Het huis van de grote gebaren

Schatkamer van de wereld, bolwerk van het Franse kunst establishment, speeltje van de Franse presidenten. Maar het Louvre is ook een bedrijf, met honderden medewerkers, suppoosten, technici, conservatoren en brandweer-mannen. Een rondgang door de achterkamers van de Mona Lisa.

Wie is er bang voor het Louvre? Bijna alle zes miljoen mensen die jaarlijks naar het museum komen. Het is te moeilijk, te groot, zeggen zij, je raakt er de weg kwijt - als je er al in komt, buiten sta je uren in de rij. En toch komen zij. Wie Parijs doet, kan het Louvre niet overslaan. De magie van het moois is onweerstaanbaar.

Pierre Rosenberg, de president-directeur van de enige attractie in de wijde omgeving die het tegen de Eiffeltoren kan opnemen, weet er alles van: 'Laatst reed ik in een taxi hierheen. We raakten aan de praat over het museum. De chauffeur hield niet op over hoe mooi het Louvre was. Toen ik vroeg of hij er was geweest, zei hij: "Nee, ik wacht tot ik gepensioneerd ben". Veel mensen zijn bang voor het Louvre, bang dat zij een onbeholpen indruk maken, bang dat zij cultuurbarbaren zijn.'

Het museum doet er alles aan om iedereen een warm welkom te bereiden. Er zijn steeds meer manieren om van tevoren kaartjes te kopen en zo de rijen te omzeilen. 's Middags na drieën en 's zondags is het half geld. De eerste zondag van de maand is het museum gratis. Er zijn stille avonden. Overal is wat te zitten en te drinken. Jongeren en groepen kunnen rondleidingen op maat krijgen.

Het werkt. In tien jaar tijd is het bezoek verdubbeld. Daardoor is het soms te vol. Het Louvre is, mét de National Gallery in Washington, het drukst bezochte museum ter wereld. Het succes dreigt het Louvre te verlammen. En toch zinnen de medewerkers op nieuwe mogelijkheden om nog meer mensen te laten delen in het Grote Genieten.

In zijn prachtige, volle werkkamer aan de Seine veert Pierre Rosenberg - opvallend overhemd, grijs pak met brede krijtstreep - heen en weer op zijn stoel. Voor hem is het Louvre een universum van civilisatie voor iedereen, een 'palais de délectation'. Hij heeft het evenzeer over zichzelf als over zijn naaste collega's als hij zegt: 'Conservatoren moeten organiseren, maar ook geleerden blijven. Het is essentieel dat zij tentoonstellingen maken, boeken en artikelen schrijven.'

Waar haalt hij de tijd vandaan? Op de vrijdag dat wij elkaar spreken vliegt hij 's avonds weer eens naar Venetië, om er te schrijven. De flamboyante patroon van het Louvre, ook nog lid van Frankrijks culturele plechtanker, de Académie Franaise, aan de overkant van de rivier, verlaat Parijs als hij wil denken.

Maandag hoopt hij terug te komen met een stevige bijdrage voor een Festschrift. Het artikel, 'Chardin en Duitsland', gaat over de 18de-eeuwse schilder aan wie hij onlangs een succesvolle tentoonstelling wijdde in het Grand Palais.

Grands Travaux

Wie vijftien jaar geleden het woord Louvre uitsprak, dacht aan eindeloze, verstofte paleiszalen, waar sinds 1793 beelden, schilderijen en voorwerpen van vroeger door het toeval leken te zijn uitgestald. Je mocht er in, hoe je er de weg vond en er ooit weer uit kwam was je eigen zorg. Wie na uren dwalen gedesoriënteerd buiten stond, was acuut toe aan opvang in een van de belendende cafés. En ook die behoorden niet tot de vrolijkste van Parijs.

François Mitterrand heeft in die toestand radicaal verandering gebracht. Kort na zijn aantreden in 1981 kondigde hij als een zonnekoning het project Grand Louvre af. Velen in Frankrijk noemen dat nu het meest geslaagde van alle 'Grands Travaux' die de socialistische president heeft verordonneerd: De Grote Boog van La Défense, Opéra Bastille, Cité de la Musique, Bibliothèque Nationale de France, Institut du Monde Arabe. Verschillende van deze presidentiële Grote Gebaren leiden een minder dan succesvol bestaan. De bibliotheek is zelfs een hardnekkig drama, en bij de Opera moeten netten de voorbijgangers beschermen tegen tegels die van de gevels vallen.

