De rechter, de slager en de griffier

Voor de oorlog was Pec een welvarende, goeddeels Albanese stad. Vlak voor de navo-bombardementen veegden Servische troepen de stad leeg.

Na de oorlog keerden de Albanezen terug om op hun beurt de Serviërs te verjagen.

Petra de Koning reconstrueerde de ondergang van een koopmansstad.

Janine Schrijver fotografeerde dit najaar de wederopbouw in Kosovo.

Dertig Servische politiemannen, reservisten, staan in een halve kring voor hun commandant. Het is zaterdagnacht, 21 maart. Ze staan in de Groene Zaal van hotel Metohija, in het centrum van de stad Pec , en ze luisteren naar hun commandant Simonovic. Het westen wil de Serviërs uitroeien, zegt hij. De navo zal bommen gooien en de overmacht zal enorm zijn. 'Maar jullie, geachte strijders, jullie zijn de zonen van Milos Obilic.'

De Servische ridder Obilic vermoordde in 1389 de sultan, na de nederlaag van zijn aanvoerder prins Lazar tegen de Turken. De commandant pakt een papiertje uit zijn borstzak en leest voor wat de Servische prins kort voor de strijd tegen zijn mannen zei: 'Het is beter te sterven in het gevecht dan te leven in schande. Lange tijd hebben wij doorgebracht op deze wereld. Nu zullen we vechten als martelaren en in de hemel eeuwig leven.'

Die zaterdagochtend zijn de waarnemers van de ovse (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) uit Kosovo vertrokken. Bijna vijf maanden hebben ze moeten toezien op een bestand tussen Serviërs en Albanezen dat voortdurend werd geschonden. Nu dreigt de navo met bombardementen. Maar de Servische eenheden zijn diezelfde ochtend nog begonnen met een groot offensief tegen het Kosovo Bevrijdingsleger uck.

Commandant Simonovic kijkt zijn mannen aan en zegt: 'Het is nu aan ons. Kosovo is Servisch. Niet één Albanees zal hier levend achterblijven, nog niet in een muizenhol.' Hij drukt zijn hand, drie vingers gespreid, tegen zijn borst. De mannen doen het hem na. De commandant roept: 'Voor het heilige kruis en de gouden vrijheid.' Dat riepen de Servische strijders, net voor de veldslag tegen de Turken.

De reservisten herhalen de eed, sommigen met tranen in hun ogen.

Dan is er rakija, sterke drank, gestookt in het orthodoxe klooster van Decani, zo'n twintig kilometer buiten de stad. De commandant heeft, zegt hij, nog een boodschap van patriarch Pavle, de hoogste geestelijke van de Servisch-orthodoxe kerk: 'Gods zegen rust op jullie werk.'

Een uur later is de eenheid van Marko (23), zoon van de boekhouder van de fiets fabriek in Pec , op weg naar een Albanees dorp in de Rugova-vallei, niet ver van de grens met de Joegoslavische deelrepubliek Montenegro. In het dorp overnachten driehonderd Albanese schaapherders uit de bergen. De Servische politie in het dorp heeft versterking gevraagd. 'Onze opdracht was', zegt Marko nu, 'jonge mannen doden, alle anderen wegjagen.'

Goudsmeden

Pec, in het westen van Kosovo, was een stad van ruim honderdduizend inwoners. Vijfentachtig procent was Albanees, dertien procent Servisch, en er woonden een paar duizend zigeuners. Pec was de stad van Albanese goudsmeden en juweliers, en het was de stad van de handel met Montenegro, Servië en Albanië - in auto's, benzine, sigaretten, cosmetica.

In 1989 maakte de regering in Belgrado een eind aan de autonomie in Kosovo. Bijna alle Albanezen die bij de overheid of in staatsbedrijven werkten, werden ontslagen. Om te overleven stuurden Albanezen hun kinderen naar West-Europa, of ze richtten hun eigen handelsbedrijven op - vaak met groot succes. Ze verdienden, of kregen, veel meer geld dan de Serviërs die nog in dienst van de overheid werkten. Maar die hadden de macht, zij heersten in Kosovo: de burgemeester was een Serviër, de politie was Servisch, bijna alle rechters waren Serviërs.

In Pec onderhielden de Albanese zakenlieden goede contacten met de plaatselijke, Servische autoriteiten. De rijkste zakenman van de stad, Sali 'Banana' Nimani, rijk geworden in de bananenhandel, werd beschermd door een Servische politie-

eenheid. Daar betaalde hij zestigduizend Duitse mark per maand voor.

Serviërs en Albanezen deden hun zaken op kantoor, uit het zicht. Alleen Albanezen die openlijk loyaal waren aan het Servische regime, kwamen in Servische restaurants.

Voor jongeren golden die regels niet: de wat beter opgeleide Albanezen en Serviërs tussen de vijftien en vijfentwintig gingen samen naar Servische of Albanese cafés en discotheken. Servische jongens brachten hun Albanese vrienden in contact met Servische meisjes - die kon je veel sneller zoenen en aanraken dan Albanese meisjes. Albanese jongens, die meer geld hadden dan hun Servische vrienden, betaalden vaker de rekening.

