Vertel en sterf

Schilderen of schrijven, het verschilt niet veel van het turen door een microscoop, vindt de Britse schrijfster A.S. Byatt.

,,Dit is beslist mijn allerlaatste interview'', is het eerste wat A.S. Byatt kwijt wil na mijn binnenkomst. Buiten is het een donkere november-namiddag, maar in de victoriaanse woning van de schrijfster, in een rustige Londense buitenwijk, is het behaaglijk warm. Een brandende open haard in de woonkamer vol boeken, schilderijen, kleurrijke glazen objecten en kunstvoorwerpen, zorgt voor subtropische temperaturen – Byatt heeft niet alleen een hekel aan interviews, ze is ook nog eens zwaar verkouden en had liever willen afzeggen. De schrijfster blijkt echter een zwak te hebben voor Nederland, en vond deels om die reden dat ze het interview toch maar moest toestaan. ,,Maar'', waarschuwt ze, ,,ik kan niet zo lang praten, en ik ben al helemaal niet in staat om na te denken.''

A.S. Byatt (63) is een drukbezette vrouw. De schrijfster verkeerde een deel van het afgelopen jaar in het buitenland voor een reeks lezingen die volgend jaar in een bundel zal worden uitgebracht. Onlangs verscheen de paperbackeditie van haar laatste verhalenbundel Elementals, en in de tussentijd voltooide ze alweer een nieuwe roman, The Biographers Tale, die begin volgend jaar zal verschijnen. Daarnaast is ze begonnen aan het langverwachte vierde deel van haar tetralogie, waarvan tot nu toe The Virgin in the Garden, Still Life en Babel Tower verschenen. ,,Vanochtend heb ik nog een stukje geschreven, ondanks mijn griep'', vertelt Byatt. ,,Het ging over drie biologen die slakken bestuderen op de moors.''

Afgelopen juni werd Byatt de onderscheiding `Dame of the British Empire' toegekend voor haar verdiensten op het gebied van de literatuur, in een carrière die ruim dertig jaar omspant. Naast haar romans, verhalenbundels en novellen schreef Byatt ook een aantal wetenschappelijke werken over onder meer Iris Murdoch, Wordsworth en Coleridge. Wereldwijd bekend werd ze vooral met haar academische detectiveroman en victoriaanse liefdesgeschiedenis in één, Possession, waarvoor ze in 1990 de Booker Prize ontving. Possession vertelt het verhaal van twee literatuurwetenschappers die bij toeval stuiten op een briefwisseling tussen hun onderzoeksobjecten, de victoriaanse dichters Randolph Henry Ash en Christabel LaMotte, en geobsedeerd raken door de mogelijke relatie tussen de twee. Tijdens hun speurwerk, waarbij ze te maken krijgen met rivaliserende academici, vervallen landhuizen en grafschennis, komt in brieven, dagboeken en flarden poëzie niet alleen steeds meer aan het licht over de geheime verhouding tussen Ash en LaMotte, ook bloeit er iets moois op tussen beide wetenschappers. Hun (post-)moderne, cerebrale en voorzichtige verhouding steekt schril af bij de gepassioneerde victorianen.

,,Mijn nieuwe roman, The Biographers Tale, is een soort anti-Possession'', verklapt Byatt. ,,Het boek gaat over een literatuurwetenschapper die genoeg heeft van postmoderne kritieken en weer eens gewoon een verhaal wil vertellen. Hij besluit daartoe een biografie te schrijven van een beroemde biograaf, in de verwachting dat diens leven een duidelijke verhaallijn zal opleveren. Maar tijdens zijn onderzoek komt hij erachter dat hij geen levensgeschiedenis kan vinden, alleen maar flarden van andere, onafgemaakte biografieën die bovendien vol verzinsels en onware verhalen zitten. Uiteindelijk geeft hij het op. De roman is dus een soort antibiografie.''