Maar het Grand Louvre is bouwkundig en museumtechnisch een unieke prestatie. Met respect voor het bestaande paleis, ontstaan uit het fort van Philippe Auguste uit 1180 dat het Ile-de-France moest verdedigen, is aan de Seine een geraffineerd centrum van schoonheid, ontspanning en geestelijke verrijking ontstaan.

Achter de coulissen wordt het Louvre technisch bestuurd volgens de normen van de procesindustrie. Het is misschien niet altijd te merken in al die wegens personeelsgebrek gesloten zalen, maar toch waken duizend suppoosten in ploegendienst zes dagen per week over 60.000 vierkante meter kunst, twee keer zoveel als in 1989. In die tien jaar groeide het hele gebouw van 60.000 naar 160.000 vierkante meter - eigentijds eten, drinken, jassen ophangen, telefoneren, plassen, naar lezingen of concerten luisteren en winkelen eisten aanzienlijk meer ruimte dan de kunst waar het om begonnen was.

Alleen al de laatste drie jaar kwam er effectief 33 procent museumoppervlak bij. Daardoor staat in de ondergrondse opslagruimten - verboden toegang voor bijna iedereen - bijna niets meer van enige betekenis, verzekeren conservatoren. De sterkte van het bewakingspersoneel bleef achter bij de groei van het museum. Het Louvre is geen anonieme dienst meer van het ministerie van Cultuur, zoals vroeger, maar de Franse staatslogica houdt het Louvre nog steeds af van een bedrijfsvoering die past bij zijn inmiddels hypermodern geëquipeerde museumapparaat. Daardoor ook is gemiddeld een vijfde van de zalen gesloten. Dat is een verhaal apart. De conservatoren komen er woorden voor te kort: 'Monsterlijk, ik voel een enorme woede', zegt Annie Caubet, hoofd Oosterse Oudheid. En directeur Rosenberg spreekt van 'een tragedie'.

Tentoonstellingsfabriek

Onder het Louvre geldt een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Ibrahim van de huishoudelijke vervoersdienst ziet er niet tegen op scherpe binnenbochten te nemen op zijn geluidloos, elektrisch vehikel. Scheurend langs de oude Grieken, de Islam en tentoonstellingsbouwers. Zonder gids verdwaalt een nieuwkomer onherroepelijk in dit kilometerslange stelsel van wegen waar alles wordt aan- en afgevoerd wat de museale tentoonstellingsfabriek dagelijks verslindt: meesterwerken en zakken suiker. Achter muurtjes lopen hele pijpleidingstraten waarlangs warm, koud en heel koud water, schone en warme of juist gekoelde lucht worden aan gevoerd. De elektriciteit om alle systemen te voeden wordt onder de grond met 20.000 volts hoogspaningskabels binnengebracht en in achttien transformatorkamers omgezet in een mildere variant.

Alain Boissonnet, het hoofd van de zestig man die het Louvre praktisch draaiend houden, is civiel ingenieur uit de Franse overheidsdienst. Met zijn specialisten dirigeert hij het onderhouds orkest van 280 man van onderaannemers die permanent in het museum in de weer zijn. Er zijn ongeveer 20.000 apparaten die kapot kunnen; de 4.100 belangrijkste worden met verklikkers continu in de gaten gehouden. Op schermen volgen drie man van de 'vigile technique' alles, de temperatuur en de vochtigheid in iedere zaal, het licht en de airconditioning.

Alles wat er aan regelmatig én onvoorzien onderhoud moet gebeuren, wordt bijgehouden door een computersysteem zoals dat ook in de zware industrie wordt gebruikt. Dat analyseert automatisch alle processen in het museumcomplex en produceert werk opdrachten in drie urgentieklassen. Van het smeren van de 2.057 deuren tot en met het signaleren van een accuut mankement aan een van de 59 mensen- of 16 goederenliften, of van een roltrap die is blijven steken. Het systeem weet dat in zaal 28/29 (Franse schilderkunst) acht lampen van 60 watt moeten branden. Zelfs een open raam bij de Griekse keramieken blijft niet lang onopgemerkt.

