Machiavelli in de West

Over Suriname wordt een kwart eeuw na de onafhankelijkheid meer geschreven dan ooit – en nog steeds door Nederlanders. Gert Oostindie (Het paradijs overzee, 1997), Alex van Stipriaan (Surinaams contrast, 1993) en Hans Buddingh' (Geschiedenis van Suriname, 1995/1999), hebben de geschiedenis van het voormalige rijksdeel, en vooral de slaventijd, uitvoerig onderzocht. De cultuur van de Surinaamse bosnegers is onder antropologen een gewild onderwerp. Het tijdperk-Bouterse is inmiddels het onderwerp van een hele reeks journalistieke boeken.

Serieuze deelstudies over de moderne politieke geschiedenis van Suriname waren daarentegen lange tijd opvallend schaars. Het origineelste werk, The Difficult Flowering of Suriname, dateerde uit 1978 en werd geschreven door de Amerikaan Edward Dew, die de verzuilingstheorie van A.J. Lijphart met succes had toegepast op het etnisch diverse Suriname. De Nederlandse historicus Peter Meel (1959), die in een voetnoot de `geringe aandacht voor politiek' in de Surinamistiek signaleert, voorziet met Tussen autonomie en onafhankelijkheid deels in de leemte. Een tweede onderzoekster, Inge Klinkers, promoveerde onlangs op een proefschrift over het Koninkrijksstatuut van 1954, dat Suriname en de Antillen intern zelfbestuur verleende.

Meels dissertatie, waarvan een handelseditie is verschenen bij het Leidse instituut voor taal-, land- en volkenkunde, behandelt de betrekkingen tussen Nederland en het rijksdeel van 1954 tot 1961, het jaar dat de roemloze mislukking zag van een volgende Ronde Tafel Conferentie over de positie van de voormalige koloniën. Meel besteedt daarnaast aandacht aan het Surinaamse nationalisme en de economische ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog. Zijn boek is het product van ruim tien jaar onderzoek, en dat is in opzet en stijl goed te merken: het werk is degelijk, gedetailleerd, maar voor een geïnteresseerde leek tamelijk uitputtend.

Dat neemt niet weg dat Meel interessant nieuw licht werpt op de aanloop naar de Surinaamse onafhankelijkheid, en bovendien allerlei wetenswaardigheden en sprekende details bevat. De etnische spanning en rivaliteit tussen creolen (NPS) en hindoestanen (VHP) is bijvoorbeeld bekend, maar het is veelzeggend dat de VHP zelfs in woede ontstak over de afbeelding van een kotomisi (creoolse klederdracht) op het biljet van de Surinaamse rijksdaalder.

Pikant is ook dat Meel een rapport over het communisme in Suriname heeft achterhaald dat werd opgesteld door de geheime dienst van `een met Nederland bevriende mogendheid' (vermoedelijk de Verenigde Staten). Gemeld wordt dat leden van de nationalistische PNR, opgericht na de mislukte conferentie van 1961, onder leiding van Eddy Bruma met revolvers en machetes in een junglekamp zouden hebben getraind voor een gewapende opstand. Het was een loos gerucht, zoals ook de Nederlandse BVD geregeld wilde verhalen ongecontroleerd doorgaf aan Den Haag. Nog in 1958 meldde de BVD omineus dat de vereniging Ons Suriname was uitgenodigd voor een conferentie van `negerschrijvers en negerartiesten' in Rome. De dienst rook zelfs daar kennelijk onraad.

Kern van het boek is Meels analyse van de Ronde Tafel Conferentie van 1961 en de politieke rol van het Surinaamse nationalisme. Hij noemt het laatste een heterogene beweging voor territoriaal (en niet etnisch) nationalisme, die cultureel een grote rol speelde maar de etnische verschillen niet wist te overbruggen. Creolen gaven de toon aan, Javanen – de meest recente immigranten – werden van politiek nationalisme weerhouden door hun gezagsgetrouwheid en godsdienst, de hindoestanen waren daarnaast te druk bezig hun achterstand op de creolen in te lopen. Zij hadden geen belang bij het ideaal van een snelle onafhankelijkheid, die Suriname naar zij vreesden zou uitleveren aan de cultureel en bestuurlijk dominante creolen.

Belangrijkste conclusie van Meel over de betrekkingen met Nederland is dat het Statuut tussen 1954 en 1961 in bestuurlijk opzicht goed functioneerde, maar dat de dekolonisatie van Suriname sindsdien door Nederlands toedoen stagneerde en kansen op staatkundige en politieke vernieuwing werden gemist. De inschikkelijkheid die Nederland officieel aan de dag legde over het Surinaamse verlangen naar meer internationale autonomie, was `grotendeels schijn'. Achter gesloten deuren was de Nederlandse houding er een van `wantrouwen en scepsis', gevoed door de overtuiging dat Suriname in politiek, bestuurlijk en economisch opzicht nog lang niet aan onafhankelijkheid toe was.

Voor de mislukking van de Ronde Tafel Conferentie – uitgeschreven mede op verzoek van Suriname, dat een grotere eigen rol wilde op buitenlandspolitiek gebied – is Nederland verantwoordelijk, dat handig gebruik maakte van de verdeeldheid binnen de Surinaamse delegatie. Nederland, dat eigenlijk helemaal niet aan het Statuut wilde morrelen, wakkerde de spanningen tussen creolen en hindoestanen aan, door officieel meer autonomie voor Suriname te verwelkomen. Ondertussen werd echter geen millimeter toegegeven aan de Surinaamse wens defensie en buitenlands beleid in Koninkrijksverband te ontkoppelen, zodat Suriname vooralsnog internationaal zou kunnen opereren zonder de dure noodzaak een militair apparaat te onderhouden. Een ambtelijk fasen-plan voor Suriname, dat voorzag in een geleidelijke onafhankelijkheid, werd door de Nederlandse delegatie bovendien `met opzet in portefeuille' gehouden, aldus Meel.

Gevolg van de Nederlandse koudwatervrees was dat de dekolonisatie en natievorming van Suriname sterk achterbleven bij de rest van de regio. `Het verloop van de RTC van 1961 illustreerde de onwil van Nederland om vooruit te zien en op toekomstige ontwikkelingen te anticiperen', aldus Meel. `Door vast te houden aan het Statuut en de West bovenal te beschouwen als een ``beheersobject', liet Nederland een kans liggen om de politieke meningsverschillen in Suriname over dekolonisatie te overbruggen.'

Een omslag in de Nederlandse houding kwam pas na de rellen op Curaçao in 1969, toen Nederlandse mariniers moesten ingrijpen om de orde te herstellen. In 1975 zegevierde ten slotte het anti-koloniale nationalisme dat in Suriname door Bruma was uitgedragen. Maar met de integratie van de etnische bevolkinsgroepen was toen, mede door het gebrek aan Nederlandse betrokkenheid in de vroege jaren zestig, `nog maar in bescheiden mate ervaring opgedaan', aldus Meel in een academisch understatement. De rekening voor dat kortzichtige paternalisme kreeg Nederland direct in 1975 gepresenteerd, met de eerste vluchten uitgeweken Surinamers die op Schiphol landden.

Peter Meel: Tussen autonomie en onafhankelijkheid. Nederlands-Surinaamse betrekkingen 1954-1961.

KITLV Uitgeverij, 450 blz. ƒ65,-