Prikschilderen

Tatoeage, `de wapenrok der lagere klassen', vindt af en toe ingang bij de elite: zelfs gekroonde hoofden lieten zich tatoeëren. Kunst wordt het niet.

Net wilt u in het café een biertje bestellen, of een man dringt voor. Op het laatste moment smoort u de scherpe terechtwijzing die u op de lippen ligt, want op zijn onderarm staat `Death before dishonour' in blauwe, getatoeëerde letters. Beter even wachten.

Van een tatoeage gaat een overtuigingskracht uit die de meeste andere media is ontvallen. Er zijn nog maar weinig mensen die denken dat iets waar is, omdat het in de krant heeft gestaan. Maar wie op zijn borstkas `Loesje' heeft staan, kan niemand ervan overtuigen dat hij nimmer een Loesje heeft gekend.

Drágers van tatoeages weten beter, al eeuwen: getatoeëerde motieven in de menselijke huid zijn een middel om de wereld om de tuin te leiden. De tentoonstelling De versierde mens in het Haarlemse Teylers Museum biedt van die misleiding aardige voorbeelden: zeebonken met mythische wezens in de huid, die ze op hun verre reizen zélf hebben gezien; door God verlaten moordenaars, die met Christuskoppen hun trouw aan de Heiland belijden; met Wild West-taferelen volgekliederde meisjes, die door indianen zijn ontvoerd.

Een goed idee, die tentoonstelling. Want de tatoeage kampt met een gebrek aan serieuze belangstelling. Misschien doordat de tatoeage in onze cultuur bijna steeds is geassocieerd met de laagste maatschappelijke groepen. De armen kwamen tot in een zeer recent verleden immers niet in aanmerking voor geschiedschrijving of onderzoek naar hun gedrag. Een van de weinige wetenschappelijke publicaties in Nederland over het onderwerp, een dermatologische verhandeling, sprak in 1988 nog opgewekt over `de wapenrok der sociaal lagere klassen'.

De in 1991 in Tirol gevonden IJsman, sinds 3300 v.Chr. door een gletsjer geconserveerd, droeg al tatoeages. Ook de oude Egyptenaren, Scythen en Grieken konden er wat van. De oude Romeinen, smaakmakers van onze beschaving, hadden er niet veel mee op: tatoeëren was net zoiets als brandmerken van slaven.

Dat Kaïn na de moord op zijn broer Abel een teken droeg, heeft de tatoeage in de joods-christelijke traditie geen goed gedaan. Leviticus 19 was er op tegen, net als het Concilie van 787. Tatoeages worden door hun dragers in het graf meegenomen, maar het is wel zeker dat de tatoeage in onze Middeleeuwen zeldzaam was. Alleen kruisvaarders wilden er nog wel eens mee uit het Heilige Land terugkeren.

`Prikschilderen' heette het verschijnsel bij ons, voordat in de achttiende eeuw het woord tattow vanuit de Stille Zuidzee naar Europa kwam.

De herleving van de tatoeage in onze streken is een bijprodukt van de reizen van Kapitein Cook. Om deze reden is Teylers ook aan De versierde mens begonnen: de boekerij van deze in 1784 opgerichte instelling voor Verlichting bevat fraaie voorbeelden van achttiende-eeuwse reisverslagen waarin met illustraties van tatoeages in de Stille Zuidzee melding wordt gemaakt.

De gezichtstatoeage van de Nieuw-Zeelandse Maori's, de zogenoemde moko, werd na Cooks ontdekking een rage in Europa. Niet dat Europeanen hem lieten aanbrengen, maar de handel in rijk bewerkte, geprepareerde hoofden uit Nieuw–Zeeland nam een hoge vlucht, totdat het Britse bestuur in 1831 een verbod uitvaardigde. Verscheidene Europese musea bezitten van die hoofden, maar Teylers heeft er geen in bruikleen ontvangen. De bezitters zijn bang dat zich bij de tentoonstelling hedendaagse Maori's melden, die teruggave van hun cultureel erfgoed eisen.

Oerwaarden

De context van de Europese herontdekking heeft het zijne bijgedragen aan de ambivalentie jegens de tatoeage. De exotische inboorling die hem droeg, gaf immers zelf in onze cultuur tot tegenstrijdige gevoelens aanleiding. Aan de ene kant was er de fascinatie voor de wilde, nog niet aangetast door een beschaving die zijn gezegende oerstaat corrumpeert. Tegelijkertijd was hij in Europese ogen een beklagenswaardige mindere, die van zijn oerstaat moest worden afgeholpen.

De jongste, massale opleving van de tatoeage na 1990 had betrekking op wat new tribalism-motieven heten: geometrische patronen die teruggrijpen op wat er in de achttiende- en negentiende eeuw in Nieuw–Zeeland, Borneo en omgeving werd aangetroffen. Ook deze twintigste-eeuwse mode wordt kennelijk door een anachronistisch verlangen naar oerwaarden ingegeven.