Voordat de transformatie van het Louvre een feit was, is heftig gedebatteerd in de regering en daarbuiten. De presidentiële wil is desondanks betrekkelijk snel in daden omgezet. In 1989 was de eerste fase af. In 2002 moet het hele project (kosten: 2 miljard gulden voor het museum alleen) voltooid zijn. De minister van leuke dingen uit de vroege jaren tachtig, Jack Lang, moest gedogen dat Mitterrand buiten de socialistische vriendenkring een sterke overheidsmanager vond in Emile Biasini, die baas van het project werd. Aan hem is het te danken dat de Amerikaanse architect Ieoh Ming Pei zonder enige vorm van prijsvraag de opdracht kreeg het onmogelijke gestalte te geven: de nieuwe entree die de vorm van een piramide kreeg. Een meesterzet.

François Mitterrand bepaalde bovendien dat het ministerie van Financiën, dat de Richelieu-vleugel van het paleis, langs de Rue de Rivoli, goeddeels in gebruik had, moest vertrekken. Ook de latere premier Edouard Balladur kon zich in de tweede helft van de jaren tachtig als minister van Financiën niet langer vastklampen aan het stuc en het goud van de salons van Napoleon III. Het Grand Louvre zou alles omvatten, ook de zelfstandige opleiding kunstgeschiedenis van de Ecole du Louvre en het restauratie-atelier van de Franse rijksmusea, tot en met de Tuilerieën-tuin, die via een nieuwe voetbrug over de Seine verbonden zou worden met het Musée d'Orsay. Samen met de museale gebouwen aan de Place de la Concorde (Orangerie en Jeu de Paume) zou zo een museumkwartier zonder weerga ontstaan. De verwerkelijking daarvan vordert gestaag. De tuinen zijn opnieuw ingericht, de brug wacht op afwerking, de Orangerie wordt gerenoveerd en het Louvre is bijna af.

Ondergronds

Donderdagmiddag, half één. Ruim vierhonderd mensen drommen samen voor het Auditorium, een van de nieuwe zalen die in 1989 onder de grond werden geopend. De 18-jarige Franse pianist Jonathan Gilad geeft een concert van een uur. Beethoven en Schubert, Chopin als toegift, moeiteloze topklasse. Op zijn vijftiende verving hij al op het laatste moment Pollini in Chicago; hij trad intussen als solist op met grote orkesten en dirigenten.

Paul Salmona staat aan het hoofd van de dienst die sinds tien jaar het cultuurbegrip in het Louvre heeft uitgebreid van lezingen en films over kunst tot series over museumarchitectuur en films over kijken, kleur en literatuur. Lezingen over archeologie in de literatuur en de beeldende kunst waren een logisch vervolg. De derde sprong voorwaarts was de muziek. Het Auditorium is muzikaal uitgegroeid tot een van de beste kleine zalen in Parijs, waar vooral jong buitenlands talent wordt gepresenteerd. Schlomo Mintz was een van de allereersten die in het onderaardse Louvre kansen kregen; als dank treedt hij er nog steeds voor een vriendenprijs op.

'Michel Laclotte, de vorige directeur van het Louvre zag zo veel in dit "open raam van het museum" dat hij er een personeelsformatie van dertig man voor wist vrij te maken. Hij wilde het Louvre verzoenen met zijn publiek. Mét de kleine tentoonstellingen is dit de enige plek waar het Louvre zich voortdurend vernieuwt', zegt Auditorium-chef Salmona.

Met een budget van 1,7 miljoen gulden worden er nu 300 manifestaties per jaar georganiseerd. De gemiddelde zaalbezetting is 68 procent, bij de concerten 98 procent. De recente serie 'Classiques en Images' (gefilmde historische concerten en vraaggesprekken) is een enorm succes, overgenomen in New York, Tokio, Amsterdam (Filmmuseum) en Londen. Voor februari en maart 2000 staat in die nieuwe traditie een grote Bach-cyclus op het programma, met concerten door Gustav Leonhardt en andere uitvoerders van nu, plus gefilmde concerten van vroeger. Ook die serie komt naar Amsterdam.

