Karl Popper: The Open Society and Its Enemies, 1945

Een telegram van drie woorden bracht Karl Popper in 1943 bijna in de problemen. `Vind vijanden beter', had hij zijn uitgever geschreven, waardoor een Britse censor meende met een bericht van een heimelijke nazi-sympathisant te lezen. Niets was minder waar: in het telegram maakte Popper slechts bezwaar tegen het voornemen van Routledge zijn manuscript uit te brengen als `The Open Society and Its Opponents'. Het laatste woord was hem te gematigd. Popper schreef niet tegen een `tegenstander', maar tegen de `vijand'.

De publicatie van The Open Society and Its Enemies, zoals het boek in 1945 van de persen rolde, was een zaak van levensbelang voor Popper (1902-1994). In 1937 was de in Wenen geboren filosoof naar een Nieuw-Zeelandse universiteit vertrokken. Een halve aardbol van het brandende Europa verwijderd, schreef hij zijn verdediging van de `open', democratische maatschappij, met een radicale aanval op de wortels van het kwaad: de totalitaire tendensen in het werk van Plato, Hegel en Marx.

In een bijdrage aan de bundel Popper's Open society after 50 years. The continuing relevance of Karl Popper (Routledge, 1999) vertelt kunsthistoricus Ernst Gombrich over de publicatie van het manuscript. In 1943 schreef Popper zijn vriend Gombrich in Londen. `Ik meen dat dit boek actueel is en dat publicatie ervan dringend is, voor zover men dat kan zeggen in een tijd waarin het enige werkelijk dringende het winnen van de oorlog is'. Nadat Gombrich had toegestemd Poppers belangen te behartigen ontving hij diens zevenhonderd pagina's dikke manuscript met een aanbevelingsbrief, een lijst van zeventien uitgevers op volgorde van wenselijkheid en nog drie pagina's instructies voor Gombrich zelf. Een week later had Popper de volgorde van de uitgeverijen veranderd. Er volgden nog 95 brieven met aanwijzingen. Bij de publicatie in 1945 kon Popper het resultaat hoogstpersoonlijk bewonderen: hij was zojuist benoemd tot hoogleraar aan de London School of Economics.

Zijn polemische boek werd onmiddellijk herkend als een klassieke verdediging van de westerse liberale democratie. In het voorwoord bij de tweede druk schreef Popper dat de toon wellicht wat emotioneler en strenger was geworden doordat het in oorlogstijd werd geschreven. Inderdaad is The Open Society een emotioneel boek: vooral het eerste deel, `The Spell of Plato', is geschreven met de tomeloze - en machteloze - woede van een balling die uit de verte de beschaving bedreigd ziet.

In het eerste deel wijst hij als voornaamste vijand van de `open maatschappij' het historicisme aan, de gedachte dat in de studie van het verleden historische wetmatigheden te ontdekken zijn en dat de maatschappij zou moeten worden ingericht op basis van die vermeende wetten. Poppers houding tegenover het historicisme - waarvan hij de erfenis herkent in het marxisme met zijn wetmatige `mars der geschiedenis' - is er een van `openlijke vijandigheid'. En, schrijft hij, hoezeer hij bewondering koestert voor grote delen van het werk van Plato, hij is vastberaden om de misdadige elementen in diens sociale filosofie te vernietigen.

Waarna hij in een weergaloos en ziedend betoog van tweehonderd pagina's precies doet wat hij beloofde. Hij valt de vijand op alle fronten aan. Plato's ideale staat, zoals beschreven in De Wetten, is een statische maatschappij, die onvermijdelijk uitloopt op onderdrukking van mogelijke veranderingen. Plato propageert een `gesloten staat', hij behandelt de burgers als `menselijk vee' dat een leider behoeft en komt uiteindelijk met zichzelf, de filosoof, als de ideale voornam op de proppen. In de beschrijving van het onderwijs zoals dat in de ideale staat zou moeten worden gegeven is zo'n centrale rol toegekend aan gehoorzaamheid, dat het uitdraait op een aanval op de kritische geest en de vrijheid van meningsuiting. In zo'n `ideale staat' had Plato's leermeester Socrates zich waarschijnlijk niet eens in het openbaar mogen verdedigen, suggereert Popper vilein. De maatschappij waar Plato op mikt, één waarin het staatsbelang geldt als het hoogste goed, komt neer op een terugkeer naar een oude, predemocratische kastenmaatschappij. Maar een dergelijke regressie moet volgens Popper wel rampzalig aflopen: `There is no return to a harmonious state of nature. If we turn back, then we must go the whole way - we must return to the beasts'. Het nostalgische heimwee naar een ideale staat ontpopt zich als een enkeltje barbarij.

