Een storm over de plantage

Anton de Kom is een van de invloedrijkste Surinaamse nationalisten. Zijn `Wij slaven van Suriname' (1934) werd een klassieker van de Surinaamse letterkunde, en is nu opnieuw uitgegeven. Nog altijd is het een indringende aanklacht tegen `geestelijke slavernij' – ook zonder de passages die de Nederlandse autoriteiten destijds schrapten.

Op het Ereveld Loenen ligt begraven Cornelis Gerhard Anton de Kom, geboren 22 februari 1898 te Paramaribo, gestorven, kort voor de bevrijding, op 24 april 1945 te Sandbostel. Surinaamse volksheld, man van het linkse verzet, die in zijn woonplaats Den Haag werd opgepakt op 7 augustus 1944, afgevoerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen en later naar Neuengamme, waar politieke gevangenen (vooral communisten), homoseksuelen, Jehova-getuigen en zigeuners bijeen werden gebracht. `Vernichtung durch Arbeit' was daar de opdracht, en dat bevel is grondig uitgevoerd.

Voor Suriname berust De Koms betekenis op twee pijlers: zijn bruisend anti-koloniaal optreden in 1933 na zijn terugkeer uit Nederland en zijn boek Wij slaven van Suriname (1934). Het boek is nu opnieuw uitgegeven in de aanloop naar 25 jaar onafhankelijkheid van Suriname. Dat is verdedigbaar, want De Kom heeft het niet enkel over de slaven uit de slaventijd, maar ook over het tegenwoordige `wij'. De betekenis van het boek ligt in de uitvoerige beschrijving van gebeurtenissen uit het verleden gezien door de ogen van een revolutionair, die haar gebruikt om aan te tonen dat de slavernij in een andere vorm nog niet voorbij is. Het boek kent daarom ook twee afdelingen, Het tijdperk van het verleden en Het tijdperk der 'vrijheid'. Het eerste behandelt `het donkerste hoofdstuk onzer historie', het tweede, kortere deel geeft een grimmig relaas over het beheer van de door Nederland veronachtzaamde kolonie. Over zijn eigen optreden in Suriname bevat het boek betrekkelijk weinig, terwijl zijn suggesties hoe het land economisch aangepakt zou moeten worden nu vanzelfsprekend wat verouderd aandoen. Hij zet niet aan tot gewapende opstand, hoezeer hij ook de strijd van de marrons, de weggelopen slaven, tegen het koloniale gezag bewondert, maar tot solidariteit tussen de verschillende bevolkingsgroepen binnen het land en daarmee gepaard tot organisatie. Want hij beseft dat met onderhandelingen met een onwrikbaar koloniaal bestuur weinig of niets te bereiken zou zijn en slechts de macht van de massa het tot veranderingen kon dwingen.

Huzaren

De Kom was de zoon van een kleine landbouwer, bezocht de katholieke MULO, volgde een cursus boekhouden en vond een kantoorbaan bij de Balata-Compagnie. Daar kwam hij in contact met de balata bleeders (rubbertappers) en werd hij zich bewust van hun slechte werk- en leefomstandigheden in het Surinaamse bos (er waren geen rubberplantages). In zijn boek zal hij er een bitter hoofdstuk aan wijden en later schrijft hij ook een gedicht over hun harde bestaan. Eind 1920 vertrekt hij naar Nederland en tekent daar vrijwillig voor vier jaar bij de Huzaren. Na afloop van zijn diensttijd behaalt hij het diploma van boekhouder, werkt bij een bank en als handelsreiziger in koffie en tabak voor de Haagse firma Reussen en Smülders. In 1932 wordt hij ontslagen, officieel wegens reorganisatie, maar De Koms politieke activiteiten zullen wel de ware reden zijn geweest.

