Kennis is zang

Apollo bespeelde een lier met gouden plectrum, maar hoe het klonk weten we niet.

Ooit heeft voor het eerst muziek op aarde geklonken. Hoe? Een stem die zong? Iemand die een roffel sloeg met een stokje? Floot een man wat voor zich uit, blies een kind een onverwachte toon op een grasspriet? En was dat al `muziek'? Een wereld zonder enige muziek is bijna hetzelfde als een zonder mensen. Ook uit heel oude beschavingen zijn meestal wel beeldjes gevonden die iemand laten zien met een fluit of met een of ander snaarinstrument. Toch moet iemand voor het eerst een melodie hebben voortgebracht. Wie. Waarom.

De Griekse dichter Pindaros meende dat de goden, toen de wereld zo'n beetje klaar was en Zeus aan ze vroeg wat ze er van vonden, zeiden dat er iets ontbrak. ,,Hij (Zeus) heeft geen god gemaakt die in staat is de schoonheid van deze werken in woorden en muziek te bezingen en te prijzen en de roem en de glorie te verkondigen die recht doet wedervaren aan de heerlijkheid van de werkelijkheid.'' Daarop verenigde Zeus zich met Mnemosyne (het geheugen) en verwekte hij de Muzen.

Plato laat Socrates vertellen wat een omwenteling dat was. ,,Door de geboorte van de muzen en de ontdekking van het zingen raakten bepaalde mensen in die tijd blijkbaar zo buiten zichzelf van verrukking, dat zij alleen nog maar wilden zingen en niet meer dachten aan eten of drinken. Zo waren ze dood voor ze het in de gaten hadden.'' Uit die mensen zijn de cicaden ontstaan, die alleen maar zingen, tot ze doodgaan.

Zo is dat dus gegaan. Niet de mensen hebben iets uitgevonden: de muzen werden geboren en leerden de mensen te zingen, te dansen, te dichten en te vertellen en zichzelf daarbij te begeleiden op de fluit, de kithara, de lier, de tamboerijn. De muzen leerden de mensen niet zomaar muziek maken. Er was geen muze van `de muziek'. Muziek hoorde ergens bij, bij woorden vooral, of bij dans. Pas in de vierde eeuw voor Christus werd muziek een zelfstandige kunst. Tot die tijd dacht men als het om `muzenkunst' ging eerder aan woorden dan aan klanken.

Dit ontbreken van een muziekmuze is één van de opmerkelijke dingen waar Mythen, Mensen en Muziek, de tentoonstelling in het Amsterdamse Allard Pierson Museum, de bezoeker al snel op wijst. Weliswaar hebben de muzen nogal eens een muziekinstrument bij zich – op de tentoonstelling is een prachtig mozaïek te zien waarop zowel Erato als Terpsichore afgebeeld staan met een kithara – maar daar moeten we dus geen overhaaste conclusies uit trekken. Hun stem is onzichtbaar, maar belangrijk.

Wie dit eenmaal tot zich heeft laten doordringen, valt ook op dat van beroemde vervoerende muzikanten uit de Griekse mythologie en literatuur, zoals de Sirenen of Orfeus, vaak niet alleen gezegd wordt dat ze zo mooi musiceerden, maar dat er ook vaak bij wordt verteld waarover het ging. Als Orfeus op het schip de Argo zijn citer pakt, springen de vissen uit het water `en volgden hem al dansend op de waterwegen' schrijft Apollonius van Rhodos. Maar hij zegt er ook bij dat Orfeus `zijn mooi bedachte lied' zong `tot eer van Artemis'. Bij andere gelegenheden vertelt de `goddelijke zanger' over de lotgevallen van Apollo of over de oertijd van de aarde en doet daarmee iedereen tijd en plaats vergeten. Orfeus was dus niet alleen een groot musicus, hij was ook een begenadigd verteller. De tekst van zijn lied was zeker zo belangrijk als zijn muziek.

Odysseus

De sirenen die veel zeelui in het verderf stortten en Odysseus onvergetelijke ogenblikken bezorgden zongen evenmin alleen maar `ohohoo' en `lalalala'. Hun lied klinkt `honingzoet' maar ze beloven Odysseus niet louter muzikaal genot: `wij weten alles wat er gebeurt op de vruchtbare aarde'. Kennis! Als Odysseus zegt dat hij ernaar snakte om te luisteren, bedoelt hij ook dat hij graag wil weten wat er op aarde allemaal aan de hand is, op een manier die voor mensen normaal gesproken niet is weggelegd. De Argonauten ontsnappen aan deze verleiding doordat Orfeus zo luid op zijn citer begint te spelen dat de Sirenen niet meer te horen zijn.

