Hij moet wel'', zegt Levinson, ``Als hij de situatie in termen van links of rechts onthoudt, kan hij er later niets meer over zeggen. In het Guugu Yimithirr bestaan de woorden links en rechts niet.'' Andersom ligt het voor de Nederlander niet voor de hand om zich te herinneren of de koe nou ten noorden of ten westen van de auto stond.

EGOCENTRISCH

Het zijn twee volkomen verschillende systemen. De Nederlandse taal gebruikt wat Levinson een relatief of egocentrisch systeem noemt, het Guugu Yimithirr hanteert een absoluut systeem. Het aardige is dat je als spreker van een taal gedwongen wordt te denken in het systeem van die taal. Levinson: ``Als je iets ziet en je wilt daar later over vertellen, dan doe je er goed aan om het zo in je geheugen op te slaan dat je ook in staat bent om er later over te vertellen.''

Er zijn meer voorbeelden van dit fenomeen. In sommige talen kun je zoiets zeggen als Er was `fles' op tafel: je laat in het midden of er één fles stond of meerdere flessen. In het Nederlands kunnen we dat niet zo zeggen. We moeten kiezen tussen Er stond een fles op tafel en Er stonden een paar flessen op tafel. We moeten ons herinneren of het één fles was of meer dan één fles, want anders kunnen we de herinnering niet correct weergeven. Uit vergelijkend cognitief onderzoek is inderdaad gebleken dat de sprekers van een `fles'-taal zich minder goed herinneren of er nu één of meerdere flessen op tafel stonden.

Levinson onderzoekt nu een taal in Papua Nieuw-Guinea en hij denkt dat hij misschien een nieuw voorbeeld op het spoor is. ``Het is een taal die zes verschillende werkwoordstijden heeft. Voor iets wat gisteren gebeurd is gebruiken ze een andere werkwoordsvorm dan voor iets wat eergisteren gebeurd is. Je mag aannemen dat dat gevolgen heeft voor hoe ze zich iets herinneren. Wij hoeven ons niet te herinneren of iets gisteren of eergisteren gebeurd is. Zij wel.''

Levinson's vondsten op het gebied van de ruimtelijke relaties roepen onvermijdelijk de vraag op of de sprekers van het Guugu Yimithirr zich ook anders oriënteren dan wij. ``Er wordt meestal vanuit gegaan dat het oriëntatievermogen van de mens biologisch bepaald is. Zoals bij iedere andere diersoort het geval is. Maar ga je het onderzoeken, dan zie je dat de sprekers van het Guugu Yimithirr, wanneer ze door een bos of door een straat lopen, heel wat anders doen dan wij. Er gebeuren in hun hoofd gewoon andere dingen.''

Wat er precies in die hoofden gebeurt, weet Levinson niet. Maar hij kon wel met een eenvoudig experiment aantonen dat de sprekers van het Guugu Yimithirr een heel goed ontwikkeld richtinggevoel hebben, net als de sprekers van andere talen die het absolute systeem gebruiken. De Nederlander of de Engelstalige daarentegen scoren erg laag op dit gebied. ``Het lijkt er op dat ons oriëntatiesysteem ook cultureel bepaald wordt. Misschien zit het zo: de mens is in beginsel ontvankelijk voor verschillende mogelijkheden op dit gebied. Door de cultuur waarin hij opgroeit, of door de taal die om hem heen gesproken wordt, gaat hij een van die mogelijkheden verder ontwikkelen en raakt hij ongevoelig voor de andere mogelijkheden. Als de taal die we spreken een ruimtelijk systeem hanteert dat gebaseerd is op windstreken, dan worden we gevoelig voor de stand van de zon en verliezen we bijvoorbeeld ons gevoel voor links en rechts.''

Dit proces van desensibilisatie is ook bekend uit de fonologie. Een kind van zes maanden is al gevoelig voor de klanken van de taal die in zijn omgeving gesproken wordt en het wordt langzaam ongevoelig voor andere klankverschillen. Met het oriëntatievermogen van kleine kinderen gebeurt volgens Levinson iets vergelijkbaars. ``Een klein kind lijkt in de manier waarop het zich oriënteert een beetje op een rat. Zet een rat in een doolhofje en na wat oefenen weet hij precies dat hij een hoek van 135 graden moet maken om bij zijn voedsel te komen. Hij oriënteert zich geometrisch. Als je het doolhofje daarna zichtbaar verandert, zal de rat toch weer die hoek van 135 graden maken, hij let dus niet op wat hij ziet. Kleine kinderen gedragen zich ook zo, ze oriënteren zich geometrisch. Totdat ze, op een bepaald moment in hun ontwikkeling, opeens ook rekening gaan houden met kleur en vorm. Bijvoorbeeld de kleur van een muur. Het moment waarop ze dat gaan doen, rond de achttiende maand, valt samen met het moment waarop ze gaan praten. Ook dat is een voorbeeld van hoe taal en cognitie op elkaar inwerken.''