De andere film- en kamermuziekzalen in Parijs, zoals de wat sleetse Salle Gaveau, waren eerst niet blij met deze nieuwkomer. Inmiddels heeft het Auditorium zich een reputatie verworven met muziek van 'Louvre-niveau'. Het publiek komt voor 57 procent uit de Vrienden van het Louvre en anderen voor wie het Louvre een manier van leven is geworden; meer dan de helft van hen combineert iets in het Auditorium met een bezoek aan de rest van het museum. Wie van verre naar het Louvre komt, kan op de website van het museum uitvoerige informatie over het Auditorium programma vinden (www.louvre.fr). Paul Salmona: 'We hebben

historisch geluk gehad dat dit mocht en kon.'

Piramide

Het oude museum was een langgerekte faade langs de rivier, met loodrecht daarop een rechthoekig gebouw rondom de wat kale Cour Carré met zijn ingang tegenover de Saint-Germain l'Auxerrois-kerk. Door de 800 meter lange Richelieu-vleugel er weer bij te betrekken ontstond een symmetrisch museum met twee lange, slecht bereikbare poten. De even gedurfde als geniale oplossing die architect Pei na drie bezoeken aan Parijs schetste was de glazen piramide, geplaatst op het nauwelijks gebruikte middenplein tussen de drie delen van het museum. Het zou een licht symbool zijn van vernieuwing en continuïteit, een lokkende entree leidend naar een ondergronds sorteercentrum voor de bezoekersstromen.

De reacties in Frankrijk waren heftig. Een 34 meter hoge structuur van glas, staal en aluminium op de binnenplaats van het Louvre? 'Het is hier geen Dallas', kreeg de minzame bouwheer naar zijn hoofd. Het staatshoofd hield stand. Naar sommigen denken te weten omdat de voor vrijmetselaars herkenbare timmermans waarden in het ontwerp van de piramide hem aanspraken. Volgens anderen was Mitterrand er van overtuigd dat de grootsheid van het project werd gediend door dit sensationele gebaar waarmee hij de geschiedenis van Frankrijk naar zijn hand zou zetten. Het Franse koninklijke paleis definitief getemd.

De piramide ging in 1989 open, met onder de grond de Hall Napoléon, 17.000 vierkante meter ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen, het Auditorium met een zaal van 420 en een zaaltje van 80 stoelen, de grootste kunstboekenwinkel van Frankrijk, een restaurant-plus-cafetaria, het Cyberlouvre (met grote delen van de collectie op het scherm te zien) en vooral ruimte voor het publiek om zich te oriënteren op alle permanent te bezichtigen kunstschatten. Daar kan ieder zijn aanvalsplan smeden en via roltrappen direct een van de drie hoofdgebouwen bereiken, zonder een eindeloze wandeling door zalen die men niet zien wil. Dat ideaal werd ten volle werkelijkheid toen in november 1993 de Richelieu-vleugel af was, met daarin opgenomen drie overdekte binnenplaatsen, de Cour Marly en de Cour Puget (Franse beeldhouwkunst van de 5de tot en met de 19de Eeuw) en de Cour Khorsabad (Mesopotamië).

Sinds januari 1997 is het museum ondergronds uitgebreid met het Carrousel du Louvre, een winkelcentrum met vier congreszalen, waar jaarlijks ook de grote Parijse modeshows en beurzen zoals Paris Photo worden gehouden. Midden in deze pretsectie van het Louvre hangt een internationaal gevarieerde fastfood-mezzanine. Verder verstopt onder de grond is een ruime parkeergarage voor 80 bussen en 620 auto's (aan de Avenue du Général Lemonnier, te bereiken vanaf de Quai des Tuileries).

Vorig jaar werd de helemaal gerenoveerde Egyptische afdeling heropend - een publiekstrekker van de eerste orde. Dit jaar ging een tweede ingang open: de Porte des Lions aan de Seinekade geeft nog sneller toegang tot de Italiaanse schilderkunst. In de praktijk is deze ingang vaak dicht wegens personeelsgebrek. De komende maanden en jaren volgen kleinere puntjes op de i van het reuzenproject: 1.000 vierkante meter 19de-eeuwse kunstnijverheid, eind 2000 weer 300 vierkante meter noord-Nederlandse schilderkunst en in 2001 nog 1500 vierkante meter mediterrane oudheid.