Ook de muzen zingen er trouwens niet zomaar op los – in de Homerische hymne voor Apollo wordt van hen verteld dat ze `de eeuwige voorrechten van de goden en het ongelukkige lot van de mensen' bezingen. Zingen is vertellen. Weten.

Tot in de vijfde eeuw, de Griekse `gouden eeuw', de eeuw van de grote tragedieschrijvers en van politieke en economische bloei, moet muziek ondersteunend geweest zijn. Wat niet wil zeggen: onbelangrijk. Integendeel. Plato, die de nieuwe muziek die in zijn tijd ontstond `verwijfd' vond, `een lachwekkende en ongehoorde mengelmoes van dierlijke geluiden, de menselijke stem en allerlei soorten instrumenten' hield ook vol dat wie geen muzikale opvoeding had genoten in het geheel geen opvoeding had genoten. Daarbij leken hem vooral maat en harmonie van enorm belang, van muziek zou je gevoel voor verhoudingen leren. Het zal ook wel daarom geweest zijn dat hij sommige toonsoorten, de Frygische bijvoorbeeld, in het geheel niet waardeerde. Die klonk te frivool, te willekeurig, te opzwepend. Te weinig mannelijk en waardig ook, zoals de Dorische.

In de catalogus bij de tentoonstelling schrijft Hélène Nolthenius dat Plato's oordeel over de Griekse muziek, en vooral over de teruglopende kwaliteit ervan sinds de vierde eeuw voor Christus, door latere muziekhistorici klakkeloos is overgenomen. Die klagen daar tot op de dag van vandaag over, zo schrijft zij. Dat neemt niet weg dat de `nieuwe muziek' enorm populair werd en, zoals gezegd, zelfstandig. `Mousikè' betekende voortaan gewoon muziek. Niet vooral tekst.

Maar hoe klonk die nieuwe muziek nu? Of die oude? Tja. Dat is een ander onthutsend feit dat deze tentoonstelling ons leert: we weten het niet. Uit de hele oudheid, de tentoonstelling gaat ruwweg over de periode van de vijfde eeuw voor tot en met de vierde eeuw na Christus, is ongeveer twee uur muziek overgebleven. Dat wil zeggen: zo'n zestig documenten waarop muziek genoteerd staat die, uitgevoerd, ongeveer twee uur in beslag zou nemen. Negen eeuwen. Twee uur.

En die twee uur, daar hoeft niemand zich bij voor te stellen dat dat authentieke muziekpraktijk betreft. Allemaal – moeizame – reconstructie.

De Grieken gebruikten een muzieknotatie die in niets lijkt op de onze. Boven de teksten schreven ze letters die ze soms een kwartslag of een halve slag draaiden, soms verminkten, om er mee naar een bepaalde noot te verwijzen. Naar welke noot zou nooit iemand geweten hebben als er niet – `door een gelukkig toeval' zegt de catalogus terecht – zo'n twintig musicografische traktaten bewaard zouden zijn gebleven. Daaruit kan men niet alleen opmaken wat de muzikale tekens betekenden, maar ook binnen welk muzikaal systeem ze functioneerden. Het meest uitvoerige tractaat (van ca. 360 na Chr.) behandelt de Griekse toongeslachten – diatonisch, chromatisch en enharmonisch – en geeft toonladders die geografische namen dragen: Lydisch, Dorisch, Frygisch.

Op de tentoonstelling is een multimediaprogramma te zien dat probeert een indruk te geven van wat dat dan betekent, `diatonisch', `chromatisch', `enharmonisch'. Als vuistregel kan men onthouden: respectievelijk `simpel', `complex', `extreem'. `Altijd is Kortjakje ziek' klinkt diatonisch precies zoals wij het kennen, chromatisch interessant afwijkend, en enharmonisch verminkt op het valse af. Komt omdat ze dan met op elkaar volgende kwarttonen werken.