De Albanezen van de stad moesten weinig hebben van de Albanezen in de dorpen. Die noemden ze 'katundarë', achterlijke boeren. Er waren ook maar weinig Albanese jongens van Pec die zich aansloten bij het Kosovo Bevrijdingsleger uck, het uck was van het platteland. De afkeer was wederzijds. In de dorpen werd gezegd dat een jurk van Drenica, een berggebied in het midden van Kosovo, in de strijd evenveel waard was als vijf broeken van Kapesnica, een wijk in Pec . Als er zich al eens een stadse strijder aanmeldde, werd die door de uck-commandant onmiddellijk naar de front linies gestuurd.

Wolven

In de Rugova-vallei, die begint bij het orthodoxe klooster aan de rand van de stad, had zich al begin maart een groep van dertig paramilitairen uit Servië gevestigd. Ze noemen zich de Wolven van de Verdoemde Bergen - zo heet het gebergte bij Pec. Aan het begin van de avond snuiven ze heroïne, dan gaan ze op pad in vijf donkergroene Lada's. Ze rijden een dorp in, roven geld en goederen, verjagen vrouwen, kinderen en bejaarden, en ze doden jonge mannen. Hun commandant Ruja heeft hen verboden vrouwen te verkrachten. Hij blijft niet lang boos als iemand zich niet aan dat verbod houdt.

Op zaterdag 21 maart sluiten politiereser visten uit Pec zich bij de Wolven aan. Ook zuidelijker, in het grensgebied met Albanië, worden dat weekend en de dagen erna posities ingenomen, dorpen omsingeld en aangevallen.

Op 24 maart, 's ochtends vroeg, gaat het gerucht dat Belgrado is gebombardeerd. Het is woensdag, marktdag in Pec. De meeste Albanezen blijven die middag binnen.

De laatste maanden waren de vriendschappen tussen Albanezen en Serviërs minder hartelijk geworden. In het voorjaar van 1998 was de strijd begonnen tussen Servische eenheden en het uck. Er werd gevochten in de bergen en de bossen, maar in de stad bleef het rustig. Op een maandagavond in december kwam er aan die rust een eind: zes Servische jongens werden doodgeschoten in café Panda, naast het gymnasium in Pec.

Serviërs en Albanezen belden elkaar nog wel, ze zochten elkaar thuis op, maar op straat en in de cafés meden ze elkaar.

Plaatselijke politiecommandanten hadden hun eigen paramilitaire eenheid opgericht, Munja (Bliksem). Albanese jongens werden gearresteerd. Soms werden hun lichamen buiten de stad gevonden. Munja-leden pestten en vernederden de Albanezen. In het weekend, 's avonds, trokken ze vrouwenkleren aan, zetten pruiken op, en gingen naar cafés om Albanezen in elkaar te slaan. In januari had Vidomir Salipur (29), de leider van Munja, bij de ingang van café-restaurant Mozart, in het centrum van de stad, een Albanese vlag op de grond gelegd. Wie binnenkwam, moest op de vlag zijn voeten vegen.

Reservist

Tegen zijn Albanese vrienden had Milan Topalovic (25), chauffeur van een internationale hulporganisatie in Pec, gezegd dat hij weg zou gaan uit Kosovo. Hij wilde, zei hij, niet als reservist worden opgeroepen. Milans vader was een bekende Albanese mensenrechtenactivist, met wie zijn Servische moeder een verhouding had gehad. Zijn vader werd in 1990 doodgeschoten door de Servische geheime dienst. Tot zijn twaalfde gebruikte Milan de Albanese achternaam van zijn vader. Maar zijn vaders familie wilde niets van hem weten, ze dachten dat hij op een deel van de erfenis uit was. Op het gymnasium was Milan orthodox geworden, om zijn nek droeg hij een zwaar, verguld kruis. Thuis bewaarde hij nog wel een foto van zijn vader, die hij nooit had gezien, en een officieel document waarin de man erkende dat Milan zijn zoon was. En zijn beste vrienden waren Albanezen. Hij vierde islamitische feesten bij hen thuis, zij kwamen met kerst bij hem eten. 'Milan hoorde bij ons', zeggen die vrienden nu.

Maar in de week dat de navo begint met bombarderen, kiest Milan voor zijn Servische achtergrond, en tegen de Alba-nezen die hem hadden afgewezen.

Zijn vrienden zijn verbaasd dat hij die woensdagochtend nog in Pec is. Hij zegt dat hij zijn moeder niet alleen wil laten.

Milan meldt zich aan als reservist en wordt ingedeeld bij de eenheid 'voor de zuivering en verdediging van de stad'.

In het dorp Ratish, vijfentwintig kilo-meter ten zuidoosten van Pec, viert de uck-brigade voor het westen van Kosovo, zo'n vijfhonderd man, die avond feest. De eerste navo-bommen zijn gevallen. Er is drank, er is een orkest, er wordt gezongen. Commandant Ramush Haradinaj spreekt. 'Dit wordt het laatste, beslissende gevecht', zegt hij. 'Jullie moeten sterk en dapper zijn. De wereld is met ons.'