Massificatie

Het nieuwe Louvre bestaat en functioneert. De Mona Lisa en de Rubens-zaal zijn binnen vijf minuten te bereiken. Een briefkaart, een kop koffie met subliem uitzicht zijn makkelijk te vinden op de terugweg naar de bus of de metro. Koptelefoons graag inleveren voor de vestiaire. Er is een geldautomaat, een postkantoortje en er zijn verantwoorde kopieën van klassieke tot moderne beelden te koop. Er werden 1 miljoen boeken en 1,8 miljoen briefkaarten gekocht in 1998, waaronder 200.000 van de Mona Lisa. 'Het Louvre' is in een uur of een ochtend te doen, zonder dat men veel last hoeft te hebben van moeilijke, saaie kunst. Een cultureel dagje uit. Was het daar allemaal om begonnen?

Conservatoren en hoofden van uitvoerende diensten lijken het er over eens dat de massificatie van het Louvre praktische problemen veroorzaakt, maar vooral winst betekent. Natuurlijk zijn er relatief veel 'onvrijwillige' bezoekers bij: school- en reisgroepen. Ook die hebben, zoals de eerste man van het Louvre, Rosenberg, het formuleert, 'recht op een kans om gegrepen te worden door het museum'. Hij ziet geen conflict tussen de elitaire en de populaire missie van het Louvre.

Pierre Rosenberg: 'Er zijn twee Louvres, een van de bezoekers en een van de collecties, dat wil zeggen van de conservatoren. Misschien lukt het ons één op de honderd bezoekers te laten ontdekken wat musea zijn. We hebben een groeiende groep, van nu 80.000 Vrienden van het Louvre, plus 25.000 houders van een jongerenkaart, die de weg hebben gevonden. De massa is minder moeilijk te combineren met de liefhebbers dan men zou denken. De toeristen zien maar enkele stukken in het museum, Egypte, de Mona Lisa. De rest van het museum blijft beschikbaar voor de specialisten. Bij de Franse schilderkunst is nooit iemand, nou ja, zijn heel weinig mensen.'

Jean Galard is als hoofd van de Service Culturel verantwoordelijk voor het trekken en begeleiden van het publiek. Hij blijft bezorgd over de steeds terugkerende conclusie uit ieder publieksonderzoek: de teleurstelling van veel bezoekers. 'Men is nog steeds bang, ondanks alle nieuwe borden en plattegronden, handleidingen in zeven talen. Bang de weg kwijt te raken. Het blijft een ingewikkeld, oud paleis, met trappetjes, gangetjes en niveauverschillen. Zodra ik met een badge op door het museum loop, word ik aangeklampt door mensen die de kortste weg naar een bepaald kunstwerk vragen. Veel bezoekers zijn overdonderd. Zij willen graag van een mens horen wat wat is, en waarom, en waar.' Half lachend, half serieus: 'We moeten het erkennen: het Louvre is een Plaats van Beproeving.'

Het publiek schoolt steeds maar weer samen voor de Mona Lisa. De meeste klachten over het overvolle Louvre slaan op die straal van een paar honderd meter om Da Vinci's (volgens enkele artsen) aan het gezicht verlamde Florentijnse. La Joconde (77 x 53 cm) krijgt binnenkort op ongeveer dezelfde plek een eigen zaaltje. De nabij gesitueerde Bruiloft van Cana„n, het reusachtige maaltijddoek van Veronese (9,90 x 6,66 meter), wordt dan met zijn tijdgenoten in de resterende helft van de huidige zaal tentoongesteld. De Richelieu-vleugel, in zijn eentje al even groot als het Musée d'Orsay, trok na opening in 1993 en 1994 honderdduizenden extra bezoekers - dat effect is weggeëbd.

Het is er nu 'over het algemeen te leeg'. Volgens Galard wordt alles in het werk gesteld om het publiek met lezingen en 70 rondleidingen per dag naar de vele zalen te loodsen waar het rustig is.

