Krachtmeting met de klassieken

De Italiaanse schrijvers van de Renaissance herontdekten de klassieken niet, ze ontworstelden zich juist met verve aan hun intimiderende autoriteit. De volkstaal werd het breekijzer voor nieuwe genres als het sonnet en de novelle. Een literatuuroverzicht en nieuwe vertalingen brengen deze glorieuze literatuur dichterbij.

SI

De finesses van de klassieke Italiaanse literatuur zijn niet aan iedereen besteed. Zo vertelt de negentiende-eeuwse Britse historicus Macaulay een anekdote over de invloedrijke geschiedschrijver Francesco Guicciardini. Er was eens, aldus de Brit, een Italiaanse misdadiger die als straf mocht kiezen tussen het lezen van Guicciardini en slavernij op de galeien. Hij koos voor het eerste. Maar aangekomen bij de geschiedenis van Pisa werd de lectuur hem te machtig. Hij veranderde van mening en meldde zich alsnog voor de galeien.

Dit verhaal contrasteert enigszins met de lof die Frans van Dooren in zijn recente Geschiedenis van de klassieke Italiaanse literatuur over heeft voor de zestiende-eeuwer Guicciardini. Met instemming wordt zijn eretitel `de grootste historiograaf van Italië' aangehaald, en wordt verwezen naar zijn `vlijmscherpe waarnemingen, waar psychologisch gezien meestal geen speld tussen te krijgen is'. Alleen aan het eind van zijn passage over Guiccardini maakt Van Dooren melding van diens `occasionele benadering ... [die] bepalend is voor zijn stijl: de genuanceerde wijze waarop hij de werkelijkheid beschrijft en ontleedt, leidt tot een zeer ingewikkelde syntaxis, waarin hij via vele parenthetische zijsprongen en tussenzinnen de complexiteit van het historisch gebeuren in zijn greep probeert te krijgen.' Juist. Het was deze `occasionele benadering' die Macaulay's misdadiger naar de galeien dreef.

Stylus hominem arguit. De stijl verraadt de man, schreef Robert Burton in zijn klassieke The Anatomy of Melancholy (1621). Van Dooren wijst er terecht op dat de onoverzichtelijke syntaxis van Guicciardini onlosmakelijk verbonden is met zijn pessimistische visie op de geschiedenis als een door egocentrisme voortgestuwde chaos. Zo'n verbondenheid van stijl en inhoud kan meesterwerken opleveren. En ook al is Guicciardini daarvan niet het sterkste voorbeeld, en overspeelt Van Dooren hier enigszins zijn hand, toch is er inderdaad aan meesterwerken geen gebrek in de Italiaanse literatuur van 1200 tot 1700. Er is de Divina Commedia van Dante, de Decamerone van Boccaccio, Petrarca's Canzoniere, Il Principe van Machiavelli, de Cortegiano van Castiglione, Orlando Furioso van Ariosto - en die hoogtepunten vormen dan nog maar een beperkte greep.

tuk voor stuk lezen deze grote Italianen, en een respectabel aantal anderen, of ze gisteren zijn geschreven. Alleen al daarom is Van Doorens Geschiedenis zo welkom en waardevol voor Nederlandse lezers: de grote Italianen zijn hier nog steeds te weinig bekend. Hun invloed op de literatuur van West-Europa is bovendien nauwelijks te overschatten. Wie de wederwaardigheden van de meesters en hun werken volgt, krijgt een veel steviger greep op de Europese literatuur dan voorheen. Italië heeft immers niet alleen in de beeldende kunst van de late Middeleeuwen en Renaissance een voortrekkersrol gespeeld, maar ook op het gebied van de emancipatie van de literatuur. In Italië is de volkstaal gered uit de houdgreep van de klassieken.

Bij die pioniersrol valt de ongelooflijke originaliteit van de Italianen op. Vooral in het creëren van nieuwe genres slaan de Italianen paden in die door de klassieke auteurs nog niet waren begaan: het sonnet, de novelle en het christelijke epos. Ongetwijfeld heeft de vaardigheid in het Latijn, die bijna alle in Van Doorens boek behandelde auteurs bezaten, daarbij een rol gespeeld. Die stelde hen in staat de traditionele genres moeiteloos te beoefenen in de oorspronkelijke taal, en daarnaast hun experimenteerdrift uit te leven in de volkstaal.

