Een eeuw van vernietiging en hervorming

In de Leidse Pieterskerk is gisteren de 28-ste Huizingalezing gehouden door de Spaanse schrijver Jorge Semprun. In zijn betoog neemt hij de twintigste eeuw onder de loep, die voor hem behalve de eeuw van allesvernietigende revoluties, vooral die van belangrijke hervormingen en bevrijding is.

Als ik de roman van de twintigste eeuw moest schrijven, dan zou ik misschien beginnen met een soort introductie die zich hier in Leiden zou afspelen. In 1910 vond hier namelijk een ontmoeting plaats tussen Sigmund Freud en Gustav Mahler. Het was middenin de belle époque, een periode die in werkelijkheid alleen maar voor een klein deel van de westerse samenleving bestond.

Onlangs verscheen een artikel waarin ook de Duitse filosoof Richard Koselleck de balans van de twintigste eeuw als thema aansnijdt en waarin hij een uiterst somber en duidelijk beeld geeft van de wereldsituatie rond 1900. Het is interessant om een paar door hem vermelde historische verwikkelingen te memoreren.

In Europa is het inderdaad vrede. De Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs is daarvan in zekere zin het symbool. Zij was de bekroning van een eeuw van vooruitgang, industriële expansie en kolonisatie. In de schaduw van de Eiffeltoren staan de grote prestigieuze bouwwerken als eerbetoon aan de wetenschap, aan de fee van de elektriciteit. In de rest van de wereld is de situatie echter minder schitterend. Twee jaar eerder had Amerika zijn intrede gedaan in de wereldpolitiek. Op de Filippijnen en in het Caraïbisch gebied werd de oude Spaanse legervloot vernietigd door de moderne en goedbewapende Amerikaanse vloot. Spanje verloor de laatste versierselen van een `rijk waar de zon nooit onderging'.

In Afrika wordt in hetzelfde jaar door Engeland en Frankrijk, na de confrontatie tussen beide mogendheden in Fashoda een verdrag gesloten. Het is allereerst bedoeld om de aarzelende expansieneigingen van het Duitse Rijk tegen te gaan. Daarnaast worden met het verdrag de invloeds- en machtssferen van beide landen in Midden- en Zuidelijk Afrika afgebakend. Verzekerd van de Franse neutraliteit, begint Groot-Brittannië in 1899 een oorlog tegen de Boeren. Het is de eerste totale oorlog van deze eeuw. Als reactie op de Boeren-guerilla passen de Engelsen de tactiek van de verschroeide aarde toe. Zo'n dertigduizend boerenbedrijven worden vernietigd, en de burgerbevolking van de Boeren wordt opgesloten in concentratiekampen, die we hier voor het eerst tegenkomen.

In Azië ontketenen de Boxers, `strijders van de gesloten vuist voor de rechten en de eenheid van China', een bloedige opstand tegen de Europese koloniale mogendheden, die voor hun handel toegang proberen te krijgen tot de reusachtige Chinese markt. In hetzelfde deel van de wereld worden in 1905 de Russische troepen vernietigd door Japan. Het is de eerste nederlaag van een blanke mogendheid in een internationaal conflict. Daarmee verandert het imperialisme van kleur; het zou niet meer uitsluitend aan Europa zijn voorbehouden.

En dan breekt ook nog de Eerste Wereldoorlog uit, als uitkomst èn gevolg van de meer en minder openlijke conflicten tussen de grootmachten. Die oorlog is een van de meest bloedige conflicten in de geschiedenis, omdat ook op grote schaal de burgers erbij betrokken zijn. Weliswaar wordt de oude orde van de wereldmachten nu definitief vernietigd, maar er wordt geen nieuwe, rechtvaardiger internationale orde geboren. En in weerwil van de oprichting van de Volkenbond wordt twintig jaar later de wereld opnieuw door oorlog verwoest. Het belangrijkste gevolg van 1914-'18 is dan ook het verlies van prestige en geloofwaardigheid van de liberale democratie. Het is niet moeilijk om te zien dat daaruit het internationale succes voortkomt van revolutionaire, antidemocratische theorieën en praktijken, zowel van links als van rechts.

