Een goed gesprek in het Noors

In een dok in de Rotterdamse haven ligt de Stril Neptun, een Noors bevoorradingsschip. De in spijkerbroek gestoken jonge kapelaan Odd Gj⊘en beklimt de lange rij stalen treden die naar de verblijven van de bemanning en de stuurhut voeren. Hij heeft een zware tas met Noorse dagbladen bij zich.

Gj⊘en krijgt die kille avond een hartelijke ontvangst. De meeste zeelieden aan boord kennen hem en zeker ook de organisatie waarvoor hij werkt: de Noorse Zeemanskerk.

Aan de Westzeedijk, vlak onder de Euromast, staat de van 1914 daterende Noorse Zeemanskerk. Rotterdammers spreken van `het Noorse kerkje in het park'. Vandaaruit verrichten een dominee, een kapelaan en tien medewerkers sociaal werk onder de Noorse zeevarenden in de Maasstad. Vergeleken met vroeger zijn hun taken ingrijpend veranderd. Ver vóór de oorlog poogden de geestelijken hun landgenoten met koffie, koek en wafels weg te houden van de beruchte Schiedamsedijk met zijn kroegen, bordelen en danslokalen. Gj⊘en zegt dat heel wat voorgangers ,,Noorse dronkelappen uit die buurt naar ons kerkje hebben gesleept''.

Anno 1999 wil de Noorse zeemanskerk ,,een thuis creëren in het buitenland'', legt Gj⊘en uit. De Norsk Sj⊘mannskirke, een replica van een elfde-eeuwse Stavkerk, is dagelijks open van 's ochtends 9 tot half elf 's avonds. De diensten op zondag trekken zo'n zestig, zeventig in Rotterdam wonende Noren, die elkaar ook ontmoeten in het aangrenzende lokaal met een bar, zitjes en een snookerbiljart. In totaal komen per jaar zo'n 15.000 Noorse bezoekers naar deze kerk, maar onder hen zijn nog nauwelijks zeelieden. De eenvoudige reden is dat ze daar geen tijd voor hebben.

Daarom gaan de geestelijke verzorgers naar de schepen toe. Zij hebben daar de handen aan vol, want per jaar doen bijna zestienhonderd Noorse schepen Rotterdam aan. Zo ligt bij Pernis de Knutsen, een tanker.

Gj⊘en gaat via een besneeuwde, lange trap aan boord. Buiten stinkt het naar olie, binnen zijn Noorse zeelieden aan het werk of kijken ze televisie in de `woonkamer'. Daar zit schoonmaakster en keukenhulp Linda, ze rookt een sjekkie. Vandaag is ze uit Noorwegen aangekomen; zes weken aan één stuk zal ze op de Knutsen werken, van 's ochtends vroeg tot in de avond. Daarna is ze zes weken vrij. Linda is blij met het bezoek van Gj⊘en die voor ,,wat afleiding'' zorgt en een stapel kranten op tafel heeft gelegd.

De zeelieden van de Knutsen redden zich wel, zegt Gj⊘en. Dat geldt ook voor die van de Stril Neptun, die hij eerder die avond bezocht. ,,Ze zijn met een aantal Noren op een schip'', verduidelijkt de kapelaan. ,,De problemen doen zich vooral voor met Noren die in hun eentje op een schip zitten, temidden van soms onverstaanbare Filippijnen. Ze zijn eenzaam, zien ons graag komen. We laten ze hun verhaal doen.''

Gj⊘en vertelt hoe de aard van zijn werk kan verschillen. ,,Laatst vroeg iemand me naar de stad te gaan om een speciale antenne te kopen; een ander wilde dat ik een kostuum voor hem ging uitzoeken. Maar ik heb me ook ontfermd over een kapitein, van wie een werknemer op de tanker was verongelukt. Hij was ondervraagd, ondervraagd, ondervraagd – door de veiligheidsbeambten, de verzekeringsmaatschappij, de politie. Voor zo iemand kan de kerk een grote steun zijn.''

De Noorse Zeemanskerk is ooit begonnen als een club van idealisten die het zonder subsidie moest stellen. Inmiddels springt de Noorse overheid bij in de helft van de kosten, vertelt Gj⊘en. ,,Ze zien in dat we iets voor het land betekenen.'' Verder komen er giften binnen. Gj⊘en en de zijnen zorgen voor de rest van de benodigde gelden. Ze verhuren de kerk wel eens voor een trouwpartij, ze houden een loterij en last but not least: ze organiseren al tientallen jaren lang elk jaar in eigen huis een kerstmarkt waar Noorse producten te koop zijn. ,,De omzet van dit jaar bedroeg 180.000 gulden'', zegt Odd Gj⊘en enthousiast.

De Noorse Zeemanskerk gaat nooit verloren.