Auto

Muziek moet in het dagelijks leven in de oudheid een grote rol hebben gespeeld. Nergens zal ooit zoveel muziek geklonken hebben als in onze eigen wereld nu, waar uit elke winkel, elke auto, elk openstaand raam wel een flard klinkt, waar we in de wonderlijke gelegenheid zijn om op elk gewenst moment muziek te kunnen horen – daarbij vergeleken moet het in elk verleden stil geweest zijn. Desalniettemin liet men ook in vroeger tijden heel wat muziek horen: bij gelegenheden als bruiloften en begrafenissen, in de oorlog om soldaten op te zwepen, bij sportwedstrijden om de atleten aan te vuren, bij feesten, in de kroeg (als het drinklied toch niet bestaan had, dan hadden we wel veel minder muziek overgehouden uit allerlei streken en tijden), bij religieuze optochten en plechtigheden en bij tragedies en andere toneelspelen.

Er is wel verondersteld dat de tragedie de voorloper was van de opera, zoveel werd erin gezongen. Helaas, weg. Dat wil zeggen: vrijwel. Er zijn papyrusfragmenten gevonden met heel kleine stukjes muziek van Euripides, die, naar men nu veronderstelt, niet alleen een groot tragedieschrijver was, maar ook een vernieuwend componist. Wat zou je die muziek niet graag horen! Helaas zijn op de tentoonstelling zelfs die fragmentjes niet te beluisteren, het moet blijven bij het verlangend staren naar een vrijwel vergaan stukje papyrus, dat iemand met diepe bewondering vervult voor degenen die erin geslaagd zijn het te ontcijferen.

Niet alleen in het openbaar, ook privé moet er muziek gemaakt zijn. In zijn Agamemnon laat Aischylos het koor vertellen over het einde van Ifigeneia, Agamemnons dochter die door haar vader eigenhandig werd geofferd om een gunstige wind voor de Griekse vloot te bewerkstelligen. Het koor zingt over haar laatste momenten, over hoe ze de mannen die verzameld waren om het altaar smekend aankeek, mannen die ze kende `want zij had zo vaak/ in haar vaders zaal/ bij rijk gedekte tafels gezongen,/ aan het eind van het maal/ had de zuivere stem van de maagd/ voor haar dierbare vader/ lief en eerbiedig/ bij het lied om de zegen geklonken'. Dat was dus blijkbaar ook een gewoonte, zingend om zegen smeken. Wel anders dan het onverstaanbaar gemompelde `Here zegen deze spijze amen'.

De herders lieten met hun fluiten de bergen weerklinken, of ze maakten van een schaap een fijne doedelzak – de eenzame muziek van herders is wel een van de ontroerendste dingen om aan te denken. In het museum van volksinstrumenten in Athene, waar net als nu in Amsterdam via koptelefoontjes allerlei instrumenten te beluisteren zijn, kun je horen hoe herders zelfs hun kuddes stemden met behulp van de belletjes om de schapenhalzen, zodat kudde en herdersfluit een eenheid konden vormen. Dat, denk ik, deden ze in de oudheid vast ook al.

Klaagzang

De fluit hoort van oudsher bij de herder, zoals de lier of de citer bij Apollo hoort. Fluiten zijn volop te zien op allerlei afbeeldingen uit de oudheid, ook zijn er fluiten bewaard gebleven. Er is natuurlijk de panfluit, waarmee de bokkige herdersgod nogal eens wordt afgebeeld. Volgens de Homerische hymne aan Pan klonk hij prachtig: `Een vogel zou hem in welluidendheid niet overtreffen, een vogel die in de bloemrijke lente in het gebladerte kommervol de klaagzang van zijn zoetklinkende melodie laat horen.' De woorden `kommervol' en `klaagzang' worden niet voor niets gebruikt: op de tentoonstelling kan men een stukje panfluitmuziek horen en dat klinkt als iets uit het holst van de nacht, een dwergooruiltje dat roept terwijl in de verte iemand op een trommel slaat.

Behalve de panfluit is de `dubbelhobo' prominent aanwezig. Men kon op een enkele fluit, `aulos', spelen, en op een dubbele: `auloi'. Dat vraagt een ongehoorde blaaskracht, want de auloi hadden ook twee mondstukken die tegelijkertijd aangeblazen moesten worden. Geen wonder dat Athene schrok van haar eigen aanblik toen ze erop blies: bolle wangen, puilende ogen. Het geluid klinkt eerder als een doedelzak (wat trouwens ook wel veel makkelijker zou zijn, die twee fluiten gewoon met een blaasbalg aan de gang houden in plaats van met de eigen wangzakken).

