Geplaagd agitator voor vrij Indië

In het Indonesische pantheon van staatshelden prijkt de naam van één Nederlander: Ernest Douwes Dekker. Althans, hij figureert er met zijn Indonesische naam, die hij aan het slot van zijn leven aannam: Danudirdjo Setiabuddhi. In 1961 riep president Soekarno hem uit tot pahlawan kemerdekaan nasional, nationale vrijheidsheld. Soekarno roemde hem als de `vader van Indonesië's nationalisme'. Hij had altijd ontzag gehad voor Douwes Dekker, die hij als een mentor beschouwde en wiens intellect en demagogische vaardigheden hij bewonderde.

Douwes Dekker was tijdens zijn leven controversieel, daarna verkeerde hij in een historiografisch niemandsland. Hoewel hij wordt beschouwd als voorloper van het Indonesisch nationalisme, waagde nog niemand zich aan een levensbeschrijving. Dikwijls leest men dat Multatuli zijn oudoom was, maar deze familieband deed er juist voor Ernest weinig toe. Om zijn gedrag en activiteiten te verklaren, wordt Douwes Dekker vaak `eigenzinnig' genoemd – een luie biografentruc, want de term verklaart niets. Je zou zeggen dat Indonesië zich DD, zoals zijn roepnaam luidde, biografisch wel had kunnen toeëigenen, maar uiteindelijk schreef de Nederlandse journalist Frans Glissenaar een handzame biografie van deze veel beschimpte en slecht begrepen figuur. We worden gefascineerd door de rusteloze Douwes Dekker, maar staan aan het slot toch nog met lege handen. DD is ons weer ontglipt.

Nu wás Douwes Dekker ook een moeilijk te plaatsen figuur, die zijn ongrijpbaarheid evenzeer te danken heeft aan de verdachtmakingen en mythevorming als aan zijn grillige levensloop. Sommigen eerden hem als strijder voor de belangen van de Indo-europeanen; anderen als Indonesisch nationalist. Voor de Nederlands-Indische regering was hij een staatsgevaarlijke en gezagsondermijnende figuur. Hij werd uitgemaakt voor idealist, avonturier, romanticus, charlatan, communist, kortom: een lastpak.

Zijn leven is het verhaal van de pogingen de sociale en raciale scheidslijnen in Indië – die in de wet waren verankerd – te overbruggen. Hij was een van de weinigen die, als Europeaan in Indië geboren, zich onvoorwaardelijk bij de Indonesiërs aansloot. Met zijn snijdende pen rammelde Douwes Dekker aan het koloniale bouwwerk en wist hij de autoriteiten de stuipen op het lijf te jagen. Hij kreeg zijn trekken thuis. Zo'n elf jaar van zijn leven bracht hij door achter tralies en prikkeldraad.

Onrecht

Douwes Dekker zag zichzelf als `Indiër', later Indonesiër; maar Du Perron vond hem meer Europeaan dan Indo. Volgens de raciale indeling die in zijn tijd werd gehanteerd, was hij een Indo-europeaan: zijn grootmoeder van moederszijde was Javaanse. Wat hem werkelijk tot Indo-europeaan maakte, was zijn innerlijk conflict tussen trouw aan de Nederlandse kolonisator en solidariteit met het geboorteland. Aanvankelijk toonde Douwes Dekker zich een goed Nederlands patriot. In de jaren negentig leefde hij sterk mee met de Nederlandse expeditielegers op Lombok. Zijn eerste politieke daad stelde hij in 1900, toen hij naar Zuid-Afrika vertrok om aan de kant van de Boeren – ook loten aan de Nederlandse stam – tegen de Engelsen te strijden.

Na zijn thuiskomst in Indië in 1902 begon hij als journalist kabaal te maken tegen het sociale onrecht in de kolonie. Tussen 1908 en 1913 beleefde Douwes Dekker zijn hoogtepunt als voorman van de hervormingsbeweging. In deze jaren afficheerde hij zich nog sterk als Indo-europeaan, hing vage theorieën aan over nut en nadeel van rasvermenging, en zette zich in voor de verbetering van de maatschappelijke positie van de Indo-europeanen. Het was ook het tijdperk waarin hij woordvoerder werd van `Aansluiting tusschen blank en bruin', zoals de titel van een lezing voor de Indische Bond in 1911 luidde. Hij hield het gehoor van vooral Indo-europeanen voor dat zij zich met de Indonesiërs moesten verbinden om het koloniale onrecht uit te bannen. Niet veel later richtte DD de Indische Partij op, waarin hij Indonesiërs en Indo-europeanen in hun streven naar rechtvaardig bestuur wilde verenigen. Het Nederlands-Indische gouvernement weigerde de partij te erkennen.

In 1913 werd Douwes Dekker naar Europa verbannen. Hij kwam er in contact met militante Indiase nationalisten en hij keerde in 1918 onverzoenlijker in Indië terug dan hij was vertrokken. Predikte hij in 1911 nog een verbond tussen blank en bruin, na zijn terugkeer was de zaak voor hem helder: Indië moest onafhankelijk worden. Douwes Dekker zag in dat de Indo-europeanen nooit een zelfstandige positie konden innemen. Het beperkte klassebelang van de Indo-europeanen ging hem niet ver genoeg. Het wezenlijke conflict was dat tussen Nederland en Indië; de inzet overheersing of onafhankelijkheid. De Indo-europeaan moest kiezen, en wel voor zijn geboorteland, want uiteindelijk was de Indo meer oosterling dan Europeaan.

