Waanwijsheid van Vonnegut

Twee jaar geleden kondigde Kurt Vonnegut het einde aan van zijn creatief schrijverschap. Hij was al jaren aan het zweten aan een roman `which did not work, which had no point, which had never wanted to be written in the first place.' Hij verwerkte de restjes met enige bespiegelingen over die crisis en herinneringen aan zijn familieleven tot een (niet onaardige) hutspot die als Timequake op de markt werd gebracht. Mijn laatste boek, zo kondigde de schrijver aan, een even moedig als zeldzaam besluit. (Ik kan me alleen van Mary McCarthy met de verschijning van Cannibals and Missionaries een soortgelijke resolute aankondiging herinneren.)

Dat er meer restjes zouden verschijnen was niet zo onverwacht: Vonnegut had in de jaren vijftig, als beginnend auteur tientallen verhalen gepubliceerd in bladen als The Saturday Evening Post en Collier's waarvan maar een deel in Welcome to the Monkey House was gebundeld. Een paar dozijn meer zijn nu alsnog samengebracht in de bundel Bagombo Snuff Box, met instemming van de auteur. Hoewel, instemming... Vonnegut doet er behoorlijk knorrig over in zijn nawoord, hij vond bij herlezing de ontknoping van sommige verhalen dermate `stompzinnig' dat hij ze in drie gevallen herschreef. Hoewel Bagombo Snuff Box moeilijk een hoogtepunt genoemd kan worden binnen het oeuvre van de auteur van Slaughterhouse Five en Breakfast of Champions (daarvoor is het allemaal wel erg licht, en verhalen als `Lovers Anonymous' en `Poor Little Rich Town' blijven opgescheept met een hopeloos flauw einde) is het bij elkaar toch een behoorlijk leuke bundel.

Vooral ook leuk omdat er al zoveel aanzetten in te vinden zijn voor elementen die zijn latere werk zouden kleuren. Dat dromen mooi zijn bijvoorbeeld, zolang het dromen zijn die vooral geen werkelijkheid worden (een verhaal, of beter gezegd sprookje als `Hal Irwin's Magic Lamp' is daar een bijna schaamteloos simpel voorbeeld van). Maar ook is Vonnegut dol op het beschrijven van mannen die pretenderen te zijn wat ze niet zijn, niet omdat ze een dermate opgeblazen ego hebben, maar eenvoudig omdat ze niet kunnen leven met de saaie werkelijkheid die hun is gegeven. Waanwijsheid en mild bedrog zijn het gevolg, en niet zelden zijn het kinderen die daar doorheen prikken, zoals in het titelverhaal.

Dromen en loze pretenties dus, die in sommige gevallen weer te maken hebben met een klasseachterstand zoals in `This Son of Mine', misschien wel het beste verhaal van deze bundel. Dit verhaal, over twee zoons van vaders die als gevolg van een willekeurige beslissing een wel heel uiteenlopende toekomst voor ogen lijken te hebben, is een van de weinige die een mooie verdieping hebben binnen het korte bestek. Hetzelfde geldt in zekere mate voor `Runaways', over twee teenagers van (alweer) zeer uiteenlopende sociale herkomst die ontdekken dat hun liefde verdampt zodra ze van hogerhand wordt goedgekeurd. Het zijn dit soort verhalen die een uitgave als deze rechtvaardigen, al kan ik me voorstellen dat Vonnegut zich daarnaast wat geneert voor het serietje flauwiteiten over de brass band van Lincoln High School en de dirigent Mr. Helmholtz. Op de stofomslag staat de auteur afgebeeld met een euforische blik en handen die een vanggebaar maken; maar bij nadere beschouwing zijn het misschien juist handen die iets loslaten, als een vogel, vrijheid geven aan deze verhalen die, al dan niet terecht, in oude jaargangen opgesloten hebben gezeten.

Kurt Vonnegut: Bagombo Snuff Box. Putnam, 295 blz. ƒ59,95