Het nazisme en het communisme waren hoe dan ook het massale en volkse antwoord op de uit de oorlog van '14-'18 voortgekomen crisis van het heersende systeem. Dankzij het militair faillissement van nazi-Duitsland en Japan in de eerste helft van deze eeuw, en het faillissement van de Sovjet-Unie in de tweede helft, kon de pluralistische democratie zich op beslissende momenten doorzetten tegenover totalitaire ontwikkelingen, voordat de liberale democratie zich kon doen gelden als het voor de individuele en burgerlijke vrijheden meest geschikte systeem. Dat is zeker niet het einde van de geschiedenis. Veeleer is het de mogelijkheid een begin te maken met de geschiedenis van vrijheid en verantwoordelijkheid.

In 1900 symboliseert de Wereldtentoonstelling in Parijs het algeheel optimisme van de industriële samenlevingen. Maar als in 1937 in Parijs weer een Wereldtentoonstelling plaatsvindt, is de situatie volstrekt anders. De beurskrach van 1929, die de gevolgen van de in Europa na 1918 opkomende politieke en morele crisis nog eens versterkt en in schokgolven door het kapitalistisch handelssysteem trekt, veroorzaakt een diepgaande en langdurige destabilisering van de landen met een liberale democratie. Nazisme en communisme, beide in de crisis ontstaan en gevoed door de mislukkingen en het geschipper van de parlementaire democratie, bereiken tegelijkertijd het hoogtepunt van hun macht.

De twee imposante, tegenover elkaar staande paviljoens van Hitler-Duitsland en Stalins Sovjet-Unie, symboliseren de strijd op leven en dood om de hegemonie in Europa. Het eerste strijdtoneel is het Spanje van de Burgeroorlog, waar Stalin en Hitler hun militair materieel uitproberen en hun pionnen naar voren schuiven. De twee paviljoens symboliseren echter, in het bombastische van hun architectuur en hun beelden en schilderingen, niet alleen maar een confrontatie tussen de twee totalitaire modellen. Ze geven ook blijk van een verontrustende, diepgaande culturele overeenkomst, van eenzelfde opvatting over kunst en de verhouding ervan tot de samenleving.

De afgelopen jaren is een internationale discussie op gang gekomen over de overeenkomsten en verschillen tussen nazisme en communisme. Het is onmogelijk te spreken over de eeuw die op het punt staat te eindigen, zonder stelling te nemen in deze kwestie.

Hoe pijnlijk het voor sommigen ook kan zijn, er moet discussie worden gevoerd over het identiek zijn of anderszijn van de twee totalitaire systemen die zo'n vooraanstaande rol in deze eeuw hebben gespeeld.

Bezien naar de vorm en de structuur is duidelijk dat beide systemen gegrond zijn op dezelfde uitgangspunten: afschaffing van het pluralisme; eenheidspartij en officiële staatsideologie; moreel rigorisme en verwerping van de moderne, experimentele kunst die `decadent' wordt genoemd; leiderscultus en blinde gehoorzaamheid; afkeer van andersgezindheid, van elke afwijking van het politiek correcte denken, enzovoort.

Ook uit kwantitatief oogpunt vertonen beide systemen gelijkenis. De staatsterreur heeft zowel in het ene als in het andere geval miljoenen slachtoffers gemaakt. Als betrouwbare statistieken voorhanden zouden zijn, zou Stalin wellicht een lugubere voorsprong hebben op Hitler.

Beide systemen verschillen echter heel sterk in hun ideologische herkomst en uitgesproken doelen. Zo is het nazisme opgebouwd rondom een mythisch concept van beperking, uitsluiting, hooghartige partijdigheid en het concept van het ras. Het communisme vat zichzelf juist op als een op universele menselijke emancipatie gerichte beweging. Deze historische emancipatietaak is uitsluitend aan het proletariaat toebedeeld, omdat het wordt beschouwd als een universele klasse die zichzelf niet kan bevrijden zonder tegelijk de bevrijding van alle maatschappelijke klassen teweeg te brengen. Dit onderscheid heeft concrete consequenties.

Het nazisme verklaart openlijk de superioriteit van het arische ras, trekt daaruit alle consequenties voor de organisatie van de samenleving en vestigt daarmee een coherentie tussen discours en praktijk. De nazipraktijk is de realisatie van zijn discours. De uitroeiing van de joden is hiervan het meest gruwelijk, concrete voorbeeld. Daarentegen is de praktijk van het communisme – die uitmondde in een versteende samenleving waar de indeling in kasten en de verdeling van aan sociale en ideologische status gebonden privileges meer dan waar ook uitgesproken is – de permanente ontkenning van de verkondigde doelen. De leugen is de werkelijkheid van de communistische discours, de realiteit ervan een illusie.

