Voornaam sopraan

De sopraan Gré Brouwenstijn, die dinsdag op 84-jarige leeftijd in Amsterdam overleed aan een ernstige ziekte, was de grootste Nederlandse operazangeres van deze eeuw en wereldberoemd. In eigen land zong ze in 113 operaproducties, in de rest van de wereld, begrensd door Kiev, Buenos Aires, Los Angeles en San Francisco, maakte ze een grote carrière. Ze was geliefd in Bayreuth, Wenen, Parijs, Glyndebourne en Londen om haar prachtige heldere stem met dat voorname timbre, haar statige voorkomen en haar sterke invoeling in de personages, die ze vertolkte met een grote menselijke uitstraling. ,,Als ik zong, dacht ik altijd: `stel dat mij dat zou overkomen.' Je moet wel mooi en technisch goed zingen, maar vooral je rol waarmaken.''

Gerarda Demphina Brouwenstijn werd op 26 augustus 1915 geboren in Den Helder en groeide op in Amsterdam, waar ze zangles kreeg aan het Amsterdams Muzieklyceum. Op 11 december 1939 zong ze in Rotterdam bij de Nederlandse Opera haar eerste professionele operavoorstelling als Eerste Dame in Mozarts Die Zauberflöte. Haar eerste titelrol was, in 1946 in Amsterdam, Puccini's Tosca, met de tenor Jan van Mantgem, haar eerste echtgenoot, als Cavaradossi. Later huwde ze de bekende toenmalige tv-dokter Hans van Swol.

Tosca zou een van Brouwenstijns glansrollen blijven, naast onder andere Elisabeth in Verdi's Don Carlos en Leonore in Beethovens Fidelio. Met die laatste rol nam ze in 1971 op haar 55ste in Amsterdam afscheid van het operapodium ,,nu mijn stem nog goed is''. Een schilderij van Brouwenstijn als Leonore hangt in de Stadsschouwburg. Haar laatste optreden was in juni 1971 tijdens een door Bernard Haitink gedirigeerd concert van het Concertgebouworkest in de Amsterdams RAI.

De stem van de `koningin-moeder van de Nederlandse opera' bleef echter glorieus intact. Toen in 1995 de viering van haar tachtigste verjaardag tijdens een gala in het Amsterdamse Concertgebouw werd besloten met het Brüderlein und Schwesterlein uit Strauss' Die Fledermaus, zong Brouwenstijn mee en de mooiste, allerhoogste noten waren van Gré.

Fameus was Brouwenstijn ook als Desdemona in Verdi's Otello. Ze zong de rol onder andere in 1953 tijdens het Holland Festival in Amsterdam naast de legendarische Ramon Vinay, de grootste Otello-vertolker van zijn tijd. Brouwenstijn werkte met de beroemdste dirigenten: Otto Klemperer, Hans Knappertsbusch, Karl Böhm, Sir Thomas Beecham, Rafael Kubelik en Pierre Monteux. Herbert von Karajan had grote eerbied voor Brouwenstijn (`een Grande Dame') en engageerde haar vaak in Wenen.

Brouwenstijns carrière had nog glansrijker kunnen zijn als ze uitsluitend was uit geweest op roem. Na een aantal optredens in Bayreuth wilde ze niet nog eens een zomer daaraan opofferen en koos ze voor een familievakantie. ,,Ik had altijd heimwee naar huis en gezin.'' Wieland Wagner was boos, haar collega Martha Mödl ontzet: ,,Aber Gré!'' Toen ze dertig jaar na haar laatste optreden in Bayreuth (Tannhäuser, 1961) daar voor het eerst terug was, kende iedereen haar nog en werd ze onthaald als een koningin. Uitnodigingen van de Scala in Milaan en de Metropolitan Opera in New York sloeg ze af. In New York werden haar Wagnerrollen aangeboden en niet de Verdi- of Puccini-hoofdrol die ze wilde. Een tegenslag was ook dat een geplande opname van Fidelio niet doorging toen de fameuze dirigent Bruno Walter in 1962 overleed. De laatste jaren verscheen echter een hele serie cd's met tal van live-opnamen.

Het officiële hoogtepunt in Brouwenstijns carrière was in 1958 in Londen haar optreden in Don Carlos, waarmee het honderdjarig bestaan van het Royal Opera House Covent Garden werd gevierd. Carlo Maria Giulini dirigeerde, Luchino Visconti ontwierp de spectaculaire perspectivische prachtproductie en Brouwenstijn zong naast Tito Gobbi, Fedora Barbieri, John Vickers en Boris Christoff. Toen Plácido Domingo tien jaar later in Londen Don Carlos moest zingen, boezemde de faam van die productie hem nog ontzag in. Brouwenstijn zag de remake van die Londense Don Carlos in 1987 terug in het Amsterdamse Muziektheater. In deze krant zei ze: ,,Voor ik opging dacht ik: `kan ik nu nog terug? Maar dat gaat niet, het orkest zit daar, de dirigent is er, je moet'.''