Popper schuwt weinig middelen in zijn aanval. Hij verwijt Plato retorische trucs die hij vervolgens zelf evenzeer gebruikt en herhaalt zijn stellingname wel erg vaak. Hij schrijft of Plato niet alweer zo'n 2500 jaar dood is, maar nog steeds springlevend èn aan de macht. Nu was de vijand in 1943 ook werkelijk aan de macht; Popper noemde The open society zijn bijdrage aan de bestrijding van het fascisme.

Vergeleken met de tirade tegen Plato is het tweede deel, `The high tide of prophecy: Hegel, Marx, and the aftermath', relatief kalm. Hegel was volgens Popper weliswaar een levensgevaarlijke oplichter, een hysterische geschiedfilosoof die zijn ideeën aanpaste aan de heerser bij wie hij in het gevlei wilde komen, maar na zeventig bladzijden heeft Popper eigenlijk al niets meer over hem te zeggen. Marx wordt nog een stuk omzichtiger behandeld, ook al omdat Popper Marx ziet als de enige oprechte filosoof onder de vijanden van de open maatschappij. Maar uiteindelijk lopen de ook door Popper erkende verdiensten van Marx schipbreuk op diens geloof in historische wetmatigheden.

Omdat Popper, die als scholier in Wenen nog drie maanden overtuigd marxist was, minder woedend is op Marx dan op Plato of Hegel, komt in het laatste deel duidelijk naar voren hoe nauw Poppers politieke filosofie samenhangt met zijn beroemde wetenschapsfilosofie. Al in Logik der Forschung (1934) had hij zijn `falsificatieprincipe' geformuleerd, dat vooral in de sociale wetenschappen nog steeds populair is: de wetenschap moet zich niet inspannen om steeds weer nieuw bewijsmateriaal te zoeken om een theorie te verifiëren, maar moet juist proberen de eigen hypothesen te ontkrachten. Alleen door falsificatie komt de wetenschap stapje voor stapje verder. Een absolute zekerheid is onhaalbaar, een mens komt nooit verder dan hypothesen.

Ook het marxisme, en elke andere zoektocht naar historische wetmatigheden, kan nooit verder komen dan voorlopige hypotheses, en mag als wereldbeeld nooit boven het recht en belang van het individu worden gesteld. Het voorlopige karakter van alle kennis maakt dat de mogelijkheid tot geleidelijke hervorming en verandering in de maatschappij ingebouwd moet zijn. Gesloten wereldbeelden en maatschappij-idealen zijn altijd gevaarlijk: die gedachte ligt ten grondslag aan Poppers kritiek op Marx én aan de woeste aanval op Plato.

The open society and its enemies werd in twintig talen vertaald en maakte Popper in één klap wereldberoemd. Maar er kwam ook verzet: vooral zijn onbarmhartige behandeling van Plato werd fel bekritiseerd. Meer dan toegeven dat hij het allemaal misschien wat emotioneel had opgeschreven, deed Popper echter niet. Aan politieke filosofie leverde Popper na het succes van The open society niet meer. Hij hield zich voornamelijk bezig met wetenschapsfilosofie, al had het waarschijnlijk veel met zijn nieuwverworven roem te maken dat Logik der Forschung in 1959 eindelijk in het Engels werd vertaald.

Popper werd oud genoeg om de marxistische tijdgeest van de jaren zestig en zeventig te overleven en uiteindelijk in 1989 de val van de Muur mee te maken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in 1995 juist in Praag de bijeenkomst werd gehouden om de vijftigste verjaardag van The open society te vieren. Daar werd men, geheel in de geest van de pas overleden Popper, aangespoord hem toch vooral te bekritiseren, zo blijkt uit de bundel Popper's Open Society. Vooral uit de stukken over het voormalige oostblok spreekt twijfel: de gesloten maatschappijvorm is verdwenen, maar de nieuwe `open' samenleving brengt nog lang niet het verhoopte algemene geluk. En het voormalige Britse parlementslid Bryan Magee, een filosoof, moet toegeven dat hoezeer men zich ook achter de ideeën van Popper opstelt, men zich in de alledaagse politiek toch regelmatig schuldig maakt aan vormen van historicisme. Waarschijnlijk zit de kracht van Poppers betoog in de nabijheid van de vijand. Door met Plato de (ook volgens hemzelf) grootste filosoof uit de geschiedenis te presenteren als een man die ons dreigt terug te leiden naar de dierlijke staat, wordt duidelijk hóe dichtbij het gevaar is. En dus hoe urgent de tegenaanval als de vijand de kop dreigt op te steken.

Karl Popper: The Open society and its enemies. The Spell of Plato (I) en The high tide of prophecy. Hegel, Marx, and the aftermath (II), Routledge 1999, samen ƒ135,20 (pbk)