Favorieten

Ter viering van het millennium doet de Engelse Hardy Plant Society een `Favoriete Plant Onderzoek'. Het is beperkt tot vaste planten – geen bomen of heesters, geen bollen of eenjarigen – en de bedoeling is vast te stellen wat de populairste tuinplanten waren aan het eind van een tijdperk, of misschien welke planten in triomf zullen doordringen tot het volgende tijdperk. De Hardy Plant Society heeft twaalfduizend leden – allemaal, per definitie, mensen met uitgesproken ideeën over planten; hun mening zal zeker veel interessanter zijn dan in boeken en tijdschriften kijken om te zien welke planten het vaakst worden vermeld. Ik ben heel nieuwsgierig hoe de Hardy Plant-lijst er uit zal zien. Aan de andere kant lijkt het mij een nogal nogal surrealistisch plan om, na deze resultaten vergeleken te hebben met `succesvolle planten uit het verleden', `wellicht een beker toe te kennen aan de meest populaire tuinplant aller tijden'; om serieus te overwegen een beker aan een plant te geven, zoiets kan alleen maar in Engeland.

Ze geven een plantenlijst waaruit je kunt kiezen en ik voorspel dat de populairste tuinplant aller tijden de iris zal zijn. We zullen zien. De iris is niet mijn favoriet – mijn tuin is zo irisvijandig als een tuin maar kan zijn. Toen ik de lijst doorkeek waaruit we onze keuzes kunnen maken – van Achillea tot Viola, tien per lid, twintig voor familieleden – zag ik tot mijn verdriet dat mijn eigen keus, de Japanse anemoon, er helemaal niet in voorkomt. Geen anemonen, niets tussen Alchemilla en Aquilegia, alleen maar een inadequate ruimte onderaan de lijst voor `Aanvullende planten'; ik heb het vermoeden dat de anemoon niet veel kans maakt op die beker. Het deed me denken aan een onderzoek waar ik eens aan deelnam in Leiden: je moest het mooiste en het lelijkste gebouw van de stad kiezen uit een lijst waar noch de Marekerk noch het station op voorkwam.

En tien planten per persoon is te veel; één zou beter zijn. Ik besloot mijn eigen onderzoek te doen, en nodigde een niet-representatieve selectie van tuiniers en tuinschrijvers uit hun favoriete plant te noemen – meteen, zonder na te denken, en niet beperkt tot vaste planten. Net als de Hardy Plant Society vroeg ik dit in de winter, wanneer het oordeel niet kan worden vertroebeld door de aanblik van echte planten. De winnaar, de enige plant die meer dan één stem kreeg, was tot mijn tevredenheid de Japanse anemoon. Voor mij is dat de witte, maar de andere ondervraagde die voor de anemoon had gekozen prees ook de andere kleuren, en het feit dat konijnen er niet van houden. Zelf heb ik de Japanse anemoon altijd gezien als een soort beloning voor het heldenfeit de zomer overleefd te hebben: doordat zij in het najaar bloeit lijkt zij niet verwant met andere planten, superieur aan ze. Dat denk ik misschien alleen maar omdat de witte soort, `Honorine Jobert', zo mooi is, en er tegen een met klimop begroeide muur zo prachtig uitziet, in deze schaduwrijke tuin. De redenen waarom planten onze favorieten zijn hebben te maken met hoe goed zij 't bij ons doen (en hoe lekker konijnen ze vinden).

Een van de ondervraagden koos Acanthus en Melianthus ex aequo, geen van beide op de lijst van de Society; gedwongen een ervan af te laten vallen verwierp ze de Melianthus, die het ontegenzeggelijke nadeel heeft om `iedere winter dood te gaan'. Het zou interessant zijn te weten hoe vaak een plant mag doodgaan voor je de strijd opgeeft: planten zouden een cijfer kunnen krijgen al naar gelang hun herplantbaarheid en het aantal lentes dat je bereid bent een nieuwe te kopen. Bij mij krijgt de Melianthus niet meer dan een 1; twee hebben de winter in mijn tuin niet overleefd. Maar sommige bollen, tulpen en keizerskronen bijvoorbeeld, krijgen een hoger cijfer: ik koop ze ieder jaar opnieuw.

De acanthussen van mijn informante hebben het dit jaar beter gedaan dan ooit, en zij dacht dat dit hun actuele status van favoriet zou kunnen verklaren. Verder kreeg de helleborus één stem, van een beroemde kweker, die zich bereid verklaarde alle andere planten voor haar op te geven; en de meconopsis één stem, ook zo'n herplantbaar gewas. Een andere bekende tuinier koos `het nederig viooltje' – alle viooltjes bij elkaar, van de kleine Viola labradorica tot de grote tweekleurige; allemaal doen ze het goed in haar tuin, zei ze. Maar bij nader inzien – dat was eigenlijk tegen de regels – koos ze toch maar voor de iris.

Gelukkigzalig zijn zij die irissen hebben: Henry Mitchell, de Amerikaanse tuinschrijver, was gek op ze en beschreef ze zo geestdriftig dat je aan bittere spijt ten prooi valt als je ze niet hebt. Hij vergeleek irissen met honden: `De beste bloemen zijn, net als honden, te lastig wanneer de tuinier niet op een hoog niveau van intimiteit met ze leeft.' Bij honden betekent dit dat je `ze de hele tijd overal om je heen hebt' (en dan liever niet de kortpotige soort die niet op eigen kracht op het bed kan springen), en bij irissen `het laten vallen van alles dat je kunt laten vallen wanneer ze bloeien (...), kortom het opgeven van ieder misbaar menselijk contact tijdens het irisseizoen.' `Ik kan me geen verstandig wezen voorstellen dat dag in dag uit naar afrikaantjes kan zitten staren', concludeert hij. `Dat is de reden waarom alleen mooie bloemen het kweken waard zijn.'

Een andere geënquêteerde koos de moerbei, om zijn schoonheid in een oude tuin en de exclusieve delicatesse van zijn vruchten: er schijnen mensen te zijn die niet weten dat je moerbeien kunt eten; ik ken een boom waarvan niemand ze ooit plukt. En ten slotte nog iemand, wat jonger dan de anderen, koos voor lavendel. Zoiets zou ik als kind misschien ook hebben gekozen, dacht ik, tot ik hoorde wat een ander jeugdig iemand zei toen haar gevraagd werd wat haar favoriete tuinplant was. `Mijn favoriete tuinplant?' zei ze. `Ik heb helemaal geen favoriete tuinplant.'