In 1919 stichtte DD de Nationaal Indische Partij, die net als haar voorganger alle groepen moest verenigen en ook prompt door de regering werd verboden. De meeste Indo-europeanen waren toen trouwens al afgehaakt: zij opteerden voor het Indo-Europeesch Verbond, dat zich richtte op de sociale emancipatie van de Indo's. Het verbod van zijn partij en de conciliante houding van de Indo-europeanen jegens het Nederlandse bewind moeten Douwes Dekker diep hebben gefrustreerd. Wat hem nekte waren twee rechtszaken in 1920 wegens opruiing en haatzaaien, waarvoor hij een jaar in de gevangenis zat. Daarna trok hij zich terug uit het publieke leven en werd kippen- en hondenfokker, met blijkbaar hetzelfde elan als waarmee hij politiek had bedreven. Hij stichtte de Indische Schaapherdershond Vereeniging en het tijdschrift De hond in de tropen. Het enige verband met zijn voorgaande activiteiten was dat hij zich ook daarin aan allerlei theorieën van rasvermenging verlustigde.

In de politiek dichtgetimmerde atmosfeer van de jaren twintig en dertig zon DD op andere middelen om zijn denkbeelden uit te dragen. Hij zwoer de politiek af en richtte zich op het onderwijs. Hij startte een eigen school, het Ksatrian-instituut, waar hij Indonesische kinderen opvoedde in het ideaal van zelfstandigheid. In navolging van Japan wilde hij het Westen met de eigen middelen bestrijden: met gebruik van westerse didactiek en leerstof. DD zag in het moderniserende Japan een lichtend voorbeeld voor Indonesië. Bovendien sloot de Japanse kreet `Azië voor de Aziaten' nauw aan bij zijn `Indië voor de Indiërs'.

Zijn pro-Japanse houding maakte Douwes Dekker bij de regering natuurlijk uitermate verdacht. Begin 1941 werd hij gearresteerd en vlak voor de Japanse inval naar Suriname getransporteerd en geïnterneerd. Pas in 1947 keerde hij clandestien terug in zijn geboorteland. Hij werd door president Soekarno feestelijk ontvangen en kreeg spoedig de functie van staatsraad in het derde kabinet-Sjahrir (1946-1947). DD had gekozen voor Indonesië, maar de vervulling van zijn ideaal verblindde hem niet. De corruptie en het gekonkel in de jonge Republiek waren hem een gruwel. Ten slotte was de polariserende houding van de Indonesische Republiek in de onderhandelingen met Nederland in juni 1947 voor hem aanleiding voor ontslag. Hij stierf in zijn oude woning in Bandoeng in augustus 1950.

Reclameman

Na lezing van de biografie blijven vele vragen openstaan. Niet zozeer omtrent DD's daden – daar schreef hijzelf uitgebreid over; hij sloeg uit elke daad publicitaire en politieke munt –, maar vooral over zijn motieven. Frans Glissenaar leunt sterk op de geschriften van Douwes Dekker zelf, die nu eenmaal niet uitblonk in zelfanalyse. Al met al is de psychologische diepte gering en blijft de eerste taak van de biografie, ons een leven begrijpelijk te maken, onvervuld.

DD's leven speelde zich af tussen beeld en daad en het is niet gemakkelijk de twee te scheiden. Willem Walraven, de woordenrijke brompot uit Malang, vond Douwes Dekker `veel te commercieel voor een idealistisch strijder'. Als zo vaak treft Walraven doel. DD was een soort reclameman in radicale boodschappen, wiens belang niet zozeer lag in de concrete vruchten van zijn werk, maar in zijn rol als agitator. Zijn propaganda voor de associatie van blank en bruin kon niet beklijven. Die gedachte kwam slechts voort uit het Indo-europees loyaliteitsdilemma, werd door de meeste Indo-europeanen als oplossing afgewezen en deed er uiteindelijk ook voor de Indonesiërs weinig toe.

Toch is Douwes Dekker bepalend geweest voor de generatie nationalisten die na 1910 actief werden. Als eerste propageerde hij het idee van een moderne Indische natie, die – in tegenstelling tot het particulier belang van de Javaanse emancipatiebewegingen – de gehele archipel moest omspannen. Zijn verzet tegen het gouvernement, dat hem op ieder terrein trachtte tegen te werken, vereiste forse doses moed en doorzettingsvermogen. Bovendien was het Douwes Dekker, meer dan welke andere nationalist ook, die de mensen in beweging kon brengen. In die zin kende hij slechts zijn meerdere in Soekarno.

Douwes Dekker werd geboren als Nederlander; hij stierf als Indonesiër. Maar zijn Indonesiërschap had iets te nadrukkelijks, met de naamsverandering en `Indonesisch' tenue van sarong en kopiah. Besefte hij dat er grenzen waren aan zijn etnische metamorfose? Zijn laatste grote publieke optreden vond plaats op 1 februari 1947 in Djokjakarta. Hij sprak er voor een nationaal congres van Indo-europeanen. Sprekend in het Nederlands, zei hij dat de Indo moest verdwijnen en moest opgaan in de Indonesische samenleving. Zou de ironie dat juist hij, als Indo-europeaan, deze boodschap moest verkondigen hem zijn ontgaan?

Frans Glissenaar: D.D. Het leven van E.F.E. Douwes Dekker. Verloren, 246 blz. ƒ49,-