Interessant is ook de ontwikkeling, na veel discussie, van het Toscaans van Petrarca en Boccaccio tot het meest geschikte vehikel voor literatuur in die volkstaal. Begin zestiende eeuw werd dit – veertiende-eeuwse – Toscaans ingevoerd binnen het levende Italiaans als een bijna-klassieke literatuurtaal. Het was een taal die door zijn inmiddels respectabele verleden niet meer zo héél nieuw klonk – en dus ook minder eng. Maar de klassieken lagen voortdurend op de loer, als een wakende Cerberus. Italiaanse auteurs moesten altijd op hun qui-vive zijn voor de corrigerende klassieken. Misschien leidden ze daarom (met uitzondering van de huiselijke Ariosto) ook zulke avontuurlijke, zwervende en onconventionele levens. Hun biografieën lezen doorgaans als romans op zichzelf.

Van alle schrijvershelden die het intimiderende gebrul van de klassieke Cerberus trotseerden, was Dante wel de brutaalste. Om begin veertiende eeuw een christelijk epos in het Italiaans te schrijven, was al zeer gewaagd. Om dan ook nog eens de literaire krachtmeting aan te gaan met enerzijds Vergilius en Ovidius, en anderzijds de Bekentenissen van Augustinus en de volledige christelijke traditie, dat kan men gerust megalomaan noemen.

Maar Dante komt ermee weg. In de tocht door Hel, Purgatorium en Paradijs die hem transformeert van een bange zondaar tot een oprechte boeteling, formuleert Dante zijn complete wereld. Alles waar hij van houdt geeft hij een plaats, evenals alles waar hij een hekel aan heeft (en ook dat is niet weinig). Genadeloos spant hij mensen voor zijn karretje, zoals grote auteurs dat nu eenmaal doen. De beslist niet christelijke dichter Vergilius, Dante's gids in De Hel en Het Purgatorium (daarna moet hij terug naar het `Limbo', zoals iedereen die niet te zondig is, maar vóór Christus' komst is geboren) wordt bij Dante de profeet van het Heilige Roomse Rijk, een hergebruik dat Dante overigens beschouwt als een compliment voor de Romein. Vergilius zou zich er ook niet voor hebben geschaamd. Want het was de kracht van Vergilius' poëzie die Dante aan zijn geestelijke reis deed beginnen, en die Dante heeft leren schrijven: zijn adembenemende evocatie van de Hel is ondenkbaar zonder het zesde boek van Vergilius' Aeneis.

ntussen lijkt het erop, dat in de chiliastische verwarring van onze tijd steeds meer mensen grijpen naar de Divina Commedia. Daar rekenen de uitgevers althans op. Een grote, prestigieuze vertaling in verzen is op komst, door Ike Cialona en Peter Verstegen (Querido). Ook in voorbereiding is een tweetalige editie (Primavera Pers). En nu al is er een prozavertaling met uitgebreide inleiding en commentaar van Jacques Janssen van De Hel. Ook in het Engels is een nieuwe Inferno gepubliceerd, van Elio Zappulla, in blank verse. De metrische vertaling in het Engels blijkt bij vergelijking verre te prefereren. Dante's werk is immers vóór alles poëzie: wat in metrum en rijm onontkoombaar lijkt, wordt daarom in proza soms belachelijk. Toch kunnen zelfs de jamben van Zappulla de klankrijkdom van Dante niet evenaren. Maar zijn tekst loopt als geheel beter, en is spannender, dan die van Janssen.

Een willekeurig vers kan dit illustreren: een beschrijving van de mythische Harpijen, wezens die half vogel zijn, half vrouw. `Fanno lamenti in su li alberi strani', schrijft Dante. Janssen vertaalt: `Neergestreken op de vreemde bomen maken ze een klagend geluid'. Zappulla dicht: `From the twisted trees in which they perch/ what sorrow-burdened shrieks now pierce our ears.'

De plaatsing van strani in het origineel, het `vreemd' dat zowel bij de klachten als bij de bomen kan horen, blijkt onvertaalbaar. Zo komt het dichterlijke effect van Dante, waardoor klanken en bomen zich vermengen en elkaar versterken en álles vreemd maken, niet over. Het Engels houdt tenminste het klankeffect van schrik in de s-klanken.

Zappulla is een aanwinst. De vertaling van Janssen maakt zich daarentegen wel eens schuldig aan lelijk of soms zelfs onaanvaardbaar Nederlands. Maar dat wil niet zeggen dat deze editie overbodig is, integendeel. Janssens inleiding en uitgebreide, originele commentaar, zijn zeer lezenswaardig. Ook de vele mooie illustraties zijn goed gekozen en verhelderend. Ze worden aangevuld met allerlei diagrammen en schema's van de topografie van de hel. Janssen heeft veel werk verzet, en dat loont. Wie het origineel ter hand neemt, komt met zijn hulp een heel eind.

