Geluk in de crypte

Vraag ik mij af waarom ik graag Brakman lees, dan is dat vanwege de tragiek. Om te beginnen is er de tragiek van zijn reputatie. Hij heet een moeilijk schrijver te zijn. Hij heeft zijn trouwe lezers, al of niet deel uitmakend van een genootschap, maar daarbuiten is het wat stil. Er lijken maar twee mogelijkheden te zijn: men verheugt zich op een nieuwe Brakman of men haalt er al bij voorbaat de schouders over op.

Dat laatste is misschien begrijpelijk, maar ook treurig, omdat alles in zijn werk er juist zo op gericht is om contact te maken. Of hij daar vervolgens ook in slaagt, is natuurlijk de vraag. Wat de een als een vervelende verstoring van het verhaal ziet, is voor de ander juist een bewijs van de meesterhand. Bij Brakman treedt er regelmatig een verteller naar voren die duidelijk maakt dat wij hier niet met de echte wereld, maar met een wereld van papier te maken hebben. Enige aanwijzingen over mijzelf, zo wordt de lezer dan ineens rechtstreeks toegesproken, tussen de verhalende bedrijven door. Of, een andere manier om de onzichtbaarheid van de verteller op te heffen: Zie toch mijn haar dor en vol klitten en plukken. En toch was ik eens jong en sterk als u, draaide het roer naar `t westen en droomde van kopersmelten en diamantslijpen.

Dit zijn citaten uit De koning is dood, de nieuwe roman van Brakman. Er wordt veel in gepraat, als het moet zelfs vanuit het graf. Ik kan mij voorstellen dat al dit gepraat, dat zich aan de toehoorders niet al te veel gelegen laat liggen, niet aan iedereen besteed is. Het heeft ook beslist iets dubbelzinnigs. Van Brakman zelf is bekend dat hij wel eens lezingen bijwoont met oordoppen in. Daar verdenk ik zijn personages ook wel eens van. Ze willen dolgraag met iemand praten, maar worden liever niet al te veel afgeleid van hun eigen gedachten. Een vleug autisme is Brakmans personages niet vreemd, maar de stilistische kwaliteit van zijn verbale erupties weegt op tegen de asociale kanten ervan. De dialogen van Brakman zondigen op een verfrissende manier tegen de normaal geachte omgangsvormen. Als de hoofdpersoon van De koning is dood een onbekende op het dak van zijn huis aantreft, dan krijgt hij geen antwoord op de voor de hand liggende vraag wat de man daar te zoeken heeft. Een veel te directe vraag, mon cher, zegt de insluiper superieur, geloof mij, al wat u overslaat is voorbereiding, inleiding, exposé, voorwerk, doorwerking en afsluiting, vakwerk kortom.

Zijn romanfiguren praten meestal langs elkaar heen en getuigen daarmee niet alleen van hun ongemakkelijke verhouding tot de medemens, maar ook van de onmogelijkheid om zich over zoiets als de zin van het leven uit te laten. Daar gaan misschien alle boeken wel over, maar Brakmans behandeling ervan verrast toch keer op keer, vooral door zijn stilistische veelzijdigheid. Nog belangrijker dan zijn stijl lijkt mij in dit verband zijn onwil om zich bij de situatie neer te leggen. Dat is precies de grote, zij het ook wat droeve charme van zijn werk: elke keer weer wordt een heldhaftige poging gedaan om het wereldraadsel op te lossen, maar elke keer blijft het bij het omcirkelen van de grote samenhang die zich ergens in de diepte heet te bevinden.

In De koning is dood heeft Brakman het ook letterlijk in de diepte gezocht. Hij neemt een kijkje onder de grond, om precies te zijn onder het centrum van Den Haag, de onuitputtelijke inspiratiebron voor zijn vrolijk-desperate vertellingen. De roman speelt zich af in de Burcht, met een denkbeeldig, achttiende-eeuws hofleven en hier en daar wat hedendaagse accenten. Het is een op het eerste gezicht tamelijk hupse geschiedenis waaraan de nodige pruiken, kostuums en opmaakspullen te pas komen. Een probleem met Brakmans romans is dat ze in de samenvatting al gauw iets mals krijgen. Wie zal geloven dat het intrigerend is om de pogingen te volgen van een arts om onder de grond in het gevlei te komen bij een zieltogende koning en zijn gevolg? Wie zal geloven dat het huiveringwekkend, maar ook amusant is om te zien hoe de diefstal van een dichtbundel, Een winter aan zee van Roland Holst, leidt tot arrestatie, foltering en doodstraf van de dief, zelf een gemankeerd dichter? Wie zal geloven dat het ontroerend is om een volwassen man een embryo op sterk water te horen toespreken?

Wie De koning is dood samenvat als een soort avonturenroman doet te weinig recht aan het psychologische karakter ervan. De arts die we steeds zien afdalen in de Burcht, lijkt vooral een kijkje te willen nemen in zijn eigen onderbewustzijn. Hij is een man van knipsels, een peinzer, zo lijkt Brakman daarmee te willen zeggen, en geen doener. Hij schrijft zijn schaarse patiënten geen medicijnen voor, maar port en sigaren. Een eigenaardig type kortom, dat eigenaardige betrekkingen onderhoudt met zijn overleden maar nog niet helemaal verdwenen voorganger, Van Heel, een uit eerdere romans bekende griezel die, anders dan zijn naam suggereert, liever stukmaakt dan heelt. Aanvankelijk heet het nog vaag dat het lot hen op de een of andere manier met elkaar verbonden heeft, maar later wordt terloops duidelijk dat we hier met vader en zoon Van Heel te maken hebben, wat nog een extra schril licht werpt op de desperate zoektocht van de zoon naar surrogaatvaders.

De waarheid of de samenhang gaat hier schuil achter veel theater. Nergens bij te horen, onopgemerkt te blijven, veronachtzaamd te worden, dat is het grote verdriet van de held van De koning is dood. Met een pruik op en een toneelpakje aan houdt hij de schijn nog een beetje op, maar zonder die attributen is hij vooral erg alleen. Aan het eind gooit hij het bijltje er dan toch maar bij neer. Het is veelzeggend dat hij zijn grootste geluksmoment beleeft als hij zichzelf waarneemt in een vorstelijke crypte, uitgestrekt in een kist, enkele gebenedijde ogenblikken lang.

Willem Brakman: De koning is dood. Querido. 200 blz. ƒ39,90