Lionel Wendt

Hij woonde in een chique wijk van Colombo, in een huis op een flauwe heuvel, op het toenmalige Ceylon. Een blanke, rijke man, met een vader als kantonrechter. Inwoners die hem ontmoet hebben, herinneren zich een afstandelijke figuur. Hij gaf ze pianoles en zweeg over zijn privé-leven. Waarom zou hij er ook over praten?

Vijftig neo-koloniale jaren verder wordt dit Srilankese `Wassenaar' uit angst voor Tamil-aanslagen elke nacht afgesloten. Om de honderd meter moeten vreemdelingen zich legitimeren. Blanke, rijke mannen genieten er, om niets, nog steeds respect. Het huis op de heuvel is een stichtingshonk geworden. En het is dankzij die stichting dat zijn naam voortleeft: Lionel Wendt - dichter, musicus, advocaat en bovenal fotograaf.

Zijn gedichten zijn zoekgeraakt. Plaatopnamen van hem als concertpianist bestaan niet. Zijn studie rechten in Cambridge heeft in de praktijk weinig opgeleverd. Wat bleef waren zijn foto's. Nou ja, blijven: de vele insecten die zich in de hitte en vochtigheid van Colombo graag vermenigvuldigen, hebben een westers wegennet door de stapels gevreten. De helft van het oeuvre verziekten ze. Wat er over was, hangt nu in Utrecht, in de fotogalerie van Ton Peek. Geen winkeldochters, maar gave opnamen van naakten, impressies van het dagelijks leven en een enkel stilleven.

Door stom toeval kruiste Peek in 1996 het pad van Wendt. Hij dook tijdens een zakenreis in Colombo een antiquariaat in en vond er een niet zo gaaf fotoboek. De vraagprijs was honderden guldens. Te duur voor een fotograaf zonder reputatie, dacht Peek. Vreemd ook voor een land waar het modale maandsalaris rond de vijftig gulden schommelt. Tòch bleef het boek rondspoken. Het werd op een tweede reis alsnog gekocht. Menige passant zette hem daarna op een vaag spoor richting Wendt.

Op een van die adressen was het raak. In de hoeken van een versleten villa, eigendom van een verre Nederlandse vrouw, stonden stapels foto's te verstoffen. Hond na hond liep erin te grasduinen. De dame van de villa kreeg de afdrukken ooit in bewaring van Wendts assistent, die naar Australië emigreerde. Kort voor hij vertrok stak hij de fik in alle negatieven van zijn baas. Je kon niet weten wie er nog eens mee ging knoeien.

Aan de wanden bij Peek hangen nu bronskleurige opnamen, veelal ter grootte van een plakboek. De zwijgzaamheid van Wendt laat zich meteen beter verklaren. Hij was homoseksueel. En dat mocht niet op Ceylon. Zijn camera bood een beetje uitkomst. Hij portretteerde vooral plaatselijke, mooie, blote en jonge mannen, het geslachtsdeel met een lendedoek toegedekt. Omdat dat nog steeds de dracht is van menige Srilankees, hoefde Wendt zich over god en gebod geen zorgen te maken.

Geen enkel model kijkt de toeschouwer aan. Gemaniëreerd staat een van de jongens sierlijk opgesteld tussen een exotische jungle van takken en bladeren. De meeste anderen poseerden kuis en thuis, op de rand van een bed, tussen weefsels op sofa's, ruggelings in een atletisch gespannen houding om de fysieke volmaaktheid te demonstreren. Wendt was de verborgen Mapplethorpe van zijn tijd. Hij zocht dezelfde esthetiek, dezelfde fysieke uitersten, hetzelfde technische raffinement. Waar Mapplethorpe een ijzige scherpte nastreefde, bleef Wendt omfloerster, alsof het noodzakelijk verbergen van zijn mannenliefde in beelden geconcretiseerd werd.

Tijdens zijn studie in Europa moet Wendt met het werk van Bauhaus-fotografen, van Man Ray en Horst P. Horst hebben kennisgemaakt. Hij nam hen in gedachten mee terug naar Colombo. En net als zij ging hij experimenteren, met papier-negatieven, met montages, en met solarisatie, een gedeeltelijke omkering van donker en lichte tonen door overbelichting. Die solarisatie gaf de huid van zijn mannen èn vrouwen zo'n mysterieuze zilverglans en stralend aura, dat je eigen blik jaloers wordt op wat een foto vergaf.

Hoe zeer Wendt verknocht was aan zijn eiland, hoe breed zijn belangstelling was en hoe geconcentreerd hij kon kijken, blijkt vooral uit dat antiquarische boek dat in de galerie ligt. Hij richtte zijn Leica op tempels en pottenbakkerijen, vissers en trommelaars, verlaten stranden en kokosnootplantages. Verdwenen foto's van verdwenen sferen - sober, ernstig, al verzonken in hun tijd. De serene rust die er uit spreekt moet haaks hebben gestaan op de energieke, ondernemende geest waar de fotograaf in vertrouwd gezelschap blijk van gaf. In zijn slaap is hij in 1944, 44 jaar oud, plotseling overleden. Het was wijs van Peek om dat dure boek bij nader inzien aan te schaffen.

Galerie Ton Peek, Oude Gracht 295, Utrecht. Tot 29/1. Open: do t/m za 12-17 uur en op afspraak, 030-2312001.