Filmers eisen positieve kritieken

De Franse filmmakers zijn frontaal in de aanval gegaan tegen de filmrecensenten die slechte kritieken schrijven. Want dat is fataal voor de door de Amerikanen bedreigde Franse filmindustrie, denken ze.

Hebben Franse filmcritici een taak om de Franse film in leven te houden? Dat is de vraag die weken op hoge toon door de Franse media zoemt. Achtergrond: het filmbezoek groeit in Frankrijk, maar dankzij Amerikaanse films.

De ruzie duurt meer dan een maand, en niets wijst er op dat het weer snel goed komt tussen de Franse cineasten en de filmkritiek. De filmmakers eisen dat de critici zich opbouwend gaan gedragen. Zij erkennen hun afhankelijkheid van goede kritieken, en toch moeten de critici hun mond houden, als zij kritiek hebben.

Het begon met een brief van Patrice Leconte (maker van onder andere Ridicule) aan zijn collega's van de Société d'Auteurs, Réalisateurs et Producteurs (ARP). De brief was bedoeld voor een intern debat, dat op 4 november door heel wat boze filmmakers werd gevoerd.

Dat leidde tot een lange, opgewonden tekst die nog door niemand ondertekend was en toch al in Le Monde en Libération terecht kwam. Dat waren juist twee zondebokken, die films regelmatig met de grond gelijk maakten. Dat kwetst de cineasten, zeker bij films die nog niet eens in een zaal te zien zijn geweest.

In hun tirade geven de anonieme cineasten voorbeelden van onnodig hard of humorloos taalgebruik, om verschillende critici vervolgens op de man af terug te pakken. Bertrand Tavernier, een cineast die altijd meedoet aan maatschappelijke debatten in Frankrijk, kon niet op afstand blijven. Hij werd aan zijn ogen geopereerd toen de rel uitbrak, maar reageerde begin deze maand in Libération.

,,Strijdt! Zorgt dat u weer gezag krijgt!'', voegde Tavernier (onder meer maker van L'Appât, Capitaine Conan en Ça commence aujourdhui) de critici toe. Hij erkende dat de strijdtekst niet briljant was, maar nam het merendeel van de kritiek voor zijn rekening. Volgens Tavernier hebben Franse critici wel degelijk een nationale taak: hun dodelijke recensies worden hem door Amerikaanse geldschieters en distributeurs voor de voeten gegooid. Einde film.

,,Het publiek voor ons soort films komt moeilijker naar de bioscoop dan de jongste generatie die helemaal geen kranten leest en Franse films toch waardeloos vindt.'' Juist die potentiële kijkers naar de `betere' Franse film moeten critici niet wegjagen. Tavernier herinnert eraan dat binnen de cineastenclub ARP stemmen opgingen om een juridische dienst in te stellen die opzettelijk schadelijke kritieken voor de rechter kan aanpakken.

De critici lieten in dit debat een zuchtje van ontzetting. Le Monde stelde in een commentaar vast dat onder de verontwaardiging van de cineasten een hard economisch motief zit: het gaat niet zo goed met de Franse cinema, met uitzondering van films die op een Amerikaanse manier worden gemaakt voor een zeer groot publiek. Door de kranten de kritische mond te willen snoeren, hopen de filmers zich financieel te redden, maar treffen zij de democratie, aldus de krant.