Daan distribueert

Episode 12: Waarin Daan Schrijvers blijmoedig zijn hoofdredactionele plicht vervult vis-à-vis een klas met Jonge Honden, maar alsnog naar buiten blijkt te moeten

Een ellendige decemberavond, met een motregen die nog de dappersten van de straat zou vegen. En mijn vrijgezellenflat lag, helaas, te ver in 't westen om op te tornen tegen dat kille gordijn. Voor het eerst sedert lang, zeer lang, want de jaren vloden, koerste ik aan op mijn stamkroeg, de Railroad Bar, waar mijn ontijdige intrede beschouwd zou worden als een stap op de weg die tot inkeer leidde. Je bent laat, Daan, zou barman Feike ongetwijfeld brommen, alvorens hij met een routineus gebaar een Waikiki Winker op de rails zou zetten, en die spoorslags mijn richting uit zou dirigeren. Gelukkig had ik een glansblad of wat meegebracht voor bij het vuur, want als ik niet lees werkt mijn zwijgen verkillend op mijn bargenoten.

Och, ik begrijp best dat niets zo drukkend is als de aanwezigheid van een journalist op leeftijd die voor zich uit zit te staren alsof hij alleen is, die nooit een grap vertelt noch iemand op de schouder slaat om hem moed te geven in zijn kwade dagen, die nooit vraagt hoe het gaat, of ben je gelukkig.

Deze avond bestond de voltallige populatie van de Railroad Bar voornamelijk uit een ongesubsidieerde kunstenaar die nog een consumptie van mij tegoed had, alsmede een oud-collega die mij verwelkomde met een blik welke alleen gegeven is aan hen die tot ieders opluchting gebruik hebben gemaakt van De Regeling. ,,Hoe is 't nu daarbuiten, Daan, in de ongezouten werkelijkheid'', probeerde hij zich nog vast te klampen aan zijn gepasseerde professie. Ja, gaf ik toe, regen. Motregen, preciseerde hij, hoewel hij jarenlang chef de bureau was geweest en nimmer nattigheid gevoeld had. Pas na de derde Waikiki Winker hervond ik mijn spreekwoordelijke vrolijkheid.

,,Raad eens wat, Boebie, zoëven nog maar verkeerde ik onder allemaal leuke jongen mensen.'' Ik legde hem uit dat in de voorgaande episode weliswaar mijn hoofdredactioneel commentaar op digitale drift was geraakt, maar dat de zaak binnen de burelen van het Millennium Magazine was geschikt. Immers, toen ik verhaal kwam halen, hadden de vaderlandse visionairs mij onder een orkaan aan loftuitingen een belendende zaal ingebonjourd. Daar stond ik, ik kon niet anders.

Als hoofdredacteur van mijn eigen glansblad was ik uitverkoren om enig cachet te geven aan de M&M-Masterclass voor junior-journalisten. Het was niet mijn idee geweest, maar te mogen spreken op zo'n bijeenkomst betreffende beproefde tactieken en dito strategieën van ons métier in het nieuwe tijdvak, werkte als balsem op mijn gebutste ziel.

De jonge honden in de zaal keken mij trouwhartig aan. Vol verwachting hielden ze hun pennen in de aanslag om mijn waardevolle woorden op te tekenen in de van bedrijfswege verstrekte M&M-notitieblokjes (ƒ7, 95 bij De Bijenkorf). Dit was de fine fleur der natie, het resultaat van vier jaar educatie aan de Goede Tijden, Slechte Tijden-universiteit.

,,U bent wel een beetje aan de late kant, mijnheer Schrijvers'', durfde de brutaalste van het stel op te merken, maar die had dan ook al een snuffelstage gelopen bij het Acht Uur-Journaal. ,,Is dat een bezwaar'', riposteerde ik met een snaakse knipoog, terwijl ik tot mijn eigen verrassing een golf van hoofdredactionele zelfverzekerdheid door mijn middenrif voelde trekken. Hè, verkneukelde ik mijzelve achter de katheder, eindelijk luistert er eens iemand naar een ervaren kracht in een beduimelde regenjas, dat attribuut bij uitstek van de ware journalist pur sang. Vorsend nam ik de keurige kostuums en modieuze mantelpakjes in de zaal de maat, en sprak op dicteersnelheid: ,,Au fond zijn wij de chroniqueurs van het heden, journalistiek gesproken dan.''

Gedwee noteerde de klas van potentiële prijswinnaars van Het Teakhouten Toetsenbord Voor Veelbelovende Jonge Honden mijn inspirerende inzichten. En dat mocht ook wel, met name omdat dit selecte gezelschap voor deze leerzame bijeenkomst de somma van 240 gulden per couvert had neergeteld, blijkbaar om mij te horen orakelen (borrel annex buffet na). ,,Bedenk wel, jongelui: waarover niet gesproken kan worden, daarover moet de journalist zich ontfermen'', vervolgde ik, terwijl ik mij schurkte op mijn praatstoel. ,,En à propos: dat onze woorden gedrukt worden, betekent niet dat de vis van morgen er notitie van neemt.''

Dit was niet leuk meer, Daan, dit was een vervulling van een levenswens. Maar net toen het tijd werd te gaan snoeven over mijn interview met Enzensberger uit 1992, stapte mijn gelouterde collega Walter Decheiver het podium op. Zijn embonpoint werd aan het oog onttrokken door een glanzende stapel Millennium Magazines, die zojuist kennelijk geheel buiten mijn medeweten van de persen waren gerold. Even was ik stil, terwijl de jonge honden in de zaal bewonderend applaudiseerden voor dit nieuwe chapiter in de pelgrimstocht der kapitale kwaliteitsjournalistiek. ,,Chapeau, Daan'', sprak Walter, terwijl hij de stapel M&M's achteloos in mijn schoot wierp. ,,Nu is het jouw beurt, kerel.''

Ik keek hem in mijn hoofdredactionele hoedanigheid niet-begrijpend aan. ,,Foutje met de begroting van de Pers Media Concentratie, Daan. Had je dat nog niet gehoord'', vervolgde Walter. Iets met de bruto-marge van 19 procent die was gemist, meende ik te begrijpen, en dat er daarom bezuinigd moest worden op de bezorgingskosten, en dat de Millennium Meesters daarom nu aan mijn persoontje hadden gedacht. ,,Ik zou maar beginnen. Het is een hele klus om die dingen door de brievenbus te proppen, Daan.''

En zo was het gekomen dat ik die ellendige decemberavond van deur tot deur was gelopen, met een motregen die nog de dappersten van de straat zou vegen. De M&M's drukten op mijn schouders, als een last die ik deze jaartelling nog niet eerder had gevoeld.

(wordt vervolgd)