Donderdagmiddag horen legerartsen in kazernes in Servië dat ze zich moeten melden in het Dr. Radovan Bulatovic ziekenhuis van Pec . Het ziekenhuis wordt militair hospitaal. Servische eenheden - leger, politie, paramilitairen - zijn al op weg naar het gebied rond de stad. Belgrado gaat ervan uit dat in het westen van Kosovo, bij de grens met Albanië, hevig zal worden gevochten. Pec ligt in de grensstreek met Albanië, en het is maar twintig kilometer van de stad naar de grens met Montenegro. De stad is strategisch van groot belang: voor de aanvoer van extra eenheden, voorraden, en voor het transport van gestolen goederen uit Kosovo. Een van de mannen van Arkan, bendeleider en zakenman in Belgrado, is al vier weken in Kosovo om dat transport voor te bereiden.

's Avonds stellen Servische militairen hun tanks op rond het ziekenhuis, op een heuvel in het westelijke deel van de stad. Vanaf die heuvel nemen ze de Albanese wijk Kapesnica onder vuur. Huizen branden, mensen vluchten. Op de binnenplaats van de katholieke kerk in Pec houden vijf katholieke families zich schuil. Het zijn juweliers en zakenlieden, ze behoren tot de rijkste families van de stad. Ze zijn die ochtend beroofd en uit hun huizen gejaagd. 'Zij waren de eersten', zal pater Albert later vertellen. 'Heel merkwaardig. Alsof bij de Servische paramilitairen bekend was dat zij geld hadden.'

Ruzie

Esref Krasniqi (45), griffier bij de rechtbank in Pec, wordt vrijdagochtend 26 maart vrolijk wakker. De zon schijnt, de navo bombardeert, en opeens weet hij zeker dat er een eind zal komen aan de Servische overheersing in Kosovo.

Een jaar lang deelt hij nu zijn kantoor met de Servische rechter Dragan Dragovic (39). Ze hebben al een jaar ruzie. Dragovic is een lange, magere man met ernstig beschadigde handen. Als jongen speelde hij met een granaat. De meeste vingers is hij kwijt, van beide wijsvingers en duimen zijn alleen nog bewegende stompjes over. Aan de muur achter Dragovic' bureau, goed zichtbaar voor Krasniqi, hangen foto's van cetniks, extreem-nationalistische Servische strijders. Dragovic trekt veel op met Vidomir Salipur, de leider van de lokale paramilitaire eenheid Munja.

Esref Krasniqi heeft zijn hoop gevestigd op het uck. Hij is niet bang voor de Servische rechter, ook al neemt die iedere dag een machinegeweer mee naar kantoor. Met wat er over is van zijn handen kan hij goed schieten. Hij geldt als een van de beste schutters van Pec .

In december vorig jaar liepen de ruzies tussen de twee zo hoog op dat Dragovic zijn geweer pakte, en Krasniqi zijn typemachine. Zo stonden ze tegenover elkaar toen de president van de rechtbank tussenbeide kwam.

Om kwart voor zeven, die vrijdagochtend, fietst Krasniqi naar de rechtbank, in het centrum van de stad. Hij woont zelf bij de suikerfabriek, in een vieze, stoffige buitenwijk, de wegen zijn er niet geasfalteerd. Krasniqi is eerder op kantoor dan Dragovic. Achter zijn bureau zit Krasniqi op een kussen, hij heeft een bochel en kan maar net bij de typemachine.

Om kwart over zeven komt Dragan Dragovic binnen. Hij draagt een uniform en heeft een zwarte doek met witte stippen om zijn voorhoofd gebonden. Hij ziet er moe uit.

'Goedemorgen', zegt Esref Krasniqi. Dragovic zegt niets. Krasniqi, nog eens: 'Goedemorgen.' Geen reactie.

Krasniqi: 'Waarom zeg je niks? Ik zeg goedemorgen tegen je.' Dragovic mompelt: 'Je ziet toch wat de navo ons aandoet.'

Dragovic is bang. Triomfantelijk zegt Krasniqi: 'De navo doet nu wat jullie ons al die jaren hebben aangedaan.' Dragovic wordt woedend, hij schreeuwt: 'Nu is het tussen ons, een van ons gaat er aan. Ik zal je afmaken.'

Thuis vertelt Krasniqi aan zijn zoon Valdet (21) wat er op kantoor gebeurde. Valdet schrikt. Esref Krasniqi gaat na het middageten slapen. Albanezen in Krasniqi's wijk zien Dragan Dragovic en zijn vriend Salipur die middag door de straten rijden, in een oranje Opel Ascona met één groene deur.

Kort voor zes uur opent Krasniqi de poort voor zijn huis, hij wil naar het Albanese televisienieuws gaan kijken bij een vriend. Zelf heeft hij geen schotelantenne, de zenders van Albanië kan hij niet ontvangen. Twee Opels stoppen bij de poort, mannen in uniform stappen uit. Ze duwen Krasniqi met zijn fiets op de grond. Ze dragen zwarte maskers, alleen de leider van het groepje, een lange, magere man, draagt een grijs masker. Hij houdt zijn handen in zijn zakken, ook als na een paar minuten zijn masker verschuift. Met zijn schouder probeert hij het recht te duwen.

