`Ik wilde Japanse worden'

Een tragikomische nachtmerrie, zo wordt de laatste roman `Stupeurs et tremblements' van Amélie Nothomb genoemd over het kantoorleven van een Europese in Japan. Een interview met de winnares van de Grand Prix du Roman de l'Académie française.

Amélie Nothomb is een onorthodoxe dame. Onlangs droeg ze, in het televisieprogramma van Bernard Pivot, een torenhoge, zwarte tovernaarshoed, waarmee ze de andere gasten danig van hun apropos bracht. In het Parijse pand van haar uitgeverij, Albin Michel, ontvangt ze mij in een lang, zwart gewaad. Ze is broodmager en onopgemaakt. Haar zwarte haren zwieren om haar wespentaille. Op goed geluk stuift ze een verlaten kamer binnen – het is lunchtijd –, grijpt twee bureaustoelen en installeert zich. De werknemers die, even later, hun werkplek weer willen innemen, keurt ze geen blik waardig, waarop ze wat bedremmeld weer verdwijnen.

Nothomb (32) is de ster van de uitgeverij. Ze heeft de Belgische nationaliteit, maar bracht het grootste deel van haar leven door als ambassadeursdochter in Zuidoost-Azië. Voor haar achtste roman, Stupeurs et tremblements kreeg ze onlangs (ex aequo) de Grand Prix du Roman de l'Académie française. Het is een in de ik-persoon geschreven, hilarisch verhaal, vol dialogen, waarin de uit Europa afkomstige Amélie-san (juffrouw Amélie) verslag doet van haar werkervaringen bij de Japanse multinational Yumimoto. Op 8 januari 1990 treedt Amélie-san aan als tolk en vertaalster. Een jaar later, op 7 januari 1991, verlaat zij de firma – als toiletjuffrouw. Het relaas van haar vernederende degradatie leest als een tragikomische nachtmerrie. De eerste en enige brief die zij in het Japans moet opstellen verdwijnt ongelezen en zonder commentaar in de prullenbak. Bij het rondbrengen van de koffie krijgt ze opdracht net te doen alsof ze geen Japans verstaat. Al gauw weet men niet meer wat te verzinnen om haar bezig te houden. Stapels documenten, die zij zorgvuldig heeft gekopieerd, worden voor haar ogen vernietigd. Uit zichzelf begint ze de interne post rond te brengen en kalenders van de juiste datum te voorzien – ongevraagde initiatieven die haar op reprimandes komen te staan. Haar directe baas, de beeldschone Mori Fubuki, blijft ondoorgrondelijk en in plaats van haar ondergeschikte in te wijden in de geheimen van de Japanse arbeidsmoraal, hult zij zich in een minachtend stilzwijgen. Amélie-san lijkt terechtgekomen in de groteske, karikaturale wereld van Ubu Roi of van Godot – een lege, humorloze wereld van absurdistische hiërarchie.

``Mijn boek is helemaal autobiografisch'', zegt Nothomb, ``ik beschrijf de bureaucratische absurditeit die ik in Japan aan den lijve heb ondervonden. Hier bestaat die net zo goed. Wij werken wat minder, maken minder lange dagen, maar ik denk dat het boek zo'n succes heeft omdat mensen zich erin herkennen. Hoeveel mensen worden er niet door hun werkgevers verpletterd? In Japan wordt het nemen van initiatief beschouwd als een misdaad. Er wordt maar hoogst zelden iemand ontslagen, omdat dat gelijk staat met een doodsvonnis. Daar deinzen zelfs Japanners voor terug. Het bedrijf waar een Japanner werkt is belangrijker voor hem dan zijn familie. Werk is zijn identiteit. Werk is alles.''

Nothomb is in Japan geboren en woonde er tot haar vijfde jaar. ``Het Japan van mijn kinderjaren heeft mij betoverd'', vertelt zij, ``Ik woonde in een schitterend bergdorp in het zuiden, in een puur, idyllisch prentenlandschap. Ik behoor tot de mensen die verknocht zijn aan hun vroegste kindertijd. Kinderen onder de drie jaar worden in Japan als godheden behandeld. Ik had twee Japanse gouvernantes die voor mij vlogen. Ik weet nog hoe heerlijk ik dat vond. Toen ik op vijfjarige leeftijd naar China verhuisde, was dat een verschrikkelijke schok. Ik heb mijn hele jeugd en puberteit naar Japan terugverlangd. Pas op mijn éénentwintigste, na mijn studie in Brussel, ben ik teruggegaan, voor een cursus zakelijk Japans aan de universiteit van Tokio. Het jaar daarna was het jaar dat ik beschrijf in Stupeurs et tremblements. Je moet je voorstellen dat ik er wilde blijven, dat ik Japanse wilde worden. Ik was verloofd met een Japanner en van plan carrière te maken als tolk. Nooit had ik kunnen denken dat men mij zou verbieden Japans te spreken, dat men mij zou degraderen tot dame pipi. Natuurlijk hoopten ze dat ik ontslag zou nemen, maar dat is in Japan hetzelfde als je eer verliezen. Dat gunde ik hen niet.''