Maar het meest kenmerkende verschil tussen nazisme en communisme moet elders worden gezocht en heeft te maken met een historische ervaring die te vaak wordt veronachtzaamd. Beide bewegingen tonen zich fervente tegenstanders van de liberale democratie, die de een als `formeel' en `burgerlijk' zal bestempelen en de ander als `kosmopolitisch' of `verjoodst'.

Als we echter een vergelijking maken van de reële praktijk die uit beide antidemocratische discoursen voortkomt, dan is al heel snel duidelijk dat de bolsjewieken daadwerkelijk de bourgeoisie als klasse hebben vernietigd, dat ze daadwerkelijk het privé-eigendom van de productiemiddelen hebben afgeschaft. De nazi's hebben zoiets echter niet gedaan. Ze beheersten weliswaar het economisch en sociaal leven, maar hebben niet de motor vernietigd van de markt, de basis vormt de burgerlijke samenleving. Vandaar deze paradoxale, wellicht op het eerste gezicht zelfs ergerniswekkende gevolgtrekking: wederopbouw van de democratie is gemakkelijker na de militaire nederlaag van het nazisme dan na de sociale ineenstorting van het communisme. De ervaring met Duitsland na 1945, en die met Rusland na 1991, toont dat overduidelijk aan.

We gaan nu weer terug naar augustus 1910. In dat jaar heeft Freud met zijn gezin de zomervakantie doorgebracht op het Noordzeestrand. Vervolgens gaat hij naar Leiden waar het Internationaal Congres voor Psychoanalyse wordt gehouden. Freud heeft, bij wijze van uitzondering, ingestemd met een ontmoeting in Leiden met Mahler, na afloop van het Congres. Mahler, die last heeft van angsten door verwikkelingen in zijn verhouding met zijn jonge vrouw Alma, heeft Freud gevraagd hem te helpen er een helderder zicht op te krijgen.

Tegen zijn gewoonte – waarschijnlijk uit respect en bewondering voor de genialiteit van Mahler – stemt Freud ermee in dat de ontmoeting niet verloopt volgens de regels van de analytische praktijk. Freud en Mahler spreken namelijk af in een Leids hotel en maken vervolgens een vier uur durende stadswandeling. Geen divan derhalve en geen aandachtig luisteren, maar in de plaats daarvan een lang gesprek.

De stukjes verslag die van dat gesprek bewaard zijn gebleven, zijn niet erg expliciet. Het schijnt evenwel dat Mahler gesterkt was doordat Freud hem had geholpen een duidelijker zelfbeeld te krijgen en dat de musicus uiteindelijk begreep dat Alma Mahler veel weg had van een `alma mater'. Hieruit volgt dat zelfs tijdens een wandeling door Leiden, vooral in gezelschap van Freud, men Oedipus kan tegenkomen, althans zijn droombeeld. Mahler heeft er echter weinig aan gehad, want enkele maanden later is hij gestorven. Freud heeft daarentegen lang genoeg geleefd om het losbarsten van de door het nazisme opgezweepte Germaanse massa's mee te maken. Misschien dat hij zich in 1938 in Wenen – vlak voor zijn vertrek naar Londen waar hij een jaar later stierf – nog de scherpzinnige regels herinnerd uit zijn essay Massapsychologie en Ik-analyse (1921). ,,Zelf geneigd tot alle extremen'', schreef hij daarin ,,wordt de massa ook alleen door excessieve prikkels in beweging gebracht. Wie op de massa wil inwerken, behoeft zijn argumenten niet logisch te wikken, hij moet in de krachtigste beelden schilderen, overdrijven en steeds hetzelfde herhalen.'' Bestaat er een betere definitie van Goebbels' propagandamethoden?

Het zou een boeiende literaire uitdaging zijn om zich een voorstelling van dat gesprek te maken, een reconstructie van hun dialoog, uitgaande van de flarden die ons ervan zijn overgeleverd en die betrekking hebben op het persoonlijk leven van Mahler.

Niets weerhoudt ons er bijvoorbeeld van ons voor te stellen dat Mahler bij Freud zijn vriendschap te berde heeft gebracht met de hoge Franse officier Georges Picquart, een groot muziekliefhebber en bewonderaar van de muziek van de Weense componist. Kolonel Picquart, die dikwijls van Parijs naar Wenen reisde om de concerten van Mahler en de repetities van diens symfonieën bij te wonen, heeft een centrale rol gespeeld in de Dreyfus-affaire.