De mannen halen Esrefs dochters uit de keuken. In de woonkamer zitten twee zoons van Esref en een vriend. Een van de soldaten richt zijn machinegeweer op de jongens en kijkt naar de leider. Die beweegt zijn hoofd in de richting van Valdet. De soldaat stuurt de andere jongens naar buiten en schiet Valdet dood.

Esrefs dochters, zijn andere zoon en de vriend worden weer naar binnen gestuurd. Ze ontvluchten het huis door een raam en rennen naar de buren. In de tuin wordt Esref Krasniqi gedood. Kogels treffen zijn oog, zijn kin, zijn borstkas.

Geld

In Zatra, een Albanese buitenwijk van Pec, gaan militairen en politiemannen die vrijdag van deur tot deur. Ze eisen geld, juwelen, en ze zeggen: je hebt tien minuten om te vertrekken. Of vijf, of vijftien. Als Albanezen bereid zijn ervoor te betalen, kunnen ze een half uur krijgen.

Zaterdag en zondag worden ook de andere wijken van Pec leeggeveegd. Tienduizenden Albanezen worden samengedreven op het plein in het centrum van de stad, tegenover hotel Metohija. In de wijk Brezenik staat Milan Topalovic op straat, in uniform. Tussen de Albanezen die uit hun huizen worden verdreven, ontdekt hij een vriend. 'Milan', vraagt de jongen, 'waar brengen ze ons heen?' 'Ik weet het niet', zegt Milan.

Maanden later, in een café in Podgorica, Montenegro, vertelt Milan dat hij die dag niks voelde. 'Natuurlijk had ik wel met ze te doen. Maar ik dacht ook: zij gaan weg, zij zitten straks veilig in Albanië. Wij moeten hier verder onder navo-bommen.'

Zaterdagnacht, 27 maart, slapen de meeste Albanezen buiten, op het plein. Een deel wordt naar de sporthal gebracht. In bussen en vrachtwagens worden ze de volgende dag vervoerd naar de grens met Albanië. Wie er niet meer in past, moet lopen. En ze lopen naar Montenegro; die grensovergang is dichterbij. Weinig Serviërs zien hun Albanese buren vertrekken. Ze zitten in de schuilkelders, omdat het lucht alarm is afgegaan. Het was een storing zo bleek later. De kazerne bij Pec werd pas een week later gebombardeerd. Of ze houden hun gordijnen dicht.

In de straat die 'het smalle straatje' wordt genoemd, worden juwelierszaken en hor logewinkels geplunderd. Een groepje mannen, in zwarte uniformen en met witte handdoeken om hun nek, loopt op zondagavond het straatje in en steekt de winkels één voor één in brand. De eenheid noemt zich 'de Dwaze Pinguïns' en het enige wat ze doen is brandstichten.

Tot het eind van de bombardementen is een groepje elektriciens van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat in Pec op straat om draden door te knippen die het vuur kunnen overbrengen naar Servische huizen.

Na het weekend zijn er nog maar een paar honderd Albanezen in de stad. De arbeiders van de broodfabriek worden bij de poort tegengehouden. Ze moeten brood bakken voor de Servische eenheden. Verder zijn er wat oude mensen, zieken, en families in straten die door de militairen zijn ver geten. In het blindeninstituut van Pec wonen tien Albanese kinderen die niet door hun ouders werden opgehaald, met een docent, twee bewakers en de directeur. In de Dubetaan Mugbetaa straat, in de wijk Brezenik, zijn nog twee Albanese huizen bewoond.

De broers Isa (40) en Musa (31) Bala, slagers, zijn er achtergebleven met hun vrouwen en zeven kinderen. En Riza Loci (55), tot 1990 rechter bij het hoog gerechtshof in Pribetatina, woont er nog met zijn vrouw. De schoonouders van hun dochter, kapper Jusuf Haxhiu en zijn vrouw, zijn bij hen ingetrokken.

In dit deel van de straat was geen militair langsgekomen om Albanezen weg te jagen. De vrouwen van Isa en Musa hadden graag zelf weg willen gaan, maar de slagers lachten om hun angst.

Dagboek

Rechter Loci is een kleine, magere man met een hoge stem. Hij is gebleven om op zijn huis te passen. Een week nadat de eerste navo-bommen zijn gevallen, begint hij aan een dagboek. Loci kan nauwelijks geloven wat hij ziet door het raam van zijn bibliotheek op de eerste verdieping. Servische vrouwen uit de straat klimmen over muren van verlaten Albanese huizen. De huizen van hun vriendinnen. Ze nemen zitbanken, televisies, videorecorders en lampen mee, hun kinderen helpen met dragen.

In de eerste week van april ziet Loci duizenden vluchtelingen langslopen, uit dorpen in de buurt, en zelfs uit de stad Mitrovica in het noorden. 'Ze zwijgen', schrijft hij, 'en ze zien er uitgeput uit.' Een paar dagen later komen ze weer langs. Ze lopen de andere kant op, de kant waar ze vandaan kwamen.

Er komen ook zigeuners voorbij, met kuddes schapen en koeien uit de dorpen. Ze brengen de beesten naar de schoenfabriek verderop in de wijk waar ze worden geslacht voor de Servische eenheden.

