Roemenië mag de moed nu niet opgeven

Deze week herdenkt Roemenië de tiende verjaardag van de val van Ceausescu. Het is echter geen reden voor feestvreugde, gezien de mensonterende omstandigheden waarin veel Roemenen leven. Jonathan Eyal meent dat het land het klassieke voorbeeld is van hoe het mis kan gaan met de transformatie naar een democratie.

De Roemeense revolutie van december 1989 beloofde aannvankelijk veel goeds. De beelden van de menigte die het hoofdkantoor van de communistische partij bestormde en van een dictator die hals over kop vluchtte, vonden in het Westen een warm onthaal: behalve dat Ceausescu vluchtte in een helikopter, leek het hele gebeuren sterk op de volksopstanden die de rest van Europa een eeuw eerder had gekend.

Maar die eerste uitbundige dagen rond Kerst, tien jaar geleden, bevatten echter reeds de kiemen van een bittere ironie. Roemenië was het laatste land dat de communisten verdreef en het enige waar dat met geweld gepaard ging. En toch bleef de meest radicale Europese revolutie van de huidige tijd ook de meest onvolledige.

De Roemenen die tien jaar geleden de barricaden op gingen, wisten waar ze tegen waren. Maar wat er voor het oude systeem in de plaats moest komen, wisten ze niet. Het gevolg was een coup boven op een revolutie: het communistische regime verdween en werd opgevolgd door een bijna openlijk autoritaire structuur, bestaande uit dezelfde personen die de oude gruwelen op hun geweten hadden.

We weten thans, uit de gepubliceerde verslagen van de eerste revolutiedagen, dat degenen die de macht overnamen aanvankelijk alleen de communistische partij wilden hervormen. Ook staat zwart op wit dat Ion Iliescu, de nieuwe machthebber, streefde naar een `oorspronkelijke democratie' waarin geen behoefte zou bestaan aan politieke partijen of regelmatig te houden verkiezingen.

Tot op heden weet niemand wie op wie geschoten heeft, en het totale aantal slachtoffers is een mysterie. De omvangrijke westerse schenkingen die destijds zijn aangeboden, zijn eenvoudig verdwenen. Er werden inderhaast en zonder juridische onderbouwing verkiezingen gehouden, en toen studenten besloten te betogen tegen de gang van zaken, nodigde president Iliescu niet alleen mijnwerkers uit om hen in Boekarest in elkaar te komen slaan, maar bedankte hij hen ook nog eens voor hun optreden.

Ook Polen, de Tsjechische Republiek en Hongarije hebben een dictatuur, bloedbaden, volksbewegingen en territoriale wijzigingen meegemaakt. Maar de afgelopen tien jaar hebben deze landen het beter gedaan dan Roemenië.

Hoe valt dat verschil te verklaren?

Het antwoord is gelegen in een samenloop van specifieke factoren, gecombineerd met enkele tegenslagen. Toen Roemenië communistisch werd, was het een agrarisch land. Daardoor had de gedwongen industrialisatie op last van de communistische machthebbers in Roemenië ingrijpender maatschappelijke gevolgen dan elders in de regio. Letterlijk miljoenen boeren raakten hun land kwijt, werden uit hun dorpen gedeporteerd en gedwongen in fabrieken te werken en in afschuwelijke woningen te wonen. De communistische poging tot industrialisatie bracht geen welvaart, maar deed Roemenië – dat als Europese economische mogendheid tot de middenmoot had behoord – afzakken naar de onderste regionen van de Europese welvaartsschaal. Wel slaagden de communisten erin de unieke cultuur van het land te vernietigen: veel van de werkloze industriearbeiders wisten zich geen identiteit als stadsbewoners te verwerven, maar verloren wel hun binding met het land.

Welke politieke gevolgen dit grootschalige maatschappelijk ingrijpen had, spreekt vanzelf: massale onzekerheid en vrees voor nieuwe radicale veranderingen.