Dante lezen en herlezen is een glorieuze bezigheid. Zijn vermogen tot beeldend schrijven is ongekend modern. Hij doet wat Hollywood-regisseurs George Lucas en Steven Spielberg tegenwoordig met special effects kunnen, maar dan gespeend van elke platvloersheid. Dante's spektakel is wild en eenzaam. Zijn `speciale effecten' zijn dienstig en subtiel. En vreselijk spannend: galopperende centauren dragen de dichter door de duisternis, hij praat met vlammen en bloedende bomen, hoort huiveringwekkende verhalen over verraad. Fantastische vergelijkingen helpen de lezer zich de actie voor te stellen. De kokende pek waarin de oplichters gaarstoven, wordt vergeleken met de pek waarmee in Venetië de schepen worden onderhouden. En ineens zie je die nautische bedrijvigheid voor je, met Venetianen die nergens voor terugdeinzen, bezig als duivels die de zondaars er onder moeten houden.

Al die heerlijke zondaars! Dante was er zelf één – niet voor niets zwerft hij in het eerste canto rond in het selva oscura (het duistere woud van de zonde). Hij weet ze dus op hun waarde te schatten, soms met gepaste afstand, soms wraakzuchtig, soms met sympathie. Ze staan werkelijk vóór hem, in een merkwaardig realisme: in de som van hun wezen, en zoals ze zullen blijven tot het Laatste Oordeel. Dit figurale realisme, dat tegelijkertijd wèl en nìet een beschrijving is van de aardse realiteit (de mens als figura, een afspiegeling van de som van zijn wezen) is Dante's belangrijkste bijdrage tot de literaire traditie. Zo knaagt Graaf Ugolino aan het hoofd van de aartshertog van Pisa, vastgevroren in het ijs van de onderste regionen van de hel. Ugolino wordt gestraft voor verraad, in een toren opgesloten met zijn zoons en doodgehongerd. `Then came the sound / of hammering: the men were nailing shut / the prison door. Without a word I gazed / into the hungry faces of my boys. / I could not weep; I had become a stone. / The boys were crying; little Anselm said: / `My father, what is wrong? You look so ill' / No tears, not even one, flowed down my cheeks / And no word passed my lips that day / Nor all that night, until another sun had risen on the world. No sooner had / It's light pierced through my prison cell / Than I observed the faces of my sons, / The living mirrors of my misery'.

Hij bijt van wanhoop in zijn handen. Ach vader, zeggen zijn zoons, heb je honger? Eet ons dan maar. Ugolino gruwt van het idee. Maar één voor één sterven de jongens. En uiteindelijk wint de honger van het verdriet. De lelijkheid van leed en de eerlijkheid van de hopeloosheid in één zondaar: ziedaar Conte Ugolino. Zo volledig in hun wezen gekenschetst staan er velen in dit Inferno: Paolo en Francesca, Farinata, Ulisse – allemaal figuren die je niet meer loslaten als je Dante hebt gelezen.

Wat gebeurt er met de Italiaanse literatuur na dit onvoorstelbare startschot, vergelijkbaar met de oerknal van Homerus tweeduizend jaar eerder? Dante's tijdgenoot Giotto, die eenzelfde revolutionair oeuvre opbouwde in de schilderkunst, lijkt op de generatie na hem een soms verlammende invloed te hebben gehad. Maar in de literatuur kiezen Dante's opvolgers, Petrarca en Boccaccio, andere paden, en schitteren op hun beurt in nieuwe genres. Petrarca zet met zijn canzoniere zo'n stevige traditie neer, dat lyrici er zich bijna tot op heden niet aan hebben kunnen ontworstelen (hoewel hij zelf de meeste roem verwachtte van zijn Latijnse werken). Boccaccio is in zijn Decameronezo onweerstaanbaar humaan, schalks, geestig, en tegelijkertijd, bijvoorbeeld in zijn beschrijving van de pest van 1348, zo vernietigend cynisch, dat je hem na lezing aan je hart wil drukken.

In de vijftiende eeuw, de tijd van de vroege Renaissance, worden het klassieke Latijn, en ook langzamerhand het klassieke Grieks, door de Italiaanse humanisten steeds beter, bijna perfect beheerst. Zij eisen alle aandacht op. Alleen Poliziano en Sannazaro, in de eerste plaats neo-Latinisten, schrijven nog meesterwerken in de volkstaal. In de literatuur van die eeuw valt een monomane preoccupatie op met visueel vuurwerk, dat bij Dante nog onderdeel was van een veel ambitieuzer spektakel. Nu komen de special effects centraal te staan.

Hier speelt ongetwijfeld de wisselwerking met de beeldende kunst een rol. Een treffend voorbeeld van de stand van zaken aan het eind van het quattrocento is het visueel mooiste boek uit de Renaissance, dat deze maand zijn 500-jarig jubileum viert. Het werd in december 1499 gedrukt bij meesterdrukker Aldus Manutius in Venetië en luistert naar de indrukwekkende naam Hypnerotomachia Polifili, de `Strijd-van-de Liefde-in-een-Droom van Polifilo'. Auteur was broeder Francesco Colonna van het klooster van Santi Giovanni e Paolo in Venetië. Dit boek is nu, ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van uitgever Thames & Hudson, in het Engels vertaald, gezet in de originele letter van Manutius – de Poliphilus, vernoemd naar het boek – en voorzien van de originele, adembenemende, houtsneden. Het is een schitterende uitgave.