Hij was degene, die ontdekte dat de documenten op grond waarvan kapitein Dreyfus werd beschuldigd en tot het strafkamp veroordeeld, vals waren; hij was degene die het mogelijk maakte, met zijn moed en zijn eergevoel, door zijn militaire carrière en zijn vrijheid op het spel te zetten, dat waarheid en gerechtigheid uiteindelijk triomfeerden. Het was in de Weense schouwburg, in 1906, toen hij de repetitie bijwoonde van een symfonie van Mahler, dat kolonel Picquart het telegram ontving van de Franse premier Georges Clémenceau waarin deze hem voorstelde minister van Oorlog in zijn regering te worden. Heeft Mahler met Freud gesproken over kolonel Picquart en over zijn vrienden, die hij `mijn Dreyfus kwartet' noemde? Niemand weet het. Maar niemand verbiedt ons om ons dat voor te stellen. Niemand verhindert ons om, terwijl we ons deze twee geniale mannen voor de geest halen, te denken aan het lot van het joodse volk in Europa tijdens de jaren dertig en veertig. Want we noemden Sigmund Freud, we noemden Gustav Mahler. Maar we kunnen ook Albert Einstein noemen, of Edmund Husserl, of Hannah Ahrendt, of Hermann Broch, of Walter Benjamin, of Paul Celan. We kunnen de hele lijst opnoemen van joodse schrijvers, denkers en artiesten die op een grandioze wijze geschitterd hebben aan het cultureel gesternte van deze eeuw. Is het mogelijk een voorstelling te maken van de Europese cultuur van deze eeuw zonder hun namen te noemen?

Bovendien moet worden opgemerkt dat al deze scheppende personen zich uitdrukken in de Duitse taal en geworteld zijn in de meest verheven traditie van de Duitse cultuur. Op hetzelfde moment dus waarop Duitsland ineenstort in de bulderende stilte van het nazisme, wordt de ziel van dit land gered door Duits-joodse stemmen die duidelijk verstaanbaar het lied fluisteren van het voortbestaan van de Duitse ziel.

Der Tod ist ein Meister aus Deutschland, schreef Paul Celan. Met deze dichtregel, en alle andere dichtregels van de onvergetelijke Todesfuge, geeft Paul Celan, joods dichter uit Roemenië, aan de Duitse taal – doordat hij in staat is de dood een naam te geven, en dus te overstijgen – de mogelijkheid de barbarij te overleven die het nazisme besloten had aan alle menselijke taal op te leggen.

Nu we ons de shoah in herinnering hebben geroepen, en daardoor noodzakelijkerwijs moeten denken aan alle etnische conflicten, bloedbaden en volkerenmoorden die op onze planeet hebben plaatsgevonden sinds de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1900 zo naïef de weldaden van de Wetenschap en de Vooruitgang bezong, zijn we dan ook genoodzaakt de twintigste eeuw te karakteriseren als de eeuw van concentratiekampen en genocide? Is de twintigste eeuw werkelijk de meest moorddadige eeuw van de geschiedenis, zoals nu al wordt beweerd door allerlei journalisten, essayisten en politici, alsof het om een zonneklare, gemakkelijk te bewijzen vanzelfsprekendheid gaat? Ik zal zeker niet zo'n fundamentele uitspraak doen. Bovendien denk ik, dat we door aan die uitspraak een allesomvattende, definitieve betekenis te geven, een groot risico lopen de realiteit te miskennen, voorbijgaan aan de essentiële werkelijkheid van ons tijdperk. Het komt me namelijk voor dat die werkelijkheid veel complexer is, veel rijker, veel minder eenzijdig.

Twee opmerkingen lijken me evenwel noodzakelijk, alvorens te proberen een samenvattend beeld te geven van de tegenstrijdige overvloed op de balans van de twintigste eeuw. De eerste is van feitelijke, statistische, objectieve aard. Wanneer we naar de geschiedenis over langere perioden kijken, dan is gemakkelijk vast te stellen dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om een objectieve vergelijking te maken van het effect van de doden en de slachtingen in verschillende tijdvakken met enkele eeuwen ertussen.

Zo is, kwantitatief gezien, het aantal doden veroorzaakt door de pestepidemieën in de Middeleeuwen, of door de Dertigjarige Oorlog in de zeventiende eeuw, oneindig veel kleiner dan de aantallen die het gevolg waren van de wereldoorlogen in de twintigste eeuw. Desalniettemin is tegenwoordig de invloed op de demografie kleiner, ondanks het enorme kwantitatieve verschil.

