Een hemelse bode

,,De Nederlandse literatuur is arm aan duiventillen'', klaagt Rody Chamuleau in `Op hoge poten'. Dit door hem uitgegeven bibliofiele boekje bevat een aantal gedichten en verhalen waarin duiventillen en duiventorens een rol spelen. Gerrit Achterberg is present met zijn `sotternie', handelend over een groene duiventil die aan de wandel gaat en een vrijage heeft met een bouwkeet. Heere Heeresma schrijft over een duivenmelker en Chamuleau zelf over een Franse duiventoren `waaromheen tuimelaars en kapucijners zweven'.

Een tuimelaar beheerst de `volle overslag, zowel voor- als achterover' lees ik in een boekje over sierduivenrassen. Er schijnen zelfs duiven te hebben bestaan die op hun rug konden blijven vliegen. Andere tuimelen zo onstuimig dat ze op de begane grond neervallen. Geef je een bodemtuimelaar een tikje tegen de nek, dan springt hij hoog de lucht in en voert zijn salto-mortale tientallen keren uit. Naast tuimelaars heb je onder andere hoogvliegers, meeuwen, kroppers en Groninger slenken.

Het meest opvallend aan het boekje zijn evenwel de foto's van allerlei bizarre duivenhuizen. Ze zien eruit als kasteeltorens of bonbondozen. ,,Duiventorens zijn een beetje de verschoppelingen onder de follies'', schrijft Wim Meulenkamp, die een boek over buitenissige bouwsels op zijn naam heeft staan. ,,De ideale duiventoren is van baksteen, veelhoekig of rond, gekanteeld natuurlijk, neogothisch of neoromaans, en staat wat te wankelen achter een bosje of op een onnut veld.'' De hoge poten moeten verhinderen dat een wezel of rat het vogelverblijf kan binnendringen. In het artikel wordt nog vermeld dat de Duitsers in 1942 bevel gaven het Nederlandse duivenbestand te vernietigen, om te voorkomen dat de vogels als koerier zouden worden ingezet.

De meeste duivenhuizen zijn gefotografeerd op landgoederen. Dat is niet zo vreemd, want vroeger bezat de adel, naast het jachtrecht, het `recht van duivenslag'. Duiven hield men voor het vlees en voor de mest; de tuinman strooide de witte uitwerpselen uit op akkertjes waar meloen, hennep en tabak geteeld werden. Het schijnt dat de omgeving van Amersfoort, waar vroeger de tabak welig tierde, de grootste duiventillendichtheid van Nederland heeft.

Zou Chamuleau zijn onderwerp wat ruimer hebben genomen, en zich op schrijvers hebben gericht die iets met duiven hebben, dan had zijn boekje gemakkelijk aan omvang gewonnen. Hans Warren, oud-voorzitter van de `Vinkduivenclub', was dan zeker van de partij geweest. In zijn `Geheim dagboek' legt hij uit dat het houden van vogels een typerende bezigheid is van de huisman: ,,Het is niet toevallig dat schoenlappers, kleermakers en andere thuiswerkers vaak hartstochtelijke vogelkwekers waren.''

De liefde voor de vinkduif dreef hem het `wereldje van de kleinveeteelt' binnen. Hij vergelijkt de gratie van het dier met die van een aartsengel op middeleeuwse altaarstukken. ,,Een vinkduif die in de zon neerstrijkt heeft iets van een verschijning, een hemelse bode'', schrijft hij. Warren, die over een goed gevulde duivenbibliotheek beschikt, zegt niet te weten wie de stamvader van dit zeldzame ras is.

In `Het Bureau' van Voskuil komen eveneens een paar memorabele duivenscènes voor. Ik herinner me hoe Maarten Koning zich, op weg naar huis, ontfermt over een uit zijn nest gevallen duifje. Hij en Nicolien omringen kwetsbare dieren graag met hun zorg. Toen Nicolien in Frankrijk eens op een slak trapte, was haar hele vakantie bedorven.

Maar het mooiste duivenverhaal vloeide volgens mij uit de pen van Anton Koolhaas. ,,Wat is u weer druilerig, Arie'', merkt duif Piet op, als hij naast zijn maatje landt. Arie is een verzuurde idealist, die eens het bestaan van stadsduif wilde inruilen voor dat van vrije houtduif. Op een dag is Piet er getuige van hoe Arie zijn droom van vrijheid heeft ingeruild voor een handvol duivenvoer; overdreven koerend en knikkend stapt hij over de straatstenen heen en weer: ,,Ook maakte Arie trippelpasjes, sprongetjes, veegbewegingen en waggelgangetjes en hij genoot duidelijk de voorkeur van de strooiende toeristen.'' Later schept hij tegen Piet op dat hij binnenkort het hele kerkdak wit zal schijten.

Piet heeft alleen maar medelijden met hem.

'Op hoge poten'. Duiventillen en -torens in het literaire landschap. Samenstelling Rody Chamuleau. Bosbespers, Oosterbeek.