Net als in veel van haar andere boeken schreef Byatt ook voor dit verhaal allerlei tekstfragmenten die als pastiche, parodie of hommage aan het oorspronkelijke genre beschouwd kunnen worden. ,,Mijn neiging tot buikspreken heeft te maken met de relatie tussen lezen en schrijven'', zegt ze. ,,Alle goede lezers worden bewoond door de stem van de schrijver die ze aan het lezen zijn, en meer zelfs dan die stem. Alle goede schrijvers zijn de buikspreekpoppen van de stemmen die ze horen in hun hoofd. Aan de andere kant wilde ik zo ook, net als in Possession, kritiek leveren op wetenschappers die dermate geobsedeerd zijn door andermans leven, dat ze helemaal niet meer aan hun eigen leven toekomen. Ik heb altijd in een erg literaire wereld gewoond, en dat heeft soms wel wat van leven in een spookverhaal. Je kunt opgeslokt worden door het verleden en de doden.''

Antonia Byatt groeide op in een sterk literair georiënteerd gezin in Yorkshire (één van haar zussen is de schrijfster Margaret Drabble), studeerde Engelse literatuur in Cambridge en was elf jaar lang verbonden aan het University College London. ,,Maar ik heb mezelf nooit als een academicus gezien. Schrijvers uit het verleden beschouwde ik ook niet als werk of onderzoeksmateriaal, ik hield gewoon van ze!''

Tulpenmanie

Dat neemt niet weg dat Byatts werk een uitgesproken intellectuele inslag heeft. Al vanaf haar debuut spelen kunst, filosofie, wetenschap en uiteenlopende invloeden uit de wereldliteratuur – van de Bijbel tot Franse utopieën, van Milton tot Iris Murdoch, van Griekse en Noorse mythen tot victoriaanse dichters – een dominante rol in haar boeken, die met recht ideeënromans worden genoemd. In recente bundels als The Matisse Stories en Elementals lijkt de schilderkunst steeds belangrijker te worden. Byatt: ,,Dat klopt, vooral Elementals heb ik met opzet heel kleurrijk gemaakt. Ik heb een sterk visuele verbeelding en word voornamelijk geïnspireerd door beeldende kunst, nooit bijvoorbeeld door muziek. Ik verzamel ook kleur om me heen. Deels zie ik kleur als dat wat niet tot taal kan worden teruggebracht, wat taal probeert te bereiken en nooit kan. Maar hoe langer ik schrijf, hoe meer vertrouwen ik krijg in de mogelijkheden van taal om kleur te creëren.''

De laatste tijd is ze erg geïnteresseerd in de Nederlandse schilderkunst, vertelt Byatt, mede als onderwerp voor een nieuwe roman: ,,Ik heb onlangs Simon Schama's boek over Rembrandt gelezen. Fascinerend! En tot mijn verrassing ben ik erg geïnteresseerd geraakt in bloemstillevens. Die deden me vroeger altijd denken aan de bonbondozen van mijn jeugd; liever keek ik naar portretten of bijvoorbeeld abstracte schilderijen. Maar toen mijn dochter in Den Haag woonde, bezocht ik een aantal keren het Mauritshuis, en daar zag ik plotseling wat een bijzonder gecompliceerde structuur die bloemstillevens hebben. Dat bracht me op het idee voor een verhaal over een Hollandse bloemenschilder en een Turkse tulpenhandelaar. Weliswaar is er op dit moment een aantal boeken verschenen over hetzelfde onderwerp, maar ik loop al erg lang met dit idee rond en heb al veel achtergrondinformatie verzameld. Ik wil het verhaal laten spelen aan het begin van de achttiende eeuw, omdat toen de tulpenmanie in Turkije op zijn hevigst was. Ook heb ik al een Turks personage. Het enige wat nog ontbreekt, is een Hollander. Ik wil een obsessieve man, iemand als Swammerdam, maar dan een schilder.''