Anders dan de katholieken in Midden-Europa ontbeerde de Roemeense orthodoxe kerk een internationale organisatie. Zij kon dan ook geen verzet bieden aan het regime. Daarbij wist Ceausescu met zijn vulgaire persoonlijkheidscultus, zijn tactiek van nationalisme als surrogaat voor economische welvaart en zijn doortrapte geboortenbeleid – om slechts enkele van zijn misdaden te noemen – iedere oppositie in de kiem te smoren. Men kan lang delibereren over de vraag of Ceausescu nu de exponent van een systeem was of louter een historisch incident. Maar dat neemt niet weg dat Roemenië werd onderworpen aan de hardvochtigste communistische dictatuur die Oost-Europa heeft gekend; en het kost nu eenmaal tijd om daarvan te herstellen.

En toch, wanneer men achter de schermen van deze tragedie kijkt, gloort er hoop. De Roemeense oppositiepartijen zijn uit elkaar gespeeld, vervolgd en gemarginaliseerd. Maar anders dan de oppositie in bijvoorbeeld Servië hebben de Roemenen ingezien dat eendracht macht maakt. Het regime van Iliescu dat na de revolutie aan de macht kwam, trachtte de oude troef van volkerenhaat tegen de Hongaren uit te spelen, maar etnisch geweld kon uiteindelijk worden voorkomen. En al stonden de elektronische media onder controle van het regime, de gedrukte media maakten een explosieve groei door.

Eind 1996 verdreven de Roemenen op ordelijke wijze niet alleen Iliescu zelf maar ook zijn partij. Inmiddels zijn de Roemeense media veel gevarieerder en gedijen ze beter dan in enig ander ex-communistisch land. Met al zijn buren onderhoudt Roemenië goede betrekkingen, vooral met Hongarije. De regeringscoalitie ondervindt brede steun in de politieke partij van de etnische Hongaren. In wezen heeft de revolutie die begon in december 1989 zes jaar in beslag genomen.

Niettemin betaalt het land nu de prijs voor de verloren jaren. Een verwarrend verkiezingsstelsel, een onvoldoende onderscheid tussen de twee kamers van het parlement en een gebrek aan helderheid tussen diverse overheidsinstanties leidden tot zwakke coalities en bureaucratische logheid.

De inflatie is enorm, de economie is dit jaar alleen al met 4 procent gekrompen en er zijn een miljoen werklozen. Het parlement heeft de afgelopen tien jaar niet minder dan 5.700 wetten aanvaard, maar de helft daarvan is later geamendeerd en slechts een enkele wordt ooit daadwerkelijk uitgevoerd. Het ontslag van de premier eerder deze week – de zesde in tien jaar – beoogde de situatie te verbeteren. Maar dat zal niet lukken, want het voornaamste probleem van Roemenië is eerder het gebrek aan bekwame bestuurders dan de persoonlijkheid van individuele politici.

Is aan dit alles iets te doen? De realiteit is dat de Europese Unie al heel veel doet. Op de EU-top in Helsinki hebben de politieke leiders vorige week afgesproken onderhandelingen te openen over een toekomstig lidmaatschap van Roemenië. Het tijdstip waarop het land zal toetreden ligt nog tamelijk ver in de volgende eeuw. Maar de garantie dat de Roemenen zich, wanneer zij hun problemen overwinnen, zullen kunnen aansluiten bij de Europese familie van democratische naties, zal hun hopelijk een krachtige stimulans geven.

Ik heb geprobeerd dit uit te leggen aan een oude, slecht geklede dame die het graf van haar zoon schoonveegde op de speciale begraafplaats voor slachtoffers van de revolutie. Ze antwoordde, in tranen, dat ze begreep wat ik zei, maar vroeg me vervolgens om een bijdrage aan het kerstmaal van haar familie. De tragiek was overal voelbaar. Degenen die zich tien jaar geleden hebben opgeofferd, zijn niet vergeefs gestorven. Maar het Roemenië waarvoor zij vochten moet nog geboren worden.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.