De Kom was in die tijd al betrokken bij communistische activiteiten, naar eigen beweren zonder lid van de Partij te zijn. Hij was in contact gekomen met nationalistische Indonesische studenten, onder wie Mohammed Hatta, en schreef artikelen in de linkse pers. Als hij besluit om met vrouw en vier kinderen naar Suriname terug te keren, waar zijn moeder ernstig ziek is, is zijn faam hem al vooruit gegaan. De gouverneur is over zijn komst ingelicht en De Kom zal vanaf het ogenblik dat hij voet aan wal zet gevolgd worden door agenten. Zijn moeder was bij zijn aankomst al gestorven en hij neemt zijn intrek in het kleine ouderlijk huis aan de Ponte Werfstraat.

Omdat het hem verboden wordt openbare vergaderingen te beleggen, richt hij daar op het erf een adviesbureau op waar hij klachten van zijn bezoekers registreert. Hun aantal zwelt in een paar dagen tot duizenden aan, ondanks alle waarschuwingen van de overheid tegen deze communist. Het zijn niet zozeer de creolen die komen, maar juist de Javanen en de hindoestanen. Binnen een paar dagen ontstaat, wat nog niet eerder gebeurd is, een massabeweging. De Javanen zien in De Kom een messias die binnen afzienbare tijd voor schepen zal zorgen om hen naar Java terug te voeren. Wanhoop en heilsverwachting brengen hen in heftige beroering, ze leggen het werk neer en trekken in uitgaans–tenue naar de stad.

Rosemarijn Hoefte heeft in haar boek In Place of Slavery aangetoond hoe erbarmelijk de omstandigheden voor deze arbeiders op de suikerplantages van de Nederlandse Handel-Maatschappij waren. Twee jaar eerder had de ontevredenheid in de kolonie geleid tot een klein oproer, waarbij vooral de creoolse arbeiders betrokken waren. Nu was er sprake van een veel omvattender beweging. Het bestuur voelde zich bedreigd en was bang dat De Koms optreden zou leiden tot revolutie. Om dat te voorkomen wordt hij al op 3 februari gearresteerd en gevangen gezet.

In plaats dat de rust terugkeerde werd dit juist de aanleiding tot een massaal protest om zijn vrijlating af te dwingen. Toen die uitbleef trok de ongewapende menigte op naar het gouvernementsplein. Omdat de mensen geen gevolg gaven aan zijn oproep om uiteen te gaan gaf procureur-generaal Van Haren bevel tot schieten: er vielen twee doden en 22 gewonden. De massa stoof uiteen, de Javanen keerden terug naar de plantages, en in het politie-tehuis werd een feestavond gehouden.

Op de grote suikerplantage haalde de staf weer gerust adem. De opwinding was voorbij, de hoop vervlogen. Op 10 mei werd De Kom zonder vorm van proces in alle stilte op de boot gezet en naar Nederland verbannen. `Moord', noemde de 67-jarige hoofdredacteur Sarucco in zijn krant De Banier van Waarheid en Recht de door de pg bevolen schietpartij. Hij werd wegens smaad tot vier weken gevangenisstraf veroordeeld. De andere kranten hadden veel begrip voor het moedige optreden van de pg, die de orde had weten te herstellen. Daarna werd het weer stil in Suriname. Bij de Javanen lijkt het wel of het gebeurde rondom De Kom uit hun collectieve geheugen is gewist. De hoge verwachtingen die op een volkomen mislukking uitliepen kunnen daarvoor misschien als verklaring dienen. Een enkele oude Javaan weet zich nog te herinneren dat je je bij Papa de Kom moest laten registreren, wilde je naar Java terugkeren.

Bij zijn terugkeer in Nederland werd De Kom door communistische organisaties een grote huldiging bereid. Hij werkt mee aan het tijdschrift Links Richten, schrijft in de Tribune, houdt lezingen en doet mee aan werkloon-betogingen. In 1934 komt zijn boek uit bij Contact. De uitgever schrijft in het voorwoord: `In verband met de opmerkzaamheid, van zekere zijde voor dit boek betoond, achtten de uitgevers het noodzakelijk, ten einde de ongestoorde verspreiding van het boek te verzekeren, om, na overleg met de Schrijver, enkele wijzigingen in den tekst aan te brengen'. De passage spreekt voor zichzelf. Een duidelijker bewijs van de beduchtheid van het bestuur voor de taal van De Kom is niet nodig. Het is een vorm van brutale, onwettige censuur door de Centrale Inlichtingendienst.