Alleen, weinigen kennen de Hypnerotomachia. Toch is het niet alleen visueel maar ook inhoudelijk één van de invloedrijkste werken uit de Renaissance. Het is het verhaal van Polifilo op zoek naar zijn beminde Polia, met wie hij verenigd wordt in een droom waaruit hij ruw ontwaakt. Het proza van Colonna is een hybride mengsel van Latijn, Grieks en Italiaans. Greco-Latijns Italiaans was modieus. En het boek was chique. De erotiek gevat in een fatsoenlijk kader, maar meeslepend: geen ordinaire penetratie, maar de kus als metafoor voor het huwelijk. Spectaculaire beschrijvingen van antieke rituelen, van wonderen van architectuur, van nymfen, saters en fonteinen, exotische flora en het eiland van Venus. De Hypnerotomachia is, net als de Divina Commedia, een allegorie. Maar wat voor een allegorie! Niet die van de zondaar die wordt getransformeerd tot boetvaardige, maar van de humanist die zwerft door alles wat de Oudheid te bieden heeft, zich verlustigt aan schoonheid en zodoende het recept vindt voor een fatsoenlijk en aangenaam leven. Wie het leest, wordt betoverd door de waanzinnige scènes en raakt in een trance. Het boek beoogt een `totaal-effect' van tekst en beeld; het slaagt erin de lezer binnen te voeren in een andere wereld, vol rituelen, monumenten en mythes. Net zoals de fresco's van Rafael en de zijnen in dienst stonden van zo'n totaal-effect van beeld, iconografie en ritueel.

In de Hypnerotomachia verliest de literatuur zijn autonomie. De samensmelting van tekst, beeld en filosofie is typerend voor de Hoge Renaissance. Maar het is misschien niet zo heel ongelukkig dat die vrij abrupt is beëindigd door de Reformatie. Want met het ontwaken uit de droom van de Hoge Renaissance begint het opnieuw literaire meesterwerken te regenen in het Italiaans: die van Castiglione, Machiavelli, Ariosto en Tasso.

Frans van Dooren, die deze hele literatuur in zijn Geschiedenis getrouw naloopt, heeft het Nederlandse publiek al decennia bediend met vertalingen en met exegese van Italiaanse literatuur. Het is jammer dat aan zijn nu verschenen overzichtswerk toch enige smetten kleven. Dat komt in de eerste plaats omdat de auteur veel te spaarzaam is met citaten, voorbeelden en anekdotes: alleen de grootste meesters krijgen een korte passage in vertaling toebedeeld. Zijn boek is een typisch handboek, met alle voor- en nadelen vandien: als je niet naar de kast snelt om wat oorspronkelijke tekst te proeven gaat het op den duur vervelen. In de tweede plaats is er de stijl van Van Dooren. De wijdlopigheid van de schoolmeester die àlles wil vertellen wat hij weet is Van Dooren niet vreemd. De moraliserende toon jaagt de lezer wel eens de gordijnen in; het is allemaal wat deftig en ouderwets. Dat is niet zo verbazingwekkend, want in het nawoord belijdt de auteur zijn schatplicht aan de negentiende-eeuwse moralistische literatuurhistoricus De Sanctis.

Maar Van Dooren wéét veel. Bovendien houdt hij van zijn meesterwerken, en dat komt zeker over. Met dit boek, en met zijn vele vertalingen, heeft hij het kader geschapen waarbinnen de Nederlandse lezer zich nu eens serieus met de Italiaanse literatuur kan bezighouden.

We moeten hopen dat Van Dooren zijn liefde met meer lezers zal gaan delen. Ook met hen die uit schoolmeesterhaat de galei verkiezen boven de literatuur.

Frans van Dooren: Geschiedenis van de klassieke Italiaanse literatuur. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 420 blz. ƒ89,90

Dante Alighieri: Mijn komedie: Hel. Vertaald, ingeleid en geannoteerd door Jacques Janssen. SUN, 399 blz. ƒ69,50

Dante Alighieri: Inferno. A new verse translation. Met noten en inleiding door Elio Zappulla. Vintage, 315 blz. ƒ33,35

Francesco Colonna: Hypnerotomachia Poliphili. The Strife of Love in a Dream. Vertaald en van een inleiding voorzien door Joscelyn Godwin. Thames & Hudson, 476 blz. ƒ159,20