In haar afrekening met Japan spreekt Nothomb cynisch haar bewondering uit voor alle Japanse vrouwen die geen zelfmoord plegen. ``Meisjes worden zo opgevoed dat ze nergens van kunnen dromen. Ze leren dat ze maar één ambitie mogen hebben: hun familie niet te schande te maken. Dan hebben ze recht op een plaats in het familiegraf – voorwaar, een geweldig doel in je leven. Het gedrag van een vrouw moet onbesproken zijn, haar gezicht uitdrukkingsloos, haar lichaam mager, haar stem zacht. Vrouwen worden ervan doordrongen dat ze niets voorstellen, dat ze geen enkele hoop hoeven te koesteren op liefde, op levensvervulling. Mannen staat men een minimum aan idealisme toe. Vaak wordt er gedacht dat Japan verandert, omdat studenten tussen hun achttiende en vijfentwintigste jaar ongelofelijk losgeslagen en revolutionair zijn. Maar het zijn de enige vrije jaren die een Japanner in zijn leven kent! Dus springt hij uit de band. Hij kleedt zich excentriek, gedraagt zich gewelddadig. Zodra hij, na zijn studie, een baan vindt – en dat is heel gemakkelijk – past hij zich weer aan. Terug in de groep. Terug naar het driedelige kostuum. Voor iedere vrouw een Vuitton-tas. In het Japans is het woord voor alleen hetzelfde als dat voor wanhopig, wist u dat?''

Veel van Nothombs boeken variëren op het thema van La belle et la bête, de onmogelijke verzoening tussen lelijkheid en schoonheid. Al in haar debuutroman, Hygiène de l'assassin, probeert een oude, vette, monsterachtig lelijke Blauwbaard een jonge, beeldschone onschuld de duimschroeven aan te draaien. ``In mijn boeken onderhouden schoonheid en lelijkheid vaak een sadistische relatie met elkaar, maar dat geldt eigenlijk voor al mijn personages. Zet een paar mensen in een kleine ruimte en je ziet dat ze binnen de kortste keren een perverse, gewelddadige, sadistische of sadomasochistische relatie met elkaar hebben. Alleen zo kun je menselijke verhoudingen begrijpen. Misschien is het mogelijk met één persoon een relatie op te bouwen die daaraan ontsnapt, maar daar heb je heel veel talent voor nodig, heel veel tolerantie, innerlijke beschaving en liefde.''

Voor Amélie Nothomb is de kindertijd de enige periode waarin een mens volledig, hartstochtelijk en vol overgave leeft. ``Schrijven is voor mij de voortzetting van mijn kindertijd met andere middelen. Vier uur per dag leef ik mij uit: ik lach, ik speel, ik ontdek, ik voel me vrij als een kind. Schrijven is een fantastisch vak. Het is voor mij een noodzaak, een meer dan heilzame vorm van afreageren.''

Met uitzondering van haar debuutroman, bestaan haar boeken voor het grootste deel uit dialogen, waardoor je soms de indruk hebt een toneelstuk te lezen. ``In mijn hoofd zitten twee personen die elkaar niet kunnen uitstaan en elkaar voortdurend aanvallen'', zegt Nothomb, ``het is een soort paranoia, waarbij de een de ander wantrouwt en tegenspreekt. Het is heel ontregelend, vooral als je zoals ik aan slapeloosheid lijdt. Paranoia veroorzaakt een heftige, maar erg creatieve angst. Het is een formidabele motor voor je verbeelding.''

In Hygiène de l'assassin, haar `literaire manifest', beschrijft Nothomb een idyllische jeugdliefde in een arcadisch landschap. Een jongen en een meisje besluiten op te houden met eten, uit weerzin tegen de volwassenheid. ``Het is precies wat ik beleefd heb met mijn zus Juliette'', vertelt Nothomb, ``we hielden van elkaar, wilden voorkomen dat we ooit van elkaar gescheiden zouden worden. Om kind te blijven, aten we niet meer. Juliette was zestien, ik dertien. Ik ben van mijn anorexia genezen, mijn zus lijdt er nog steeds aan. Voor haar ziekte, was Juliette de schrijfster van ons tweeën. Maar sinds haar zestiende heeft zij nooit meer een letter geschreven. Op dat moment heb ik het van haar overgenomen. Mijn zus en ik vormen de twee helften van één persoon. Zij leest wat ik schrijf. Ik eet wat zij kookt. Ze is een geweldig creatief kok geworden. Verbazingwekkend, vindt u ook niet?''

Amélie Nothomb: Stupeurs et tremblements. Albin Michel, 175 blz. ƒ40,05. (Nog niet vertaald). De boeken van Amélie Nothomb verschijnen in het Nederlands bij uitgeverij Manteau.