Tweederde van het publiek komt uit het buitenland, de Ameri ka nen voorop (15 procent). Europa buiten Frankrijk neemt 32 procent voor zijn rekening, Azië 7 procent, Zuid-Amerika 4 procent. Het stoort Galard en de conservatoren niet dat ze hun energie voor tweederde in niet-Fransen steken, al zouden zij willen dat de inwoners van Groot Parijs vaker dan één keer in hun leven naar het Louvre kwamen. Men is zich ervan bewust dat het museum het erfgoed van de wereld tentoonstelt. Galard: 'De aantrekkingskracht van Parijs en de Franse cultuur is altijd voor een aanzienlijk deel te danken geweest aan buitenlanders die hier kwamen werken. We hoeven de uitstraling van Frankrijk niet los te zien van belangstelling voor de rest van de wereld. Teruggeven van het vele dat van elders komt lijkt me evenmin aan de orde. Waar het destijds stond, hing of lag, dreigde het vaak te verkommeren. De Turkse regering stond betrekkelijk lauw ten opzichte van de Venus van Milo. Afgezien van de 30 procent aan eigen inkomsten van het Louvre, is het de Franse belastingbetaler die goed zorgt voor al deze werken. Een collectie als die van het Tropenmuseum in Amsterdam was ook ondenkbaar geweest zonder grootschalige aanvoer uit verre landen. Wat zou er van zulke collecties terecht zijn gekomen als dat type museum niet in de 18de eeuw was opgezet en in de 19e eeuw ontwikkeld? Het is werelderfgoed. Dat geeft kansen en verplichtingen.'

Diefstal

Voor iedereen in het museum staat 3 mei 1998 in het geheugen gegrift als de dag van de Corot-diefstal. 'Dat is het werk van beroeps', zegt Frédéric Périn, adjunct-directeur personeelszaken en dus verantwoordelijk voor bewaking. 'Ze wisten hoe ze het schilderij moesten loskrijgen en zich uit de voeten moesten maken voordat het alarm afging. Deze lui hebben lang op de loer gelegen. Zelfs elektronisch is zoiets niet makkelijk te voorkomen. Het eerste half jaar van 1998 is op allerlei plaatsen kunst gestolen, in Rome, in Orléans, maar bij ons is het nieuws omdat het Louvre zo bekend is. Zo is het nu eenmaal.'

Het publiek was die dag woedend want het mocht niet weg, maar wist niet waarom. Urenlang waren onvoldoende inlichtingen beschikbaar terwijl de politie het gebouw vergrendeld hield. Er komen nu nieuwe luidsprekers, die zelfs in de Hall Napoléon onder de piramide, waar op gewone dagen al 75 decibel vliegveldlawaai heerst, belangrijke mededelingen verstaanbaar kunnen maken.

De staf was vooral aangeslagen dat zoiets kon. Sindsdien werkt een commissie uit alle afdelingen aan een plan van actie. Alle zij kamertjes in het paleis, waar dieven relatief rustig hun gang kunnen gaan, worden opnieuw bekeken. Een reeks maatregelen is genomen, maar perfectie is onhaalbaar - de eisen staan haaks op elkaar. Optimale veiligheid vergt dat ieder werk aan de muur wordt vastgeklonken, of in een zware vitrine wordt opgeborgen. De bescherming tegen de eindeloze aanraking door voelgrage handen vraagt om nog drastischer inpakmaatregelen. De 47 brandweermannen in het Louvre-détachement van kapitein Keller daaren tegen willen dat alles zo snel mogelijk kan worden weggehaald voor het geval de spuiten worden uitgerold. En de conservatoren willen dat alles goed te zien blijft en niet verdwijnt achter allerlei afweerconstructies.

De belangrijkste preventie komt toch van de suppoosten. Hun aanwezigheid hindert de brutaalste dieven. Maar juist zij vormen een zwakke schakel in het museum. Ook al zijn er overdag op ieder moment 200 in het museum aan de slag, dat is niet genoeg om alle hoeken en gaten te bewaken. Bovendien zijn zij niet allemaal even gemotiveerd, zoals iedere bezoeker vroeg of laat merkt. De directie draait er niet om heen. 'We zitten met een minder goede oogst van tien jaar geleden', erkent Frédéric Périn. 'Hoe enthousiast zij ook beginnen, na een tijdje vertonen velen psychische klachten en andere tekenen van slijtage. Het is slopend om twintig keer op een dag te moeten zeggen: "Wilt u niet aan de sarcofagen komen"? Zelfs de aardigste suppoosten zijn na twee jaar botter tegen onze klanten.

Je hebt van die groepen Oekraïeners die met alle geweld ieder Grieks beeld de hand willen schudden, totdat de vingers afbreken. Uitleg en opvang zijn aardig, maar vooropstaat dat de 33.000 werken moeten worden beschermd. Dat kan onmogelijk allemaal elektronisch. Zes miljoen bezoekers, dat betekent een heleboel krassen en stukjes eraf.'