Militairen en paramilitairen hebben huizen ingenomen aan de overkant van de straat en in de straat erachter. Het Joego slavische leger heeft er het hoofdkwartier ingericht van de militaire politie. De soldaten zetten cassetterecorders op straat en draaien nationalistische muziek. De Serviërs uit de buurt praten en lachen met de militairen. 'Alsof ze al gewonnen hebben', schrijft de rechter in zijn dagboek. Hij durft zelf niet meer naar buiten, zijn vrouw doet boodschappen. Ze zegt dat ook in andere wijken huizen en scholen zijn bezet door Servische politie en militairen. De hele stad is militair terrein geworden. De navo bombardeert alleen de lege barakken aan de rand van Pec .

Rechter Loci woont een paar honderd meter van die barakken, 's nachts hoort hij de bommen vallen. Soms vindt hij de volgende dag stukken asfalt in zijn tuin. Hij slaapt nauwelijks. De hele nacht wordt er geschreeuwd en geschoten, huizen branden. Loci kijkt door het raam naar de soldaten op straat, hij is bang dat ook zijn huis in brand zal worden gestoken. Van zijn vrouw hoort hij geruchten over wie er is vermoord in de stad. Zijn buurman, de slager, vertelt hem over ruzies tussen reservisten op straat, ze vechten om gestolen spullen. Loci luistert naar de radio, en om half zeven 's avonds kijkt hij naar het Albanese televisienieuws. Hij is te onrustig om een boek te lezen.

Plunderen

De eerste vluchtelingen die de rechter ziet, komen uit het dorp Lubenic, vijf kilometer buiten de stad. Op 1 april worden daar vier-envijftig mannen doodgeschoten. Het zou een vergeldingsactie zijn voor de moord op twee politiemannen. Hun lichamen zouden buiten het dorp gevonden zijn, in stukjes gesneden.

In Pec zelf hebben de duizenden soldaten, paramilitairen en politiemannen niet veel meer te doen. Ze plunderen, of ze treiteren de weinig overgebleven burgers.

Begin mei worden meer Servische troepen uit Pec naar de dorpen gestuurd. De navo-aanvallen worden heviger, de gevechten met het uck feller. De eenheid van Milan Topalovic, voor de 'zuivering en verdediging van de stad', trekt naar het grensgebied met Montenegro. Politiereservist Radovan (21), zoon van een loodgieter uit Pec, wordt naar dorpen ten noordoosten van de stad gestuurd. De eenheden van Milan en Radovan werken nauw samen met de paramilitairen van Munja en met de groep die zich de Frenki's noemt. De reservisten worden soms misselijk van de wreedheid van de paramilitairen. In de eenheid van Milan fotograferen de militairen elkaar met uck-emblemen op hun schouders die ze veroverden in het gevecht.

De Frenki's maken kettingen van afgesneden oren.

Radovan kan niet aanzien hoe de mannen jonge meisjes verkrachten. Omdat hij zelf een zusje heeft van vijftien. Wat hij wel weer grappig vindt: de Frenki's nemen hun eigen zigeunerorkesten mee de dorpen in. Die spelen tijdens het moorden. En als hun muziek de Frenki's op een dag niet bevalt, worden ook de zigeuners afgemaakt en vervangen door nieuwe.

De paramilitairen van Munja bedenken spelletjes die het doden minder eentonig maken. Ze spelen 'Servische roulette': ze stoppen vijf kogels in een geweer met een patroon van zes kogels, ze zetten zes Albanezen op een rij en sluiten weddenschappen af wie van hen zal overleven. Of ze doden Albanezen na een aftelrijmpje.

Op vrijdag 14 mei worden in drie dorpen bloedbaden aangericht, in Cuska, Zahac en Pavljan. Zeventig Alba nezen worden gedood door eenheden van politie, leger en paramilitairen. Ze worden in groepjes doodgeschoten, in het veld, in huizen die daarna in brand worden gestoken, en in een smeerput van een garage bedrijf.

Aangifte

Op de dag dat de Albanezen uit Pec werden verjaagd, beschermden Servische buren Rexhina Gashi (68), in de stad een beroemd fotografe. Maar de mannen in donkergroene uniformen die komen roven, kunnen ze niet tegenhouden. Op een avond in mei nemen de mannen haar geld, juwelen en haar auto mee. Gashi is woedend, ze wil aangifte doen. Op het politiebureau wordt ze doorverwezen naar het hoofdkwartier van de militaire politie. Het leger is nu de baas in de stad. Een officier, Jankovic, ontvangt de Albanese vrouw vriendelijk en luistert naar haar verhaal. 'Dat waren paramilitairen, mevrouw, daar kunnen wij niets tegen doen. Dan moet u bij Arkan zijn.'

Dieven zonder uniform en machine geweer worden nog wel gearresteerd. Iedere werkdag van acht tot drie is de Servische advocaat Boribetaa Micunovic (65) op de rechtbank om ze te verdedigen. De verdachten zijn bijna allemaal zigeuners en Servische burgers. De zigeuners zeggen dat ze door militairen gedwongen werden te helpen met het inladen of vervoeren van goederen. Dat ze daarna werden beloond met een televisie of videorecorder wil natuurlijk niet zeggen dat ze zelf hebben gestolen. Serviërs houden vol dat ze op de spullen van hun buren pasten, of die tijdelijk wilden gebruiken. Er worden bijna alleen voorwaardelijke straffen uitgesproken, de gevangenis zit vol met Albanezen die worden verdacht van 'terroristische activiteiten'.

