En de maan, zij glimlacht

Dertig jaar na de eerste maanwandeling is het hoog tijd om een kleurgevoelige schilder de ruimte in te sturen .

In de nacht van 20 op 21 juli 1969 vond in aanwezigheid van een internationaal gezelschap kunstenaars, curatoren en verzamelaars de officiële opening plaats van het legendarische kunstenaarsinitiatief A in Antwerpen. Een historische gebeurtenis, alleen al vanwege het tijdstip, want in dezelfde nacht zouden er voor het eerst mensen op de maan wandelen. De Antwerpse kunstenaar Panamarenko verrichtte in A de openingsact. Hij gaf, gekleed in legeruniform, uitleg bij de rechtstreekse televisiebeelden van de ruimtereis. Toen astronaut Neil Armstrong iets voor vier uur in de vroege maandagochtend eindelijk een voet op de maan zette, werd dat in de Scheldestad gevierd met een ontbijt van oesters en champagne.

De kunstwereld begreep onmiddellijk dat de astronautische wapenfeiten artistieke potentie hadden, een inzicht waar de ruimtevaarders zelf toen nog lang niet aan toe waren. Maar inmiddels hebben ook zij oog gekregen voor de kunstzinnige kwaliteiten van hun werk, zoals blijkt uit het feit dat de ruimtevaartorganisatie NASA bij de feestelijk gevierde dertigste verjaardag van de baanbrekende maanwandeling, afgelopen juli in Washington, het grootste deel van de spreektijd gunde aan de kunstenaar Michael Light. Die had zich geen betere gelegenheid kunnen wensen voor de presentatie van zijn juist gereed gekomen fotoboek Full Moon.

Light (1963) is een landschapsfotograaf uit San Francisco die er al heel vroeg van droomde astronaut te worden of, om preciezer te zijn, `buitenaards fotograaf'. Wegens een aantal forse obstakels op weg naar dat doel, besloot hij in 1994 genoegen te nemen met een tussenoplossing. Hij ging de foto's bestuderen die al gemaakt waren tijdens de maanreizen van de twaalf bemande Apollo-vluchten, uitgevoerd tussen 1967 en 1972. Het ging hem niet zozeer om de uitentreuren getoonde, wereldberoemde foto's als die van de voetafdruk in het maanstof van Edwin Aldrin (Apollo 11), of de opkomst van de aarde boven de maanhorizon (Apollo 8). Hij wilde doordringen tot de goudmijn die hij vermoedde achter deze tot iconen uitgegroeide beelden, en die hij vond in een betonnen bunker zonder ramen in Houston: gebouw 424 van het Lyndon B. Johnson Manned Spacecraft Center.

Daar werd een archief bewaard van maar liefst 32.000 Apollo-foto's, 17.000 met de hand gemaakte en 15.000 automatisch geschoten beelden. Light heeft vier jaar besteed aan het bekijken en selecteren van alle 32.000 zwart-wit negatieven en kleurendia's, om uiteindelijk 133 (deels samengestelde) platen over te houden voor zijn Full Moon-boek. Dat vertelt een bewogen, nu eens spectaculair, dan weer uiterst gevoelig beeldverhaal van een retourvlucht naar de maan. Starring: de maan in haar onverstoorbare, oeroude schoonheid. Co-starring: boys and their toys. De technisch zo vernuftige mens mag zich in dit boek gerust op de borst kloppen, maar niet zonder dat de maan er elke keer weer even om glimlacht.

Pokdalig

Een aantal van de uitverkoren foto's is nu op groot formaat te bewonderen in Huis Marseille, stichting voor fotografie te Amsterdam. De kunstenaar, aanwezig bij de inrichting van de tentoonstelling, ontzenuwt meteen de `typisch Europese' aanname dat NASA wel heel moeilijk zal hebben gedaan voor ze hem toelieten tot het archief. Het tegendeel is waar. Het is niet zozeer verbazingwekkend dat NASA geen drempels opwierp, zegt Light, als wel dat niemand ooit eerder op het toch simpele idee van zo'n boek is gekomen. De enige moeilijkheid die hij ondervond was dat ze hem niet meteen de scherpste negatieven wilden geven, maar slechts kopieën van kopieën. Na negen maanden onderhandelen echter was ook dat probleem opgelost – tot geluk van de kijker, want juist de gedetailleerdheid van de afdrukken brengt die duistere, pokdalige maan wonderlijk dichtbij.