Met de toename van het internationaal handelsverkeer over lange afstanden in de achttiende eeuw moet de gewoonte zijn ontstaan dat zeelieden behalve een druiper ook een tatoeage als aandenken mee naar huis namen. In Europese havensteden vestigden zich al vlug tatoeëerders, omdat een rechtgeaarde pikbroek zich zonder zo'n versiering niet meer kon vertonen.

Omdat de haventatoeëerder tot in de jaren vijftig van onze eeuw heeft bestaan, kunnen we ons van deze branche nog net een voorstelling maken. Tattoo Peter in Amsterdam bijvoorbeeld was een eenmansbedrijf in een kelder, waar de uitrusting zich beperkte tot naalden en potjes inkt in verschillende kleuren, én een emmer met sponsje, om inkt en bloed van de huid te vegen. De clientèle bestond, behalve uit zeelieden, uit de zelfkant van de samenleving: bajesklanten, soldaten, prostituees plus een enkele zonderling die het leven als gezeten burger wilde ontvluchten.

Over de door de haventatoeëerder gezette afbeeldingen informeren oude voorbeeldboeken – waarvan in Teylers fraaie exemplaren zijn te zien. Onder zeelieden was een allegorische voorstelling populair, de Man's ruin: een compositie van drankflessen, de zee, speelkaarten en vrouwen – alles wat een man naar zijn ondergang kan voeren. En dan waren er talloze verwijzingen naar het noodlot van de vergankelijke liefde: namen of voorstellingen van geliefden, harten met pijlen, porno en verbazingwekkend veel verwijzingen naar moeder.

Veel beter zijn we geïnformeerd over de gelegenheden waarbij de tatoeage kortstondig doordrong tot de maatschappelijke bovenwereld, meestal in de vorm van Europeanen die terugkeerden uit de Oost, volgetatoeëerd en met prachtige verhalen, en tot in de hoogste kringen gretig bekijks vonden. Het beroemdste voorbeeld is `Constantin', die op de affiche van Teylers staat afgebeeld. Zijn gehele lichaam – penis en hoofd incluis – stond vol met honderden dieren en ornamenten. Constantin trok in de vorige eeuw heel Europa door, waarbij hij voor publiek optrad en zich tegen vergoeding aan medische faculteiten liet onderzoeken. Ook maakte hij een drietal toernees door de Verenigde Staten tussen 1870 en 1880, alvorens spoorloos te verdwijnen.

Constantin zei dat hij een vergriekste Albanees was, wat op zichzelf de toeschouwers al deed huiveren, want Albanezen waren een woest bergvolk. Naar eigen zeggen had hij `wapens geleverd aan Chinese Tataren', maar was hij gevangengenomen. De snode oosterlingen hadden hem veroordeeld tot de tatoeage: drie jaar lang drie uur per dag was hij onder bedreiging met de dood door drie man vastgehouden, terwijl een vierde met bronzen pen de illustraties toediende.

Vooral Duitse geleerden hadden twijfels. Zo vonden zij op Constantins handen Birmaanse lettertekens, wat suggereerde dat hij daar onder handen was genomen – wellicht vrijwillig. Constantin liet soms ineens zijn verhaal in Afrika spelen. Het mysterie bleef mede behouden doordat Constantin de benen nam wanneer de geleerden op een tweede gesprek aandrongen.

Circusattracties

Constantins commerciële succes viel op in de Verenigde Staten. Het was de tijd van de grote circussen, waaraan een freakshow was verbonden, een tentoonstelling van menselijke curiosa: de dame met de baard, dikke mensen, de Siamese tweeling en andere grillen van de natuur – sommige echt, andere een handje geholpen. In deze galerij kreeg ook de tatoeagemens een plaats. Die was vaak vrouw: het pikante gegeven dat je met een tatoeage ook zonder kleren bedekt bent, was aan het publiek welbesteed.

Ook bij de dames was het sterke verhaal troef. Irene Woodward (1863-1916), die als `La belle Irène' ook op tournee ging door Europa, vertelde dat zij als kind door haar vader was getatoeëerd als bescherming tegen Sioux-Indianen in Texas. In werkelijkheid waren de afbeeldingen het werk van professionele Amerikaanse tatoeëerders die de freakshows regelmatig van nieuwe attracties voorzagen – naar schatting waren er rond 1920 in de VS zo'n driehonderd werkzaam.

Die tatoeëerders beschikten sinds de jaren negentig van de vorige eeuw over een elektromagnetisch voortgedreven machientje, hetzelfde apparaat dat nog steeds, zacht snorrend, de hedendaagse tattoowinkel veel van zijn gezelligheid verleent. Tatoeage werd er aantrekkelijker en makkelijker door: het ging sneller, en het deed beduidend minder pijn.