Athene wierp de auloi weg, de herder of sater Marsyas raapte hem op. Daar is een afbeelding van te zien. Ook van Marsyas vlak voor het verschrikkelijke lot hem trof. Hij werd namelijk zo goed op die fluit dat hij besloot Apollo uit te dagen voor een muziekwedstrijd: Apollo op zijn lier, Marsyas op zijn fluit. Op een marmeren reliëf zit Apollo links, in een mooi gewaad, glad gezicht, lang haar in een soort vlecht, een enorme kithara op zijn knieën. Rechts staat Marsyas, een gespierde naakte man met een woeste baard die zo te zien zijn dubbelhobo flink laat klinken. Tussen hen in staat een Skyth met een mes. Hij is degene die zo meteen, als Marsyas verloren zal blijken te hebben – van een god valt immers niet te winnen – de straf zal voltrekken: de uitdager wordt levend gevild. Volgens andere versies van dit verhaal doet Apollo het zelf, dat villen.De Poolse dichter Zbigniew Herbert schrijft in zijn gedicht `Apollo en Marsyas' hoe Marsyas uiteindelijk in zekere zin toch nog de overwinning behaalt: de bloedstollende kreet die hij slaakt is onverdraaglijk voor `de god met de kunstvezelzenuwen'.

Het is een smerig en onsympathiek verhaal over Apollo, de god die juist van het `niets te veel' zou zijn, de god van harmonie, orde, schoonheid. Hij is nog niet geboren of hij vraagt al naar zijn lier waarop hij `met gouden plectrum' begint te spelen terwijl hij danst `met sierlijke hoge danspassen'. Volgens de Homerische hymne aan Hermes is het niet Apollo maar juist deze brutaalste aller goden die de lier uitvindt. Nog in luiers gewikkeld kruipt de kleine Hermes rond als hij een schildpad ziet. `Gegroet lieflijk wezen dat bij het dansen getokkeld wordt' zegt de kleine meteen en voor de schildpad weet wat hem overkomt heeft Hermes hem `met het talent hem eigen' verbouwd tot een lier. Als Apollo zijn jongere broer op dit nieuwe instrument hoort spelen wordt hij overweldigd door verlangen om ook zo te kunnen spelen. `Een steun bij ongeneeslijke zorgen!' roept hij uit. `Drie zaligheden zijn hier echt tezamen: welbehagen, zielsgenot en zoete rust, naar keuze.' Omdat Hermes nog iets goed te maken heeft bij Apollo schenkt hij hem de lier.

De trommel en andere slaginstrumenten horen bij Dionysos, de Dreuner. Zijn volgelingen slaan graag op trommels en tamboerijnen en, zoals Euripides schrijft in Bakchanten: `Bij heftige Bakchische dansen/ vermengden zij hem met de heerlijk/ klinkende adem van Frygische fluiten'. Ze zullen dan ook wel in de opzwepende Frygische toonaard gespeeld hebben om goed in de stemming te komen om weer eens iemand aan stukken te scheuren. Bakchanten doen niets liever. Orfeus zelf is door ze uit elkaar gerukt. Sommigen beweren dat zijn hoofd nog bleef zingen toen het al los van zijn romp lag. Het lijkt een harde botsing tussen het Dionysische en het Apollinische, want Orfeus en Apollo, die zijn bijna dezelfde. Orfeus heeft het van Apollo geleerd, dat spelen op die lier, zelfs wordt wel beweerd dat Apollo zijn vader was. Ook Apollo kon de wilde dieren stil krijgen – of hij, zoals Orfeus, zelfs eiken zo kon ontroeren dat ze hem volgden is niet bekend.

Het is een veel afgebeelde scène, die van Orfeus met de wilde dieren. In het Allard Pierson Museum hangen twee van zulke afbeeldingen: een antiek mozaïek en een schilderij van een zekere J. Roos uit 1614, waarop we Orfeus onder meer een kakatoe zien betoveren door zijn schitterende spel op een enorme cello. Het is een dwaas gezicht maar het laat wel zien wat Plato al wist: ,,Niets dringt zo diep in het innerlijk door en heeft zo'n sterke greep op de psyche als maat en melodie.''

Jammer dat de muziek die zo'n greep heeft gehad op zíjn psyche verloren is gegaan. Voor de mythe is het wel beter: wie weet hoe vreselijk we de enharmonische geluiden van Orfeus gevonden zouden hebben. Dan kunnen we misschien beter naar Monteverdi of Gluck luisteren die zijn `luid getokkel' in hun opera's opnieuw tot leven hebben gebracht.

Mythen, Mensen en Muziek. T/m 12 maart 2000 in Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam. Open: di t/m vrij 10-17 uur, za/zo 13-17 uur. Van 1 april t/m 18 juni 2000 in Museum Het Valkhof in Nijmegen.