Buitengewoon imponerend zijn de collages die samen een panorama van het maanoppervlak vormen, op de tentoonstelling het meters breed, in het boek, afgedrukt op uitklappagina's, ook nog altijd ruim een meter. Op het eerste gezicht lijken het nachtelijke woestijnen, bijgelicht door grote filmspots. Maar je ogen worden al net zo bedrogen als het motorisch systeem van de astronauten, die je hier en daar, even vederlicht als houterig, over de grijze vlaktes ziet hoppen. Er gaat een zeer sterke werking uit van deze foto's, met name omdat ze, behalve zeer fris in hun schoonheid, in hoge mate desoriënterend zijn. Terwijl wij esthetisch volop aan onze trekken komen, kampt ons ondermaanse gevoel voor diepte en verhoudingen met de grootste aanpassingsproblemen.

Door het ontbreken van een dampkring op de maan zijn bergen op de achtergrond al net zo scherp als stenen op de voorgrond. Een gebergte van vijfduizend meter hoog lijkt hier een heuvel waar je zo tegenop zou kunnen sprinten. Een woest maar alleszins afzienbaar terrein heeft in werkelijkheid de grootte van Zwitserland. En die woestijnnacht is geen nacht, die filmspots zijn gewoon zonlicht. Dat kan zich alleen niet verstrooien zonder dampkring, waardoor de hemel boven de maan altijd zwart is. Je ziet ook geen wolken op deze foto's, en dus evenmin regen of ander weer, de maan kent helemaal geen weer. Ook geen wind, want er is geen lucht, dus ook geen luchtverplaatsing. Zelfs de grootste windmachine zou het losse maanstof niet doen opstuiven.

Allemaal gekke natuurverschijnselen die deze beelden een grote lading geven. Er is veel kunstfotografie die door manipulatie het echte vreemd wil laten lijken en het vreemde echt. Deze maanfoto's hebben dat van nature: alles wat je erop ziet is volkomen echt en tegelijkertijd onnavolgbaar vreemd.

Het allervreemdst is misschien wel het ontbreken van kleur op de maan. Veel opnamen zijn in zwart-wit gemaakt, maar ook als er kleur is gebruikt vertoont de maan zich louter in grijstinten. Alleen in een maanauto of het vizier van een helm zit dan wat geel of oranje, alsof ze zijn ingekleurd. Hebben alleen geïmporteerde dingen kleur? Of zijn onze aardse films niet bij machte om de maankleuren te vangen? Volgens Michael Light is het maanstof asfaltgrijs voor wie het in z'n handen heeft, muisbruin voor wie de zon in de rug heeft en groenig als het licht van opzij komt. Maar hij zegt ook dat de twaalf mannen die tot nu toe op de maan zijn geweest, op vragen naar de kleuren allemaal andere antwoorden gegeven zouden hebben. Zijn, zo kun je je afvragen, onze aardse ogen wel bij machte om de maankleuren te vangen?

Chinezen

Als we nu toch beginnen met de kunstzinnige exploratie van de maan, zou een onderzoek naar haar kleuren een mooie volgende stap zijn. Het schijnt dat de Chinezen volgend jaar bemande ruimtevaartuigen gaan lanceren. Overbodige, nationalistische geldverkwisterij, zeggen critici. Maar het is misschien wel een kans om eens een kleurgevoelige schilder naar de maan te sturen.