Voor de bestrijding van de chronische en massale ongewenste betasting moet het Louvre het hebben van de suppoosten, robuuste mannen en vrouwen die tegen een stootje kunnen en niet te vlug last krijgen van pleinvrees. Begrip van kunst is secundair. 'Mensen die hier vijf jaar zijn hebben het gevoel dat zij bij de Parijse dependance van Euro Disney werken', zegt hoofd personeel Périn. Sinds het Project Grand Louvre loopt, is het publiek verdubbeld. 'Het is minder geïnformeerd, minder gecultiveerd. Vooral suppoosten met een achtergrond in de kunstgeschiedenis worden heel verdrietig als ze de hele dag Don't Touch moeten roepen zonder iets te kunnen uitleggen.'

Het grootste probleem is dat het Louvre niet genoeg suppoosten mag aanstellen. Dat is het gevolg van de personeelsstop bij de overheid, die lang werd omzeild met losse contracten. Een hardnekkige staking van de rechtelozen heeft dit voorjaar ook die vluchtweg afgesneden. 'Voor die tijd konden we zes maanden vooruit aankondigen welke zalen wanneer dicht zouden zijn. Zelfs dat lukt nu niet meer', zegt president-directeur Pierre Rosenberg. 'Het is iedere dag knutselen met het rooster. Een regelrecht échec.'

Annie Caubet, hoofdconservator van de Oosterse Oudheid, stelt vast dat haar afdeling vaker gesloten is, omdat die onbekender is, een vicieuze cirkel. 'De Islam is de helft van de tijd dicht. Het is een van de grote culturen in de wereld, er zijn prachtige dingen te zien. Helaas protesteert het publiek niet. Ik wil de Mona Lisa niet dicht, ik wil alles open!'

Als het Louvre een zelfstandige instelling was, kon het zijn eigen personeelsbeleid voeren. Nu heeft het permanent honderd suppoosten te weinig. Daarom is iedere dag 13.000 vierkante meter of twintig procent van het museum dicht.

Adjunct-directeur Périn herkent de Franse traditie in dit soort hardnekkige problemen: 'Het Grand Louvre was een prestigieus, presidentieel project. Dat straalde af op Mitterrand. Voor de huidge president of regering is zorgen dat het hier functioneert minder interessant. In Frankrijk is het altijd makkelijker geld te krijgen voor een grandioze investering dan voor exploitatie en lopend onderhoud.'

Primitieve Kunst

Een nieuwe president, een nieuw grandioos project. Ook Jacques Chirac heeft zijn troetelproject. Eerst zou het een museum worden voor 'Les Arts Premiers', wat ondiplomatiek vertaald wordt met 'primitieve kunst'. Na verschillende plannen met bestaande gebouwen in Parijs staat nu vast dat aan de Quay Branly, niet ver van de Eiffeltoren, een nieuw Musée des Arts et Civilisations (mac) zal verrijzen. Een prijsvraag voor architecten is in volle gang.

Het Louvre is verblijd met de mededeling dat het, in afwachting van het nieuwe museum (streefdatum 2004), een vooruitgeschoven post met honderd of meer topstukken uit Afrika, Azië, Zuid-Amerika en Oceanië onderdak mag geven in zijn Pavillion des Sessions, de uiterste zuidwest-punt langs de Seine. Enkele bestaande musea zoals het Musée de l'Homme en het Musée National des Arts d'Afrique et d'Océanie gaan waarschijnlijk op in het mac; voorlopig hangt hun lot in de lucht. Het Louvre kan de afronding van zijn afdelingen Prenten en Engelse schilderkunst voorlopig ver geten. Directie en conservatoren stellen zich loyaal op, mits de 'etalage' van het mac weer verdwijnt als het museum aan de Quay Branly klaar is.