Het belang van De Koms boek gaat ver uit boven de beschrijving van de harde feiten uit het verleden. Het is een anti-koloniaal geschrift dat het heden aan het verleden koppelt, waardoor het tot op de dag van vandaag zijn uitwerking niet heeft verloren. `Misschien zal ik erin slagen iets van de verdeeldheid uit de weg te ruimen, die de zwakte was dezer gekleurden, misschien zal het niet geheel onmogelijk zijn om negers en Hindostanen, Javanen en Indianen te doen verstaan hoe slechts de solidariteit alle zonen en moeder Sranang kan verenigen in hun strijd voor een menswaardig leven.'

Hoe is het te begrijpen dat De Kom de Javanen een spoedige terugkeer kon beloven? Ik acht het niet aannemelijk dat hij dat ook heeft gedaan. Het moet hem bij het aanhoren van de grieven duidelijk zijn geworden dat het bestuur en de Handelmaatschappij sjoemelden met het recht op terugkeer van deze contractarbeiders en hen zijn hulp hebben toegezegd.

De Kom was echter verstandig genoeg om zich niet te buiten te gaan aan het oproepen van verwachtingen die hij niet onmiddellijk waar kon maken. In zijn boek komt ook geen enkele passage voor over beloften aan de Javanen voor terugkeer. Wel schijnen zijn aanhangers in de districten de mare van een spoedige terugkeer naar Java te hebben verspreid. Het is de unieke persoonlijkheid van De Kom en zijn diepgaande warme belangstelling voor de nood van deze groep, die het geloof bij deze mensen aanwakkerde dat een bijzonder gezant, een messias, een incarnatie van een legendarisch vorst, voor hen was gekomen.

Militairen

De aandacht voor De Kom is snel verflauwd. Eerst in 1971 zal een tweede druk van het boek verschijnen. Het zijn de Surinaamse militairen die hem na hun staatsgreep in 1980 weer naar voren halen. Dat diezelfde militairen de bosnegers, voor wier strijd De Kom diep respect koesterde, een paar jaar later zelf gingen beschieten, doodden en uit het land verjoegen is de ironie van de geschiedenis. Hoe actueel en controversieel De Kom nog is, moge blijken uit zijn woorden over de 1-juli-viering, de dag van de afschaffing van de slavernij in 1863. In De Communistische Gids van 27 maart 1929 schrijft hij dan: `O, gij christelijk addergebroedsel. Nog nooit hebt gij anders gedaan dan hypocrisie, veinzerij en altijd is de bedrogene het proletariaat geweest. Als overvloedige blijk van humaniteit en welwillendheid dezer hypocrieten werd ons een souvenir in de vorm van `emancipatie' geschonken. Dit historisch bedrog kunnen, ja mogen wij nooit uit het oog verliezen.'

Jef Last schreef in 1962 in het dagblad Het Vaderland dat het auteurschap van Wij slaven van Suriname hem feitelijk toekwam. Kort voor zijn dood heb ik hem gevraagd hoe dat zat. Hij zei dat De Kom geregeld met schriften tekst bij hem kwam en dat ze vaak samen naar de Koninklijke Bibliotheek gingen om teksten na te slaan. De Kom schreef slecht Nederlands, zei Last, ik redigeerde dat, zoals ik dat ook voor een Indonesische schrijver heb gedaan, maar het is zijn boek.

Ik kan daar alleen aan toevoegen dat het Nederlands van De Kom, zoals ook uit enige nagelaten romanfragmenten en gedichten blijkt, geen gebrekkig Nederlands is. Het is het enigszins archaïsche taalgebruik van de Surinamer uit die tijd en het doet niets af aan de indringendheid van wat De Kom te zeggen had.

Anton de Kom: Wij slaven van Suriname. Contact, 190 blz. ƒ34,90