In de negentiende eeuw was het heel gewoon dat expedities die eropuit trokken om onbetreden gebieden te ontginnen, werden vergezeld van schilders die voor het thuisfront de schittering van het nieuwe land vastlegden. Beroemde voorbeelden in Amerika waren Albert Bierstadt en Thomas Moran. Zij profiteerden van de zogenoemde Manifest Destiny, de heilige overtuiging dat heel Noord-Amerika moest worden ingelijfd bij de Verenigde Staten. Bierstadt ging in 1858 mee met een expeditie van landmeters, die een duizenden kilometers lange huifkarrenroute moesten banen naar de Stille Oceaan. Zijn onderweg gemaakte schetsen werkte hij later in New York uit tot virtuoze, al te virtuoze schilderijen van de Rocky Mountains.

Moran maakte in 1871 deel uit van een soortgelijke missie door het gebied Yellowstone in Wyoming, toen nog niet of nauwelijks door blanken betreden. De expeditieleider had zich tevens verzekerd van iemand die thuis was in het nieuwste medium fotografie. Schilder en fotograaf werkten nauw samen, de afdrukken die de een met zijn glasplaten maakte werden door de ander met waterverf ingekleurd. `Voor de mensen in het Oosten leken ze even opwindend en onwezenlijk als de eerste foto's van de maan een eeuw later', schrijft Robert Hughes erover in zijn boek Amerika's Visioenen. Hij vertelt erbij dat bepaalde taferelen te indrukwekkend waren om door de ingekleurde foto's te worden weergegeven. En dus sloeg Moran bij zijn terugkeer in New York alsnog aan het schilderen, met als resultaat het panoramische The Grand Canyon of the Yellowstone, een kunstwerk `dat als geen ander Amerika's jaren van westelijke expansie uitdrukte'.

Michael Light staat in deze traditie. Inhoudelijk gezien, als landschapsfotograaf, staat hij het dichtst bij vakgenoten als Carleton Watkins en vooral Timothy O'Sullivan. Beiden pioniers werkten in de tweede helft van de 19de eeuw voor geologische staatsbedrijven die nieuwe gebieden in kaart moesten brengen. Watkins was de romanticus van de twee, iemand met een ideaal landschap in zijn hoofd. O'Sullivan was meer een registrator, hij kon zeer onpittoreske landschappen fotograferen met keiharde zwart-wit contrasten.

Die positie van de registrator is ook het meest die van Light, vandaar dat hij zich zo thuis heeft gevoeld tussen die duizenden, met puur wetenschappelijke bedoelingen gemaakte maanfoto's. Louter door zijn wijze van selecteren, combineren en afdrukken heeft hij het meegebrachte beeldmateriaal weten op te waarderen tot panorama's. Tot een maanervaring voor het thuisfront.

Belangrijk werk, want die Apollovluchten hebben ons dan wel een schat aan maankennis opgeleverd, de even interessante in- en uitwerking ervan op de mens lijkt nog voor het grootste deel in de interstellaire ruimte te zweven. Neem alleen al het boegbeeld Neil Armstrong, die tegenover interviewers die hem naar zijn maanervaringen vroegen, minutenlang als het graf kon zwijgen. Hij komt dan ook niet voor in The other side of the moon (1989) van Mickey Lemle, waarin acht maanreizigers over hun belevingen worden ondervraagd. De film was onlangs nog te zien op het IDFA in Amsterdam.

Zenuwinstorting

Het is een niet al te diepgravende documentaire. Edwin Aldrin, de compagnon van Armstrong bij de eerste maanwandeling (Apollo 11), wordt bijvoorbeeld niets gevraagd over de zenuwinstorting die hem na terugkeer op aarde overviel, met alcohol- en drugsverslaving als gevolg en zelfs een tijdelijke opname in een psychiatrische kliniek. Was hij de eerste echte maanzieke in de geschiedenis? Het is lang niet uitgesloten, want bij alle beperkingen laat The other side of the moon genoeg zien dat het voor een gewoon mensenkind een heel geworstel is om na een maanreis weer helemaal te aarden in de wereld.