In 1800 leefden er een miljard mensen op onze planeet; in 1930 waren het er twee miljard. Maar nu, aan het eind van de eeuw, leven er zes miljard mensen op de wereld. Tijdens deze eeuw van slachtingen en volkerenmoorden, heeft zich dus een ware bevolkingsexplosie voorgedaan. Het is niet, zoals na de pest in de Middeleeuwen, een gebrek aan arbeidskrachten en intellect dat een probleem vormde voor de organisatie van de samenleving, maar veeleer een overschot eraan.

Mijn tweede opmerking heeft daarentegen een ideologische en morele strekking.Het is namelijk niet goed om de slachtingen van de twintigste eeuw te veralgemeniseren. Natuurlijk, uit metafysisch, ontologisch – of religieus – oogpunt zijn alle doden evenveel waard. In alle doden drukt zich de dood uit. Er bestaan geen – ze zouden in elk geval niet moeten bestaan – slachtingen die uit ideologisch oogpunt vergeeflijk zijn, en slachtingen die dat niet zijn. De doden van de Goelag hebben hetzelfde gewicht aan onherstelbare afwezigheid als de doden van de nazikampen.

Toch is het onontbeerlijk om ten behoeve van een actief begrijpen van de wereld waarin we leven morele structuur aan te brengen in het landschap van de gewelddadige dood in de twintigste eeuw. Daarom staat de uitroeiing van de joden, juist door haar uitzonderlijkheid, midden in het brandend hart van onze geschiedenis. Het gaat er niet om, om bijvoorbeeld te tellen hoeveel Koerden of Armeniërs zijn uitgeroeid door een genocidepolitiek. Het gaat er niet om te weten of het er meer zijn of minder dan de joden die zijn vermoord in de gaskamers. Het gaat erom te begrijpen wat de tragische uitzonderlijkheid is van de dodelijke ervaring van het joodse volk.

Want alle andere slachtingen hebben verachtelijke en ontoelaatbare redenen, gebaseerd op Realpolitik: gebieden die men graag wil hebben, macht die men vreest, culturen waarvan men het anderszijn, het origineel zijn niet verdraagt. Er is daarentegen geen enkele Realpolitik die aanzet tot uitroeiing van de joden. In de ogen van de nazi's zijn joden gevaarlijk, enkel omdat ze joden zijn. De uitroeiing van de joden is de manifestatie van absolute haat, die geen rechtvaardiging van zichzelf nodig acht behalve een of ander armzalig rassenverhaaltje, zinledig als een zeepbel. De antisemitische haat is ongrijpbaar voor de kritische rede omdat het een absolute haat is: haat van de Ander, precies in dat wat hij gemeen heeft.

Maar de extreme uitzonderlijkheid van de shoah heeft nog een tweede aspect. De uitroeiing van de Europese joden heeft namelijk het unieke kenmerk van industriële, rationele systematisering. Deze onberedeneerde onderneming, volslagen krankzinnig in zijn bureaucratische striktheid, afwijkend van elke praktische Rede, wendt om te slagen een koele ondernemerslogica aan, verpletterend modern in haar productiviteit. De methodes van Ford voor de productielijn van het joodse sterven, dat is de afschrikwekkende uitzonderlijkheid van de shoah. Om die reden moet de uitroeiing van de joden in het ijzige hart van de historische ervaring van de twintigste eeuw worden geplaatst. Het is ongetwijfeld dit belangrijke gebeuren waardoor de concreet ervaren barbarij van ons tijdperk structuur krijgt, reële betekenis en context.

Een paar weken geleden werd in een lezing in het kader van de Berliner Lektionen door de Britse historicus Eric Hobsbawm gezegd dat de twintigste eeuw vooral de eeuw van de Revolutie zal zijn. Gelukkig voegde hij er onmiddellijk aan toe dat hij daarmee niet dacht ,,aan de grote politieke en sociale revoluties die in de hele wereld plaatsvonden, en die óók kenmerkend waren voor deze eeuw, maar aan de ingrijpende maatschappijveranderingen die – vooral vanaf het midden van de twintigste eeuw – een plotselinge en radicale wijziging van het leven van de mensen teweeg hebben gebracht.''

