De eeuw uitgeluid

De jaarlijkse Huizingalezing in de Pieterskerk in Leiden werd gisteravond gehouden door de voormalige Spaanse minister van Cultuur, Jorge Semprun. Het is in deze dagen een bijna misselijkmakende gemeenplaats om bij een evenement op te merken dat het de laatste keer van de eeuw betrof. De laatste Sinterklaas van de eeuw, de laatste kerstviering, de laatste skivakantie, de laatste ... hou op! Hou alsjeblieft op! Ik kan het haast niet meer horen of lezen.

Behalve... ja, behalve in dit geval. Ik zou werkelijk niemand weten die méér in aanmerking komt om in de laatste Huizingalezing van de eeuw een balans op te maken dan Jorge Semprun. De 76-jarige schrijver behoort in mijn ogen tot de grote kunstenaars van de afgelopen decennia, hoewel zijn naam maar zelden voorkwam op de obligate top-honderdlijstjes met grootheden van de eeuw. De namen op al die lijstjes horen bij volkomen onvergelijkbare figuren en de poging hen in een onderlinge rangorde te plaatsen is daarom betekenisloos, behalve als melig gezelschapsspel. Wie scoort meer punten: Bob Dylan of Joeri Gagarin? Marie Curie of Gustav Mahler? Willem Drees of Abe Lenstra? Het slaat allemaal nergens op.

Maar als men dan toch iemand moet kiezen, niet als kampioen, symbool of mascotte, maar als degene die geknipt is om de eeuw uit te luiden, dan is de keuze voor Semprun me uit het hart gegrepen. Al zijn werk is een persoonlijke reflectie op de grote politieke tragedies van de eeuw. Sommigen zullen daarbij misschien primair denken aan zijn filmscenario's: hij maakte onder meer La guerre est finie (van Alain Resnais) en Z (van Costa Gavras). Anderen geven mogelijk de voorkeur aan zijn romans, zoals De lange reis, De tweede dood van Ramon Mercader en Netsjajev is terug. Voor mij is een boek dat tussen de roman en de autobiografie in zit, ook nog eens als filmscript opgeschreven, zijn belangrijkste werk: De autobiografie van Federico Sanchez.

Semprun heeft een concentratiekampsyndroom. Je zou kunnen zeggen dat hij lijdt aan de ziekte van de eeuw. Als jongen werd zijn leven gestempeld door de Spaanse burgeroorlog: zijn vader was ambassadeur in Den Haag van de door Franco verslagen Spaanse republiek. In zijn Huizingalezing karakteriseert hij de burgeroorlog in zijn geboorteland terloops als de eerste confrontatie in de strijd op leven en dood om de hegemonie in Europa `waar Stalin en Hitler hun militair materieel uitproberen en de pionnen van hun op suprematie gerichte strategie naar voren schuiven'.

In 1941 werd Semprun actief in het Franse communistische verzet, tot hij twee jaar later door de Duitsers werd gearresteerd en naar Buchenwald gedeporteerd. Na de oorlog kwam hij in de leiding van de Spaanse communistische partij die in Praag zetelde en hem belastte met het illegale werk in Franco-Spanje, waarbij hij de schuilnaam Federico Sanchez voerde. Begin jaren zestig raakte hij echter in conflict met het boegbeeld van de Spaanse communisten, de beroemde Dolores Ibaruri (`La Pasionaria') die hij als jonge man in gedichten had verheerlijkt wegens haar heldhaftige antifascisme.

De autobiografie van Federico Sanchez is meer dan een afrekening met het communisme. Het boek biedt ook een van de meest aangrijpende verklaringen voor de aantrekkingskracht ervan en de koppigheid van zijn aanhangers. Heel het zogenaamde communismedebat dat in Nederland na de val van de Berlijnse Muur door Bolkestein werd aangezwengeld zonder ooit verder te komen dan verwijten, verdachtmakingen en borstklopperij over `het gelijk van rechts', is kleuterspel vergeleken bij wat Semprun daarover in de jaren zeventig al had opgemerkt.

,,Het is onmogelijk'', zei hij gisteravond in Leiden, ,,te spreken over de eeuw die op het punt staat te eindigen – en die overheerst zal blijven door de vlammen van door nazisme en communisme ontstoken politieke harstochten – zonder stelling te nemen in de discussie over de overeenkomsten en verschillen tussen nazisme en communisme.'' In Nederland is het debat daarover in de kiem gesmoord door de domme vergelijking (waarmee Bolkestein de discussie opende) tussen de wijze waarop hier met communisten en oud-NSB'ers is omgesprongen. In de Tweede Kamer is, op voorstel van de VVD overigens, een zaal genoemd naar Marcus Bakker, mijns inziens terecht omdat hij een vooraanstaand en gewetensvol parlementslid was. Maar niemand, zelfs Bolkestein niet, zou het ooit in zijn hoofd hebben gehaald een zaal naar Rost van Tonningen te noemen.

Toch zijn er, Semprun stond er uitdrukkelijk bij stil, belangrijke overeenkomsten tussen de twee totalitaire systemen die de twintigste eeuw hebben geschandvlekt. Tegelijkertijd formuleerde hij een wezenlijk en tragisch verschil. Het nazisme, aldus Semprun, verklaarde openlijk de superioriteit van het arische ras, trok daaruit alle consequenties voor de organisatie van de samenleving en vestigde daarmee een ondubbelzinnige samenhang tussen theorie en praktijk. De nazi-praktijk was de werkelijkheid van zijn theorie, de realisatie ervan. De praktijk van het communisme daarentegen was de constante loochening, de permanente ontkenning van de verkondigde doelen. ,,De leugen is de werkelijkheid van het communistische discours; de realiteit ervan is een illusie.''

Misschien is dit wel de verklaring van de innerlijke worsteling die mensen als Semprun hebben moeten doormaken alvorens afstand van hun vroegere idealen te kunnen doen. In zijn geval heeft dat afscheid echter niet tot louter verbittering over de waan van de eeuw geleid, maar ook tot vreugde over ,,de ingrijpende maatschappijveranderingen die vooral vanaf het midden van de eeuw een plotselinge en radicale wijziging van het leven van de mensen teweeg hebben gebracht''. Hij noemde in dit verband onder meer de bevrijding van de voormalige koloniën, de – nog onvoltooide – bevrijding van de vrouw en die van burgers (althans in de meest ontwikkelde landen) van religieuze, naar goddelijk recht verwijzende denk- en machtssystemen.

Zoals ik het begrijp, was deze opmerking mede een tribuut aan de, door de `gelijkhebbers van rechts' zo verguisde, emancipatie- en antiautoritaire bewegingen van de jaren zestig en zeventig. Dat deed me, bij alle ellende, goed.