Jim Irwin bijvoorbeeld (Apollo 15), gefilmd tegen de achtergrond van een woest berglandschap in Oost-Turkije, had besloten de rest van zijn leven te wijden aan het zoeken naar de Ark van Noach. Die moest, volgens het Oude Testament, verborgen liggen in de eeuwige sneeuw op de 5.000 meter hoge berg achter hem, de Grote Ararat. Het vinden van de ark leek Irwin belangrijker voor de mensheid dan ooit de ontdekking van de maan was geweest.

Alan Bean (Apollo 12) had nooit in God geloofd, maar sinds zijn maanavontuur had hij het dwingende gevoel dat er daarboven iemand van hem hield. Crazy, want hij geloofde nog steeds niet in iemand daarboven. Hij was inmiddels schilder geworden. Terwijl hij sprak werkte hij aan een stilleven dat voor hem op tafel stond: een paar moonboots in een hoopje zand. Zijn palet was overwegend grijs.

Alfred Worden (Apollo 15) had de uitlaatklep van de poëzie gevonden, hele nachten zat hij gedichten te schrijven die automatisch uit zijn pen vloeiden. En Edgar Mitchell (Apollo 14) was een instituut begonnen om de ware aard van het bewustzijn te onderzoeken. Hij had altijd geloofd dat het heelal een toevallige botsing van energieën was, maar sinds zijn maanreis twijfelde hij er niet meer aan of het was een systeem met een eigen intelligentie.

Zo zijn die mannen op leeftijd nog altijd bezig hun ervaringswereld in evenwicht te brengen met hun technische en fysieke prestaties van weleer. Nog altijd worden ze beheerst door de maan, en misschien wel heel wat meer dan toen ze nog die koele astro-kikkers waren. Ze werden vermoedelijk juist uitverkoren omdat ze hun ervaringswereld zo goed konden opschorten. Wie te veel ervaart kan zulk gevaarlijk werk niet doen, met dromers en fantasten verover je geen werelden. Toch zijn het eerst en vooral de dromen en fantasieën geweest die de mensheid in de richting van de maan hebben gedreven, zonder haar eeuwenlang gevoelde aantrekkingskracht zouden wij nooit een voet op haar bodem hebben gezet. De maan is als Manifest Destiny oneindig veel dieper geworteld in het mensdom dan dat hele Westen, want zo letterlijk en zo sterk als de maan heeft het Westen nooit aan ons getrokken.

De maan trekt niet alleen aan onze oceanen, waardoor eb en vloed worden veroorzaakt, ze trekt ook aan onze hoogste bergtoppen die daardoor tweemaal daags centimeters heen en neer bewegen. Hoe zouden wij mensen onbewogen kunnen blijven onder zoveel maankracht? En dan stalkt de maan nog ook! Waar wij 's avonds ook gaan, overal loopt en rijdt zij mee, met geen mogelijkheid is zij af te schudden. Zoals de vrouwen bloeden op instigatie van de maan, zo schreeuwen en schuimbekken de maanzieke mannen. Al millennia lang, in de hele wereldliteratuur, van Mattheüs tot Pirandello. En dan al die liefdesnachten bij het schijnsel van de maan – het kon niet uitblijven, wij moesten er naar toe. En dus gingen wij. Met een vliegende trein onder leiding van Jules Verne, met de gevleugelde verrekijker van knutselfilmer Georges Méliès, met een kermisraket die bestuurd werd door Kuifje. En natuurlijk met de Apollo-vluchten onder leiding van Michael Light.

Wij zijn teruggekomen met een bulk verhalen waarin wij uitdrukken hoe wij toegang hebben gekregen tot de maan, welke plaats wij toekennen aan onze ervaringen met de maan, en hoe wij de maan in ons levend houden. Wij hopen er zo gauw mogelijk nog eens terug te keren.

`Full Moon', tot 26 februari 2000 in Huis Marseille, Keizersgracht 401, Amsterdam. Tel. 020-5318989. Openingstijden: di t/m zo, 11-17 uur, ma gesloten.