Aan de rand van de stad, op de weg naar Pribetatina, controleren verkeersagenten op snelheid en autogordels. De bussen rijden. Pensioenen worden uitbetaald, ook aan Albanese ouderen die nog in de stad zijn. En als iemand, Serviër of Albanees, een natuurlijke dood sterft, krijgt de familie van de staat tweeduizend dinar (dan nog ongeveer honderdvijfentachtig gulden) voor de begrafeniskosten, net als voor de bombardementen.

Biechten

Eind mei kloppen twee soldaten aan bij de twee Albanese katholieke priesters die zijn achtergebleven in Pec. Het zijn katholieke dienstplichtigen uit de Vojvodina, in het noorden van Servië, ze zijn patiënt in het ziekenhuis van Pec en ze komen biechten. Ze vertellen hoe ze in tweeëneenhalve dag de stad moesten ontruimen. Ze zijn niet echt ziek, zeggen ze, maar ze hebben er genoeg van. Ze vragen de priesters om raad: wat moeten ze doen als de commandant zegt: 'schieten'? Ingewikkeld, vinden de priesters. Natuurlijk moeten ze niet schieten, maar hoe kunnen de priesters hun biechtelingen helpen met deserteren?

De dagen erna komen meer soldaten biechten, soms dragen ze de groen-wit gestreepte pyjama's van het ziekenhuis.

In de buurt van een katholieke kerk, weten de soldaten, is ook wijn, voor de eucharistieviering. Ze ontdekken de voorraad, twee vaten wijn en twee vaten rakija, in de kelder van Augustino Qivlaku. Hij is goudsmid en vrijwilliger in de katholieke kerk, hij luidt op zondag de klokken. Met zijn vrouw Maria en hun schizofrene dochter Wilma (38) was hij eind maart naar de kerk gevlucht. Omdat Wilma ziek was, werden ze niet uit de kerk verjaagd. Na een paar weken zijn ze weer naar huis gegaan, omdat Wilma onrustig wordt als ze niet thuis slaapt.

Een paar weken lang halen de soldaten uit het ziekenhuis iedere dag twee of drie liter drank uit de kelder. Een Servische buurvrouw die bij Maria op bezoek is, zegt tegen een van de soldaten: 'Denk maar niet dat jij van die wijn beter wordt.' De man, in pyjama, wordt kwaad. 'Kijk me niet aan', schreeuwt hij, 'kijk me niet aan.'

Die avond komt hij terug, in uniform, met een vriend. Ze zeggen dat ze uit Bosnië en de Vojvodina komen, en ze komen het huis in brand steken. Er is ook een Servische buurjongen bij, niet in uniform.

Maria Qivlaku herkent Dejan Lazarevic, zoon van de burgemeester van Pec . Drie jaar geleden werd Dejan verliefd op het mooiste Alba nese meisje van de stad. Ze ontsnapten samen, vier dagen waren ze onvindbaar, ze zaten in een buitenhuis van Dejans vader. De ouders van het meisje schaamden zich diep, de burgemeester was kwaad. Hij wilde dat zijn zoon trouwde met de dochter van Bogoljub Karic, een machtig zakenman in Belgrado.

Op verzoek van de familie van het meisje kwam de zaak voor de rechter. Die oordeelde dat de relatie verbroken moest worden omdat het meisje minderjarig was, ze was zeventien jaar en zes maanden. Dejan werd bitter. Hij zocht zijn Albanese vrienden minder vaak op, hij kwam niet meer in Albanese cafés.

De twee soldaten in het huis van Augustino Qivlaku snijden Wilma's kleren open en verkrachten haar.

Rakija

Slager Musa Bala, in de Dubetaan Mugobetaa straat, begint bang te worden. Zijn zoontje Ron (4) en zijn vrouw Vjollca (28) werden al twee keer lastiggevallen door Serviërs uit de buurt, Musa heeft spijt dat hij in maart niet is weggegaan. Hij drinkt veel. Van zijn Servische overbuurman koopt hij zelfgestookte rakija, voor twintig mark per liter.

Er komt een brief van zijn schoonouders die naar Montenegro zijn gevlucht. Twee Serviërs uit Montenegro, schrijven ze, zullen het gezin van hun dochter komen ophalen. De ene Serviër is politieman, de ander officier in het leger. Twee Serviërs uit Pec zelf, Zarko en Zeljko Backovic, zullen de mannen uit Montenegro helpen. Zarko werkt bij de politie, Zeljko is meteropnemer van het elektriciteitsbedrijf. Musa vertrouwt hen. Ze wonen in de flat waar de slagerij is gevestigd, ze kopen al jaren vlees bij Musa en zijn broer Isa.