Dat klinkt als een typisch Byatt-personage: in haar boeken wemelt het van de hoofdpersonen die geobsedeerd zijn door hun werk, en daarbij vaak ook nog schrijver of schilder zijn. ,,Dat is een van de dingen die ik het meest bewonder in mensen'', verklaart ze. ,,Het talent om iets perfect te kunnen, wat dan ook. Ik heb veel respect voor professionele tennisspelers, voor mensen die al hun tijd en energie eraan hebben besteed om een bepaalde vaardigheid te leren beheersen. Waar ik een hekel aan heb is mensen die over zichzelf praten, zoals in de huidige autobiografische trend in de literatuur. Daarom staan interviews me ook zo tegen. Ik praat dan wel over mijn werk, maar het is beter om dat werk te dóen. Werk is toch één van de drie belangrijkste factoren in het leven, naast seks en de dood.''

Een van Byatts workaholics is de schilder Bernard Lycett-Kean, in het verhaal A Lamia in the Cévennes uit Elementals. Bernard is bezeten geraakt van de kleur blauw van zijn zwembad, die steeds verandert met de weersomstandigheden. Iedere dag weer probeert hij tevergeefs op zijn doeken het perfecte blauw vast te leggen, en iedere dag weer vraagt hij zich af: ,,Why bother? Waarom zou je? Wat maakt het uit?''

Byatt: ,,Ja, why bother? Ik vroeg me dat af toen ik nog heel jong was en had besloten dat ik boeken wilde schrijven. De volgende vraag was, why bother? De volgende vraag is altijd why bother? Waarom zou je de moeite nemen om een kunstwerk te maken, waarom ga je niet liever naar Tsjetsjenië om je daar nuttig te maken? Het zal wel iets te maken hebben met mijn Quaker-opvoeding, al ben ik beslist niet religieus. Ik herinner me dat er een schilder kwam spreken op mijn kostschool toen ik zestien was, John Hoyland. Hij sprak over Quaker gevangenishervormers, en zei tegen ons: `Je hebt maar één leven. Dit is wat zij ermee deden. Het maakt niet uit wat je doet, als je er maar iets mee doet.' Die avond kon niemand van ons slapen, zoveel indruk had het gemaakt. Zo nu en dan ontmoet ik nog mensen van die school, en iedereen herinnert het zich nog. Het is de enige religieuze boodschap die ik ooit heb geaccepteerd: je moet iets doen. Robert Browning zegt eigenlijk hetzelfde in zijn gedichten: de echte zonde is inertie.

,,En waarom je dan kunstwerken zou gaan maken? Mensen doen nu eenmaal meer dan overleven, zich voortplanten en doodgaan. Ze interpreteren de wereld door ernaar te kijken. Een schilderij of roman maken verschilt niet zo veel van het turen door een microscoop of het ontwerpen van een belangrijk gebouw. Het gaat om het kijken, en dan iets te doen met wat je gezien hebt. Ik heb een schrikbeeld van mensen die maar een beetje onverschillig door de wereld zweven en nooit ergens echt goed naar kijken. De gedachte elke dag op te staan, te eten, niets in het bijzonder te doen, weer naar bed te gaan, enzovoort, boezemt mij oprechte afschuw in. Zoals één van de personages in Elementals zegt, de echte misdaad is onverschilligheid, niet in de wereld geïnteresseerd te zijn. Nieuwsgierigheid is een morele plicht. En op een vreemde manier houdt dat de wanhoop op een afstand.''

Het maakt ook het verschil uit tussen goede en slechte kunst, aldus

Byatt:

,,Aan goede schilderijen kun je zien dat de kunstenaar niet klakkeloos iets heeft nageschilderd, maar iets voor de eerste keer zo gezien heeft. Hetzelfde geldt voor schrijvers en de literaire traditie. Alle oude verhalen lijken erg op DNA, eindeloze reeksen van dezelfde elementen, waarin dan een mutatie of hergroepering plaatsvindt, telkens wanneer ze opnieuw verteld worden. En ze kúnnen eindeloos opnieuw worden verteld.''

