Adviseurs glijden uit in Content-komedie

Uitzendbedrijf Content gaf vier miljoen gulden uit aan adviseurs die de overname met Creyf's begeleidden. Maar geen van hen zag de voorkennisaspecten waarvoor de bedrijfstop nu in de beklaagdenbank zit.

Natuurlijk, achteraf is elk oordeel makkelijk. En bij navraag wil geen van de professionele adviseurs die betrokken was bij de overname van uitzendbedrijf Content door het Belgische Creyf's verdedigen wat er gebeurd is.

Een ,,comedy of errors' noemt een van hen het. ,,We hadden er wat scherper naar moeten kijken', zegt een ander. Toch wil niemand uitgebreid citeerbaar ingaan op de vraag waarom zij niets hebben gezien van de omstreden voorkennishandelingen die justitie inmiddels onder de loep heeft. Daarbij worden de toenmalige Content-top en haar president-commissaris als verdachten gezien.

Bij een rondgang blijkt de schaduw van reputatieschade als een donkere wolk boven de adviseurs te hangen. Het liefst spelen ze het balletje, meestal subtiel, naar collega's door.

Content maakte maandag 29 maart bekend dat het werd overgenomen door Creyf's. De vrijdag daarvoor bleek de onderneming nog 50.500 personeelsopties te hebben toegekend. De koers van Content steeg na de overname fors, zodat in één klap een extraatje werd vergaard. Daarnaast werden er, om de opties af te dekken, 120.000 eigen aandelen ingekocht tegen de – toen nog – lage koers.

Justitie vermoedt voorkennis en kijkt vooral naar handelingen van Content die als `ongebruikelijk' kunnen worden gekenschetst. Dat is relevant, omdat toekenning van personeelsopties weliswaar binnen de uitzonderingsbepalingen van de voorkenniswet valt, maar uitsluitend als het bedrijf een `bestendige gedragslijn' hanteert. De optieuitgifte mag dus niet afwijken van het normale patroon.

In eerste instantie was dat bij Content ook niet het geval. De commissarissen hadden besloten om, net als andere jaren, drie dagen nà publicatie van de jaarcijfers (23 maart), opties te verstrekken en, ter dekking, aandelen uit te geven. Om nog onbekende redenen werd dat besluit niet uitgevoerd. Toch werd er, nà de 23e, besloten die opties alsnog uit te geven, hoewel de overnamebesprekingen met Creyf's toen in volle gang waren.

Daarna volgde een reeks gebeurtenissen die allemaal voor afwijking van het normale patroon zorgden. Zo werden de opties pas zes dagen na de jaarcijfers verstrekt, werden ze vliegensvlug bezorgd, en kreeg het personeel geen veertien dagen, maar slechts één beursdag om over acceptatie te beslissen. Daarnaast werden plotseling geen aandelen meer uitgegeven, zoals eerder was besloten, maar ingekocht – een unieke actie voor Content.

De inkoop was niet alleen ter dekking van nieuwe uitgiftes, maar ook ter dekking van lopende optietranches. Daarbij werd over het hoofd gezien dat er reeds ettelijke tienduizenden eigen aandelen op de plank lagen, waardoor men veel meer eigen aandelen bezat dan er uiteindelijk aan opties uitstond. Dit is een relevant juridisch gegeven, omdat het de vraag is of er bij de snelle inkoop wel aan de wettelijke `noodzakelijkheidsvereiste' is voldaan. Tot slot werd een aantal besluiten – zoals de inkoop van de eigen aandelen – niet conform de statuten van Content genomen.

Kortom: vragen genoeg over de gebeurtenissen in de week van de overnamegesprekken. Dat een en ander aan de orde is geweest is zeker, maar over de intensiteit lopen de meningen uiteen. Betrokkenen zeggen dat op 24 maart zowel de optieuitgifte als de aandeleninkoop aan de orde is gesteld. Maar juridisch adviseur F. Leijten van advocatenkantoor Stibbe stelt dat hem slechts de vraag is voorgelegd ,,of het, gezien de voorkenniswetgeving, mogelijk zou zijn eigen aandelen in te kopen''. Volgens hem kon dat voor dekking voor uitstaande opties. Maar hij benadrukt dat hij geen wetenschap had van andere feiten die nu bekend zijn, zoals de nieuwe optieuitgifte. Op de vraag waarom hij zelf niet meer informatie heeft opgevraagd, zegt Leijten: ,,Mijn taak was om te onderhandelen over de deal met Creyf's, niet om gedetailleerd de boeken door te nemen.''

De optieuitgifte is wel bij de fiscalisten van KPMG Meijburg aan de orde geweest. Uit vertrouwelijke correspondentie tussen KPMG en Content blijkt dat KPMG op 25 maart een ,,door ons voorgestelde gecorrigeerde tekst'' heeft gestuurd over de inhoud van de begeleidende brief bij de personeelsopties. In het eerste concept schreef de afdeling personeelszaken van Content nog dat de werknemers, net als andere jaren, ,,binnen veertien dagen een reactie'' konden geven of ze de opties accepteerden. KPMG stelde echter voor te schrijven dat het personeel de opties ,,zonder tegenbericht'' zou accepteren, ,,voor maandag 29 maart 1999 09.30 uur''. Reden voor dit advies was dat de fiscus sinds 1998 niet 7,5, maar 20 procent van de waarde van het optierecht op de toekenningsdatum als inkomen beschouwt. Als dit `fiscale genietingsmoment' vóór 9.30 uur zou worden geplaatst, was de veronderstelling, bevond de waarde van de opties zich nog op de lage uitoefenprijs van vrijdag. Nà 9.30 uur, toen de overname bekend werd, zou de koers stijgen en moest dus meer belasting worden betaald.

Overigens blijkt het advies weinig zin te hebben gehad, omdat het persbericht over de overname al vóór 9.30 uur werd uitgegeven, een feit waar KPMG geen rekening mee had gehouden. Voor justitie neemt dat echter niet weg dat er is ingespeeld op een situatie waarover voorkennis bestond. Bovendien is, door de aanpassing van de acceptatietermijn, de `bestendige gedragslijn' van Content doorbroken.

KPMG wil slechts kwijt dat ,,de haar voorgelegde feiten uitsluitend op z'n fiscale merites'' zijn beoordeeld. Toch blijkt uit de correspondentie over de affaire dat KPMG Content bijvoorbeeld wèl wees op de meldingsregeling voor de uitoefening voor opties, ook een juridisch aspect dat verband houdt met de voorkenniswetgeving.

Meer adviseurs wijzen in hun reactie op een strakke afbakening van hun werk. ING Barings stelt dat men ,,financieel en geen juridisch adviseur'' is. ABN AMRO zegt zich te hebben gebaseerd op ,,informatie die wordt aangeleverd door de onderneming en haar adviseurs''. Binnen Content leidt het tot wrange reacties. ,,Zij zitten te slapen en wij moeten nu boeten'', zegt een ingewijde, die erop wijst dat ook achteraf niemand de nu omstreden handelingen heeft opgemerkt. En dat terwijl in het `biedingsbericht', waarover in de `verificatievergadering' volgens een betrokkene ,,tot op de letter'' is vergaderd, nota bene een passage staat waarin de optieuitgifte genoemd staat. Alleen Leijten van Stibbe wil het toegeven: ,,Ik heb het niet gezien, maar velen met mij niet.''