Op 28 mei, om vijf uur 's middags, rijden twee auto's de straat in. Musa en zijn zoontje stappen in de auto van Zarko Backovic. Vjollca en haar twee dochters van vijf en zes jaar rijden mee met de twee mannen uit Montenegro. In een buitenwijk van de stad worden ze aangehouden door de militaire politie. Musa, die zich net voor het checkpoint in de achterbak had verstopt, wordt ontdekt. Zarko, de twee Montenegrijnen en Musa worden gearresteerd.

De zaak komt voor, Isa moet getuigen. In de rechtszaal ontmoet hij Zarko's broer Zeljko. Hij wil hem een hand geven, maar Zeljko sist hem weg: 'Donder op, jullie hebben ons verraden.' Tijdens de rechtszaak hoort Isa dat zijn broer drieëneenhalfduizend mark betaalde voor de vluchtpoging. Musa had Zarko beloofd daarover te zwijgen, maar na een paar klappen van de militairen vertelde Musa alles. Ook dat Zarko had gezegd dat hij zich in de achterbak moest verstoppen.

Zarko en de twee mannen uit Montenegro worden veroordeeld tot twee weken cel wegens misbruik van hun functie. Nog in de rechtszaal zeggen ze tegen Musa: 'We zullen jou en je hele familie afmaken. Als we het zelf niet kunnen doen, sturen we iemand anders.'

Iedere middag gaat Isa Bala op bezoek bij de Albanese rechter Riza Loci. Ze spelen domino en luisteren naar het nieuws op de radio. Op 7 juni 's ochtends komt Musa opeens het huis van Loci binnen. Hij is dronken en zegt dat hij zelfmoord wil plegen. Als Isa komt, krijgen ze ruzie. Isa is woedend, omdat Musa de hele familie in gevaar heeft gebracht. Musa is wodka gaan drinken, iedere ochtend spuugt hij bloed.

De Serviërs in Pec worden nerveus, de regering in Belgrado zal misschien toegeven aan de eisen van de navo. De rechter schrijft: 'Ze zijn niet meer zo vrolijk. Er worden steeds meer huizen in brand gestoken. Soldaten en Serviërs uit onze straat zetten stoelen buiten om naar het vuur te kijken. Er wordt geschoten.'

Kapper Jusuf Haxhiu, die deze maanden bij de rechter in huis woont, knipt het haar van de kinderen van Isa en Musa Bala. Het eind van de bombardementen nadert, maar slager Isa is nog bang. Hij wil dat de kapper het haar van Dardane, zijn dochter van elf, kort knipt. Ze is nogal groot voor haar leeftijd, hij is bang dat Servische militairen haar verkrachten. Dardane huilt en smeekt de kapper: 'Niet doen, oom Jusuf.' De kapper luistert niet naar Isa.

'Ik heb haar', zegt hij maanden later, 'die dag heel mooi geknipt.'

Vrij

Op zaterdag 12 juni trekken de eerste navo-troepen naar de hoofdstad Pribetatina en naar Prizren, een stad in het zuiden. De vrouw van de rechter loopt 's ochtends langs bij Isa en Musa Bala, omdat ze weet dat hun televisie kapot is. 'We zijn vrij', roept ze naar Alisa, de vrouw van Isa.

Die avond, om negen uur, breken twee mannen de deur open van het huis van de slagers. Ze zijn in uniform, om hun hoofd dragen ze zwarte doeken. Ze hebben machinegeweren, messen, handgranaten. Eén van hen pakt een kussen en steekt het in brand, de ander schreeuwt: 'Geld!' Isa geeft drieëneenhalf duizend mark. Dat is niet genoeg, zeggen de mannen. Ze nemen Isa en Musa mee naar een straat verderop, naar het huis van een Albanese familie die tijdens de bombardementen ook in de stad is gebleven. Daar zit Nebojsa Minic, een stevige man met een litteken op zijn wang. Minic heeft de leiding van de paramilitaire eenheid Munja overgenomen van Vidomir Salipur, die begin april werd gedood door het uck.

Hij eist meer geld. Isa zegt dat hij thuis nog 4.900 mark heeft, maar meer niet. 'Ga met hem terug naar zijn huis', zegt Minic tegen zijn mannen.

In zijn huis geeft Isa de paramilitairen het geld. De elektriciteit werkt niet, de Serviërs hebben een kaars bij zich. Ze zeggen dat Isa, de vrouwen en kinderen naast elkaar moeten gaan zitten, op de U-vormige bank in de woonkamer. Alleen Isa's oude, zieke moeder mag in haar eigen kamer blijven, ze ligt op een matras op de grond.

Een van de mannen neemt Vjollca mee naar de gang en verkracht haar. Daarna duwt hij haar terug naar de bank. De jongste zoon van Isa, Agon (7), is bang, maar ook erg kwaad. In het Albanees schreeuwt hij: 'Als ik een machinegeweer had, schoot ik jullie dood.' Zijn oudere broer, Hajri (12), zegt: 'Niet bang zijn, Agon, wij zijn kinderen. Ze vermoorden geen kinderen.'

De paramilitairen staan voor de bank. 'Zijn jullie er allemaal?'

'Ja', zegt Isa.

Ze gooien de kaars weg en beginnen te schieten.