Doodsbed

De schrijfster haalt met instemming Walter Benjamin aan: ,,Verhalen vertellen komt voort uit het feit dat het menselijke dier weet dat het gaat sterven. Wanneer je op je doodsbed je leven probeert samen te vatten of te ordenen, schrijf je het archetypische verhaal. Sheherazade in de sprookjes van 1001 nacht deed weer precies het tegenovergestelde, zij moest blijven vertellen om het moment van executie uit te stellen. Al haar verhalen moesten dus onaf eindigen. Vertellen is letterlijk een kwestie van een begin en een eind, van leven en dood, het zit in de menselijke biologie. En het is makkelijker te sterven als je een verhaal te vertellen hebt. Ik merkte dat aan het sterfbed van mijn eigen vader. Zijn generatie had twee wereldoorlogen meegemaakt. Je zou niet bepaald denken dat dat nou een troost was, maar zo ervoer hij dat wel. Hij had grote gebeurtenissen overleefd, had een verhaal. Hij was niet niemand.

,,Nu ik zelf ouder word'', vervolgt Byatt, ,,merk ik dat een steeds groter deel van mijn leven is ingevuld met verhalen, goed of slecht, en een steeds kleiner deel nog een amorfe, onbestemde massa is. Ik raak in mijn werk ook meer en meer geïnteresseerd in sprookjes, in het vertellen om het vertellen. Als kind las ik al de Duitse en Noorse sprookjes en Griekse mythen, nu lees ik vooral Oosterse verhalen.'' De invloed daarvan is duidelijk merkbaar in bundels als The Djinn in the Nightingales Eye en Elementals, een opvallende verschuiving voor een schrijfster die haar stijl altijd omschreef als `self-conscious realism'. Byatt: ,,Italo Calvino zei dat hij van sprookjes hield omdat de personages tweedimensionaal waren. De diepte zat in wat er gebeurde, dat was wat er toe deed. Dat lijkt me de belangrijkste verschuiving in mijn werk: wat gebeurt is nu wat er toe doet, niet de psychologische complexiteiten van de mensen. Naast mijn sprookjesachtige verhalen schrijf ik echter nog steeds die `bewust realistische' romans, zoals het volgende deel van mijn tetralogie bijvoorbeeld. Ik ben nu alleen geneigd de personages aan te passen aan de verhaallijn in plaats van andersom. En uiteindelijk zijn in al mijn werk de ideeën nog steeds het belangrijkste, niet de plot of de personages.''

Haar ideeënsprookjes beschouwt ze echter als een noodzakelijke terugkeer naar de basis, vertelt Byatt. ,,Het heeft ongetwijfeld iets te maken met leeftijd. Wanneer je klein bent, lees je sprookjes omdat je niets van mensen afweet. Als jonge vrouw, gepreoccupeerd door relaties, kinderen, ouders, vind je psychologische ontwikkelingen belangrijker. Maar wanneer je ouder wordt raak je weer geïnteresseerd in de meest elementaire verhalen, die door je levenservaring een nieuwe lading krijgen. Tegelijkertijd krijg ik steeds meer vertrouwen in wat literatuur en taal kunnen bewerkstelligen. Toen ik studeerde, geloofde iedereen T.S. Eliots stelling dat er ergens in de zeventiende eeuw een onherstelbare splitsing had plaatsgevonden tussen intellect en emoties in de literatuur. Mijn hele oeuvre is een zoektocht geweest naar dat onherroepelijk verloren paradijs waarin intellect en passie weer versmolten zouden zijn, en taal toereikend om dit alles te beschrijven. Sprookjes komen eigenlijk al heel aardig in de buurt.''

A.S. Byatt: `Elementals. Stories of Fire and Ice,' uitg. Vintage, 232 blz. f 27,95. Alle overige boeken van A.S. Byatt worden uitgegeven door Chatto & Windus en Vintage.

`Possession' is in de Nederlandse vertaling uitgegeven door uitgeverij Altamira