Benjamin Schwartz †

`Is het geen genot om te studeren en het geleerde regelmatig te herhalen?' Als er een sinoloog is op wie deze uitspraak van Confucius in het bijzonder van toepassing was, dan wel Benjamin Schwartz (1916-1999), de op 15 november van dit jaar overleden aartsvader van de Contemporary China Studies te Harvard. Toen op 1 oktober jl. de huidige generatie van China-specialisten van Harvard een symposium had georganiseerd om de eerste vijftig jaar van het bestaan van de Chinese Volksrepubliek (en, minstens zo belangrijk, de eerste vijftig jaar van hun eigen Contemporary China Studies) te evalueren, was hij nog zeer nadrukkelijk aanwezig. Zoals hij in de afgelopen meer dan vijftig jaar altijd enthousiast had deelgenomen aan iedere workshop, ieder seminar, en iedere conferentie. Zijn ongeveinsde belangstelling beperkte zich trouwens allerminst tot China.

Niets wees er oorspronkelijk op dat Benjamin Schwartz een van de grondleggers van de Contemporary China Studies zou worden. Als student op het vooroorlogse Harvard had hij zich gespecialiseerd in de Franse intellectuele geschiedenis van de zeventiende en achttiende eeuw. Na het verlaten van de universiteit werd hij leraar op een middelbare school. Pas de Tweede Wereldoorlog bracht hem in contact met het Verre Oosten: in het leger leerde hij Japans en vervolgens werkte hij als cryptoloog. Toen hij het telegram van Japans onvoorwaardelijke overgave moest vertalen, raadpleegde hij herhaaldelijk het woordenboek om zich er vooral van te vergewissen dat het Japanse woord voor overgave ook echt `overgave' betekende. Na een kort verblijf in Japan als censor keerde hij in 1946 naar Harvard terug om te promoveren. Hij zou Harvard daarna nooit meer verlaten.

Japan mocht dan verslagen zijn maar de koude oorlog wierp al spoedig haar schaduwen vooruit. In China brak de burgeroorlog uit die zou resulteren in de totale nederlaag op het Chinese vasteland van de troepen van Chiang Kaishek in 1949. De Chinese Volksrepubliek, die op 1 oktober van dat jaar op het bordes van Tiananmen werd uitgeroepen door Mao Zedong, nam zich voor in alles het voorbeeld te volgen van de Russische grote broer. Velen zagen in de communistische beweging in China slechts een verlengstuk van Stalins machtsapparaat. Benjamin Schwartz kwam tot een geheel andere conclusie: ondanks alle innige woorden van wederzijdse verbondenheid had de Chinese Communistische Partij een geschiedenis die haar zelfstandigheid ten opzichte van Moskou verzekerde, terwijl Mao Zedong een geheel eigen kijk op de marxistische leer had ontwikkeld. Zijn Chinese Communism and the Rise of Mao van 1951 was een van de allereerste wetenschappelijke studies van het Chinese communisme. De geschiedenis van de daaropvolgende jaren zou de conclusies van zijn onderzoek in toenemende mate bevestigen. Zijn andere belangrijke publicatie uit het begin van de jaren vijftig was A Documentary History of Chinese Communism (1952), dat hij samenstelde met Conrad Brandt en John K. Fairbank. Beide boeken zouden in de daaropvolgende jaren, in steeds herziene edities, opnieuw worden uitgegeven. Benjamin Schwartz zou de ontwikkelingen in het huidige China altijd met de grootste interesse blijven volgen, maar in zijn eigen onderzoek sloeg hij vanaf de jaren zestig een tegengestelde weg in. Ongetwijfeld ter verklaring van de bijzondere receptie van het marxisme in China door Mao en zijn tijdgenoten, stortte hij zich op de studie van de generatie van Chinese intellectuelen die in de laatste jaren van de negentiende eeuw, geschokt door China's vernederende nederlaag in de Sino-Japanse oorlog van 1894-95, de belangrijkste werken van de Westerse maatschappijwetenschap voor China toegankelijke maakten.