Annie Caubet: 'Het zou triest zijn als die etalage bleef. Het kost ons ruimte, maar het zou het nieuwe museum ook van zijn meesterwerken beroven. Het zou verder de samenhang van het Louvre aantasten. Dit is geen encyclopedisch museum, zeker na het afstoten van hele collecties naar het Musée Guimet en het Musée d'Orsay. Het zijn eigenlijk zeven musea onder één dak: Oosterse Oudheid, Egyptische Oudheid, Griekse, Etruskische en Romeinse Oudheid, Beeldhouwkunst, Kunstnijverheid, Tekeningen en Prenten, Schilderkunst (tot 1850). Die afdelingen streven in hun onderwerp wel naar een zekere volledigheid. Het zou beledigend zijn als de kunst van Afrika, het verre Oosten en Oceanië werd afgedaan met 150 tophits. De zaak is nog niet beslist. Als de president zegt dat de mac-etalage blijft, heeft hij het over zeven of veertien jaar. Wij praten in eeuwen. Dus in wezen zijn we het eens.'

De zeven stamhoofden van het Louvre en hun mede-conservatoren weten precies waar zij hun onderzoek op richten, en hoe hun ideale Louvre er uit ziet. En waarom hun taak niet makkelijk is. Zelfs als de educatieve dienst er in slaagt tachtig jongeren uit een van de 'gevaarlijkste' voorsteden van Parijs met een Egypte-project Grigny-sur-Nil aan zich te binden, iedere keer blijkt weer dat de kassa van bijzondere tentoonstellingen het meeste rinkelt voor Van Gogh en Monet.

Vincent Pomarède, vertegenwoordiger van de nieuwe generatie conservatoren, één van de twaalf bij schilderkunst, heeft het gemerkt toen Pierre Rosenberg hem bij zijn binnenkomst in 1991 opdroeg een grote tentoonstelling over Corot te maken, en later over Delacroix, beide in het Grand Palais. De eerste was een succes, de tweede 'kwam uit de kosten'. 'Wij conservatoren willen dat het publiek nieuwe kunstenaars ziet. Ik ben bezig met een tentoonstelling over Théodore Chassériau (2002) en twee jaar later over 'Franse landschappen voor het impressionisme' - dat is moeilijker te verkopen. Je wil het doen, maar als de opbrengst tegenvalt, hebben de rijksmusea minder aankoopbudget, dus je snijdt in eigen vlees.'

Nuttige of populaire tentoonstellingen is één vraag. Een andere is of het Louvre grote tentoonstellingen buiten de deur moet houden en kleinere onder de piramide, of toch ook de publiekstrekkers in eigen huis moet halen. Museum-directeur Pierre Rosenberg is er nog niet uit. 'Niemand weet hoe onze toekomst er uit ziet. Vijftien jaar geleden waren musea op sterven na dood. We hebben ze doen herleven. Nu willen architecten allemaal musea bouwen. De huidige glorie van de musea is heel recent. Zijn we op het hoogtepunt? Of zit er nog meer ontwkkkeling in? Ik weet het absoluut niet. Ik hoop dat we de weg omhoog zo lang mogelijk met zeer gevarieerde middelen kunnen volhouden. Maar niet als pretpark. Ik geloof in de educatieve taak van het museum. Ik wil iedereen een kans geven, al is maar een klein deel in staat het op te pikken.'

Rosenberg staat op en drapeert zijn lange, rode sjaal dubbel gevouwen op de rechterschouder. Het is zijn mascotte. Bij officiële openingen, ontvangsten van staatshoofden, altijd draagt Rosenberg zijn sjaal als hij optreedt of zich verplaatst. Is het een symbool, een stellingname? De man die het Louvre is, lacht een beetje verlegen. 'Het is koketterie. Pure affectation, zoals de Engelsen zeggen. Toen ik hier kwam, in 1961, droeg ik hem nog niet, maar nu al zeker twintig jaar.' Een uiterst zichtbaar teken van waardigheid. Let maar op, soms zie je hem van verre al onder de piramide lopen, op weg naar weer een zaaltje waar iets te genieten valt. M

Het Louvre is iedere dag open, behalve op dinsdag, van 9.00 tot 18.00 uur en op maandag- en donderdagavond tot 21.45 uur. Gratis toegang voor jongeren onder de 18, voor werklozen en groepen scholieren. Op zondag en dagelijks na 15.00 uur toegang voor half geld. Verder gratis toegang op de eerste zondag van de maand. Voorverkoop via tel. 0803 808 803 en bij warenhuizen zoals fnac, Carrefour, Printemps, Samaritaine, Bon Marché. Op Internet: www.louvre.fr