Handmatig is het lastig om alle inkt op precies dezelfde diepte in de huid aan te brengen, terwijl de elektrische machine zich relatief eenvoudig op een bepaalde hoogte laat instellen. De invoering van het apparaat kwam dus de scherpte en duurzaamheid van tatoeages ten goede, omdat de kleurstof die op de verkeerde diepte is aangebracht door het lichaam wordt afgevoerd, met wazigheid als gevolg. De toegenomen precisie maakte het mogelijk om diepte te suggereren, door het aanbrengen van schaduwen bijvoorbeeld.

De mechanische, zogeheten `Amerikaanse stijl' verwierf al gauw de hegemonie in de westerse tatoeage-wereld, naast de veelkleurige bloemen en draken die aan Japanse tradities waren ontleend. Die `Amerikaanse stijl' werd op grote schaal toegepast voor motieven waartegen de goede smaak geen bezwaar kon hebben: vaderlandslievende vlaggen, adelaars, stemmige spreuken van belerende aard (`Ik leef voor wie ik liefheb') of nationale helden.

Rond 1900 werd de tatoeage voor het eerst aantrekkelijk voor de culturele en maatschappelijke elite, gekroonde hoofden niet uitgezonderd: koning Edward VII van Engeland, Tsaar Nikolaas II van Rusland, koningin Olga en koning Konstantijn van Griekenland, alsmede koning Oscar van Zweden. Onze eigen prins Bernhard is van deze vorstelijke rage een der laatste voorbeelden. De society, vooral in Engeland en de VS, volgde – totdat in de jaren twintig het zonnebad aan de Côte d'Azur in zwang raakte.

Ook in het circus liep het mis: grote circussen gingen failliet en medische ontdekkingen op het gebied van de hormonen deed het aantal mismaakten voor de freakshow afnemen. Op den duur werd zo'n tentoonstelling steeds meer als stuitend ervaren. De laatste internationaal befaamde tatoeagemens was Horace Ridler alias The Great Omi, een Britse ex-officier van goede familie die van top tot teen in een menselijke zebra was veranderd. Vanaf 1950 zat hij zonder werk, in 1967 stierf hij, zwaar depressief – maar dat kan natuurlijk ook aan iets anders hebben gelegen.

In 1950 was de tatoeage na een eeuw furore waar ze in 1850 was: een door beschaafde mensen fronsend bekeken aardigheid van wilden in den vreemde of maatschappelijke onderlaag thuis. Nieuwe liefhebbers als de Hells Angels konden het vooroordeel niet doorbreken. Totdat rond 1990 de tatoeage plotseling doorbrak op de catwalks van bekende couturiers, in combinatie met quasi-oosterse textiel.

Een van de kenmerken van de laat-twintigste-eeuwse samenleving is dat modes niet altijd meer in de maatschappelijke bovenlaag beginnen, maar ook van onderop hun weg kunnen vinden. Daarvan profiteert de tatoeage: het aantal winkels waar je er een kunt laten zetten is de laatste jaren stormachtig toegenomen, ook in Nederland. De omzet wordt nog bevorderd door de sinds kort bestaande mogelijkheid om tatoeages – waarvan de eeuwigheid een van de grootste charmes was – met laserstralen weg te halen.

Toch is de sociale erkenning onvolkomen. Wat bijvoorbeeld niet lukt, is van de tatoeage een erkende kunst te maken. `De versierde mens, de kunst van het tatoeëren' heet de tentoonstelling in Teylers voluit, maar onder `kunst' moet in dit geval toch vooral `handigheid' of `kunstnijverheid' worden verstaan. Het Sloveense paviljoen op de jongste Biennale in Venetië, waar de bezoeker gratis een tatoeage uit de catalogus kon kiezen, werd als niet meer dan een aardigheidje ervaren.

Onze hedendaagse cultuur stelt aan kunst impliciet de eis van originaliteit en persoonlijke betrokkenheid van de maker. Op beide punten scoort de tatoeage laag, omdat zij berust op imitatie: alle hierboven beschreven stijlen uit de achttiende- of negentiende eeuw bestaan nog en van innovatie is sinds 1900 nauwelijks sprake geweest. De typische tatoeëerder is een min of meer ambachtelijk begaafd kopiist, zonder merkbare artistieke bevlogenheid of persoonlijke betrokkenheid. Anders ligt dat bij de drager van een tatoeage, voor wie het vaak een hele stap is. En bij u natuurlijk, die in het café verschrikt terugdeinst.

De versierde mens. T/m 19/3 2000 in Teylers Musuem, Spaarne 16, Haarlem. Open: di t/m za van 10-17 uur, zon- en feestdagen van 12-17 uur, 25/12 en 1/1 gesloten. Inl. 023-5319010 of www.teylersmuseum.nl.

Teylers maakt ruim gebruik van de rijke collectie van het Tattoo Museum Amsterdam: www.tattoomuseum.com

Zeelieden namen behalve een druiper ook een tatoeage mee naar huis