Het resultaat van dit onderzoek werd In Search of Wealth and Power: Yen Fu and the West van 1964. Yan Fu (1853-1921) was een Chinees marine-officier die tijdens zijn training in Engeland zich de taal voortreffelijk eigen had gemaakt en na 1895 zijn landgenoten in hoog tempo voorzag van vertalingen van de belangrijkste boeken van Thomas Huxley en Herbert Spencer. Zijn bewerkingen speelden een centrale rol bij de verspreiding van het sociaal-darwinisme in China. Chinese intellectuelen raakten bezeten van de gedachte dat China binnen de kortste keren hetzelfde droeve lot zou kennen als Afrika of India, tenzij het Chinese volk zich geheel zou vernieuwen om in de competitie met het blanke ras te overleven.

Terwijl zijn leerlingen en hun leerlingen zich wijdden de studie van de meest uiteenlopende aspecten van de hedendaagse Chinese wereld, besteedde Benjamin Schwartz zelf zijn aandacht steeds meer aan de klassieke Chinese filosofie. Het resultaat was na twintig jaar zijn vuistdikke The World of Thought in Ancient China van 1985. Dit werk bood voor het eerst in lange tijd weer een uitvoerig overzicht van de verschillende stromingen van de klassieke Chinese filosofie, vanaf de oudste geschreven bronnen tot de eerste eeuw v.Chr. Dit werk draagt de sporen van Benjamin Schwartz' lange onderwijservaring als hoogleraar, gelijktijdig in de vakgroep geschiedenis en in de vakgroep politieke wetenschappen. De discussies in het oude China worden voortdurend vergeleken met de standpunten van de antieke en latere filosofen in het Westen en ook vergelijkingen met het oude Israël en India worden niet geschuwd. Het werk vergt geen sinologische voorkennis en is door de comparatieve opzet ook bijzonder leesbaar voor niet-sinologen.

Het centrale vraagstuk van de Chinese filosofie blijft in de ogen van Schwartz het vestigen en handhaven van socio-politieke orde. Natuurlijk besteedt hij uitvoerig aandacht aan andere stromingen en mijdt hij de mystici niet, maar het is duidelijk dat zijn grootste sympathie bij Confucius ligt en diens leerlingen (al was het maar omdat Confucius 80 van de 400 bladzijden tekst krijgt toebedeeld).

Benjamin Schwartz' wetenschappelijke ontwikkeling zal buiten de oriëntalistiek niet zo gauw een evenknie hebben. Ik neem tenminste aan dat er menige wenkbrauw gefronst zou worden wanneer de een of andere hoogleraar moderne geschiedenis zich zou verstouten een uitstapje te maken naar de mediaevistiek, laat staan wanneer hij of zij het op zich zou nemen het nieuwe handboek voor de klassieke geschiedenis te schrijven. Binnen de oriëntalistiek is zo'n loopbaan niet zo ongebruikelijk. Men hoeft in Nederland maar te denken aan de ontwikkeling in het werk van de sinoloog J.J.L. Duyvendak die na de Eerste Wereldoorlog naar Leiden werd gehaald om de studie van China te actualiseren. Duyvendak had in Peking immers in de jaren 1912-1919 zelf de roerige periode na de val van het keizerrijk meegemaakt!

De Contemporary China Studies in Harvard zijn geconcentreerd in het Fairbank Center, dat gehuisvest is in Coolidge Hall. In de cafetaria van Coolidge Hall was Benjamin Schwartz regelmatig te treffen rond lunchtijd, als hij samen met jongere collega's bij de maaltijd de meest actuele ontwikkelingen in China doornam. Van hem gold wat gold van de Meester zelf: `Hij was zo vol verlangen naar kennis dat hij vergat te eten. Van vreugde vergat hij dan elk verdriet en was zich niet meer bewust van zijn ouderdom.'