Hobsbawm heeft gelijk: het leven is inderdaad ingrijpend veranderd in deze eeuw. Maar het is niet de revolutie – in de klassieke betekenis van het woord, waarmee verwezen wordt naar politieke en sociale bewegingen – die deze ingrijpende verandering teweeg heeft gebracht. De Revolutie in de klassieke betekenis – en ik schrijf dit woord met een hoofdletter, bij wijze van definitief afscheid – heeft wel gezegevierd in Rusland in 1917, waar een radicaal nieuw systeem werd ingevoerd. In de daaropvolgende decennia heeft dat systeem zich over grote delen van de wereld uitgestrekt. Maar de maatschappijen met dit wereldsysteem waren geen maatschappijen van emancipatie, van bevrijding. Integendeel: het waren de minst egalitaire, de minst rechtvaardige, de meest onderdrukkende maatschappijen van de moderne geschiedenis.

De radicale vernieuwing van de leninistische revolutie mondde uit in bureaucratische samenlevingen, versteend in een zeer archaïsch, autocratisch heerschappijmodel, vergelijkbaar met het vroegere Oosters despotisme, niet in staat om zich te vernieuwen zonder zichzelf te vernietigen. Samenlevingen die van binnenuit in elkaar zijn gezakt, door de druk van de wereldomvattende concurrentie, van de duizelingwekkende veranderingen die zich onophoudelijk in de ons omringende wereld voordoen. Want de wereld is veranderd in de twintigste eeuw, die niet de eeuw van de Revolutie zal zijn, maar wel de eeuw van hervormingen en bevrijding. Bevrijding van de voormalige koloniën, bevrijding van de vrouw: deze twee historische processen – het tweede is nog lang niet afgelopen, maar is wel net zo onomkeerbaar als het eerste – hebben veranderingen teweeggebracht waarvan de draagwijdte niet was te overzien. Bevrijding van de burgers van alle religieuze, naar goddelijk recht verwijzende denk- en machtssystemen, tenminste in de meeste, en bovendien meest invloedrijke, meest ontwikkelde landen.

En deconfessionalisering van de samenleving is tenslotte de belangrijkste voorwaarde voor elke allesomvattende bevrijding. Geleidelijk voortschrijdende bevrijding van de arbeid van vervreemdende omstandigheden die er inherent aan leken te zijn, enerzijds door de druk van de vakorganisaties en allerlei sociale bewegingen, anderzijds door de huidige technologische revolutie die bezig is de productiewijze ingrijpend te wijzigen.

Een eeuw van velerlei bevrijdingen, van voortdurende hervormingen dus; en ook al was het niet de eeuw van de Revolutie, we worden wel door de over enkele dagen aflopende eeuw voor een volkomen nieuw dilemma geplaatst. Aan het eind van zijn lezing zei Eric Hobsbawm dat hij redelijk optimistisch was over de toekomst van de menselijke soort. ,,Een soort die de twintigste eeuw heeft overleefd'', zo verklaarde hij, ,,zal niet verdwijnen''.

Laten we ervan uitgaan dat dit zo is. Maar kan ze zichzelf dan niet uit eigen beweging transformeren? De bliksemsnelle vooruitgang van de biotechnische wetenschap, de genetische manipulatie – die in moderne vorm voor de wedergeboorte zorgt van de figuur van de Golem uit een aantal joodse sagen, dat wil zeggen van de oude droom van kunstmatige totstandbrenging van het leven – deze vooruitgang die het denkbaar maakt dat voortplanting op grote schaal in laboratoria plaatsvindt, met uitsluiting van seksualiteit, met uitsluiting dus van dromen, fantasieën, begeerte, tederheid, het verlangen anders te zijn, de ontroering van de ontdekking, het geestelijk samenvloeien dat de zinnelijke ontmoeting inleidt of vergezelt.

Freud zou zijn opgesprongen van ontzetting en afschuw, tijdens zijn wandeling met Mahler door de straten van Leiden – dat alles luidt een problematiek in waarop we ons in moreel opzicht dringend moeten voorbereiden. Hoe dan ook: heeft de twintigste eeuw in het teken gestaan van het vraagstuk van verandering van de samenleving, dan zou het heel goed mogelijk zijn dat de eenentwintigste eeuw zal worden beheerst door het vraagstuk van verandering van de soort.

Dit is een bekorte versie van de Huizingalezing 1999. De volledige tekst verschijnt vandaag in boekvorm bij Uitgeverij Bert Bakker en is ook te lezen op Internet: www.nrc.nl.