Isa bukt, pakt zijn zoon Veton (8) die naast hem zit, rent met hem over het balkon en springt in de tuin van de buren. Isa's andere kinderen - Hajri, Agon en zijn dochter Dardane (11) - liggen dood op de bank. Ook Vjollca en haar dochter Rina (6) zijn onmiddellijk dood. Vjollca's andere dochter, Nita (5), is in haar buik geraakt en overlijdt de volgende dag. Haar jongste zoon, Ron (4), was eerder die avond onder de deken van zijn grootmoeder gekropen, hij mankeert niets. Isa's vrouw Alisa heeft zes kogels in haar borsten, en twee in beide armen, maar ze overleeft.

Musa's lijk wordt vijf dagen later gevonden. Zijn teennagels zijn uitgetrokken, hij heeft messteken onder zijn voeten, en mist een deel van zijn kuit. Zijn keel is doorgesneden.

Exodus

Op maandag 14 juni, zeven uur 's ochtends, rijden Italiaanse tanks de stad in. De directeur van het blindeninstituut staat met de kinderen voor het open raam en roept: 'Zwaaien, dit zijn onze bevrijders.'

's Middags is Milan Topalovic in Pec om zijn spullen op te halen. De afgelopen weken, in de bergen, was hij ziek, hij had longontsteking. Door het slechte eten vielen bijna al zijn boventanden uit. Milan weet dat hij voor het laatst in de stad is. Hij huilt. De foto van zijn Albanese vader en het document waarin hij erkent dat Milan zijn zoon is, laat Milan achter in zijn appartement.

De volgende dag vertrekken alle Servische eenheden uit Pec , duizenden Servische burgers sluiten zich bij hen aan. Dan komt het uck de stad in: vier soldaten. Ze lopen. Hun auto's staan buiten de stad, de benzine was op. Ze breken de deur open van de drukkerij die tijdens de bombardementen werd gebruikt als hoofdkwartier van het Joegoslavische leger. Ze stellen een satelliettelefoon op en bellen hun commandant: 'Pec is ingenomen.'

Vijftig meter van het nieuwe uck-hoofdkwartier woont een Servische gynaecoloog. Hij verkocht de inboedel van privé-klinieken van zijn Albanese collega's aan ziekenhuizen in Montenegro, maar hij denkt dat de Albanezen dat niet weten. De arts staat voor zijn huis en schildert de poortdeuren rood en zwart, de kleuren van het uck. 'Welkom, jongens', zegt hij in het Albanees tegen de uck-soldaten. Het helpt hem niet. Hij wordt meegenomen, zijn huis wordt in brand gestoken.

De dagen erna ontvoert het uck tientallen Serviërs uit Pec . Niemand hoort nog van ze, er worden geen lichamen gevonden. In het centrum van de stad gaan uck-soldaten 's nachts van huis tot huis om Serviërs weg te jagen. Het dorp, het uck, heerst in de stad.

De Albanezen komen terug uit Albanië en Montenegro. De stad ligt in puin. Van de 31.000 huizen in Pec zijn er 21.660 door brand zwaar beschadigd. In het centrum van de stad en in de Albanese buitenwijken zijn hele straten verwoest. Teruggekeerde vluchtelingen zoeken in de stapels stenen en verbrand hout naar geld of juwelen die ze hadden verstopt.

In het 'smalle straatje' laat de eigenaar van een kledingzaak zich fotograferen door buitenlandse journalisten. Hij staat op de resten van zijn winkel en wijst vrolijk naar de brandkast die onbeschadigd tussen de puinhopen ligt.

Albanezen betrekken huizen van gevluchte Serviërs. Maar de meeste Servische huizen, winkels en kantoren worden geplunderd en in brand gestoken. Uit wraak, en om er zeker van te zijn dat de Serviërs nooit meer terugkomen. Die wonen nu bij familie in Servië of Montenegro, in opvangcentra voor vluchtelingen, of in vakantiewoningen aan de kust. Alleen in het orthodoxe klooster aan de rand van Pec logeren nog een paar oude, zieke Serviërs. Ze worden bewaakt door Italiaanse kfor-militairen.

Volgens de Albanese Raad voor de Mensenrechten in Pec, een organisatie van artsen en juristen die het Haagse tribunaal voor ex-Joegoslavië helpt bij het zoeken naar massagraven en bij het identificeren van de lichamen, zijn er in Pec en de dorpen eromheen 593 Albanezen gedood. Onder hen waren zevenenzeventig vrouwen, negentien kinderen, en achtenzeventig bejaarden (ouder dan zeventig jaar). Tot nu toe werden er, volgens de Raad, 390 lijken gevonden. Het totale aantal doden werd vastgesteld op basis van getuigenverklaringen. Zesennegentig mensen worden vermist, maar dat aantal stijgt nog.

Isa Bala werkt in zijn slagerij, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat. Hij wil wel praten over wat er gebeurde die zaterdagavond in juni. Maar alleen als hij kan doorgaan met schapen villen, uitbenen, vlees snijden, gehakt draaien. De foto's van zijn dode kinderen heeft zijn vrouw aan een vriendin gegeven, om ze te bewaren. Isa kan er niet tegen als ze in huis liggen.